Home

De bevrijding van Nederland

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Het Zuid-Limburgse dorpje Mesch werd als eerste in Nederland door de Amerikanen bevrijd.

Na zware gevechten bevrijdt de Amerikaanse 82 Airborne Division Nijmegen.

Met de evacuatie van Britse para’s uit Arnhem is de sprong over de Rijn van de geallieerden mislukt.

Na bombardementen die grote delen van Walcheren onder water hebben gezet, begint de aanval op het schiereiland.

De Hongerwinter zorgt voor vreselijke ontberingen in de grote steden van West-Nederland.

Bij een geallieerd bombardement op het Bezuidenhout in Den Haag vallen ruim 500 doden.

Poolse soldaten, die als sinds de herfst in Nederland zijn, bereiken het noorden van het land.

In de chaos van de eerste dagen na de bevrijding richten Duitsers een bloedbad aan op de Dam.

Eindelijk bereiken de Canadezen West-Nederland, waar de bevrijders feestelijk onthaald worden.

Als laatste plek in Nederland wordt het Waddeneiland Schiermonnikoog van zijn Duitse bezetters ontdaan.

In Nederlands-Indië is de oorlog pas voorbij als Japan capituleert na het afwerpen van twee atoombommen.

Joty ter Kulve Foto Frank Ruiter

Haar vroege jeugd was idyllisch. Als Joty ter Kulve-van Os (92) erover praat, straalt ze nog altijd. Ze zegt: „We hadden een zalig leven.”

Ze vertelt over Linggadjati, het huis aan de voet van een vulkaan op West-Java dat haar vader had laten bouwen. Over het kleine dorpsschooltje en hoe ze zongen over Piet Hein. Over opa, die in de bergen op zwijnen ging jagen. „Dat vond ik prachtig. Dan bleef ik op tot het dier geslacht was.” En ze vertelt over het natuurlijke zwembad, „met zúlke grote vissen”.

In één adem door zegt ze: „Die zijn later door de Jappen opgegeten.”

Want dat is ook de jeugd van Joty ter Kulve. Zij maakte de oorlog mee in Nederlands-Indië. En van de capitulatie van Japan, deze zaterdag 75 jaar geleden, merkte ze in het interneringskamp waar ze met haar oma, moeder, zusje en broertje zat, in eerste instantie niets.

Over de Japanse bewakers: „Ze zeiden niets. We hoefden alleen niet meer naar appèl. De Dikzak – ze hadden natuurlijk allemaal bijnamen – die zat bij de uitgang bij het hek. Maar hij deed niet open.”

Vader Koos was begin jaren twintig naar Nederlands-Indië geëmigreerd. Hij trouwde daar met een Indisch meisje, Lizzy, en ze kregen drie kinderen: Cora, Joty en Wim. „Hij was handelsman”, vertelt Joty ter Kulve. „Toen ik drie was, zei hij: ‘Ik ga iets anders doen’. In Cirebon, een grote havenstad, nam hij een betonfabriek over.”

„Omdat Cirebon zo warm was, is hij gaan zoeken in de omgeving naar een huis. Zo heeft hij Linggadjati gevonden.” Het huis dat later beroemd zou worden door het akkoord dat de Nederlandse regering en de Republik Indonesia daar in november 1946 sloten en dat een eerste stap naar Indonesisch zelfbestuur had moeten zijn. Het werd zeven maanden later, een dag voor het eerste militaire optreden, door Nederland opgezegd. Pas in december 1949 zou Nederland de onafhankelijkheid van Indonesië erkennen.

„Als Linggadjati gelukt was, hadden we misschien kunnen blijven”, zegt Joty ter Kulve. „Dat is wat veel mensen nog altijd boos maakt: ze hebben alles verloren, hun huizen, alles.” Ze zegt: „Ik wist niet anders dan dat het mijn land was. Nederland? Daar had je niets mee te maken.”

Van het feit dat zij Indisch was – met een Hollandse vader en een Indische moeder – merkte ze voor de oorlog weinig. „Ik voelde me nooit Indisch. Ik was zijn kind. Punt.”

„Alleen toen mijn vader gestorven was, ik was toen zes, ik herinner me het eerste sinterklaasfeest van toen. Iedereen kreeg een cadeautje op school, behalve wij. Mammie ging naar school toe. Ze zeiden tegen haar: ‘Koos is dood. Jij zult ze nooit kunnen opvoeden, want je bent Indisch’. Dat was zwaar fout.”

Een pan op mijn kop en zitten in een gat dat we zelf hadden moeten graven. Dat was wat ik wist.

Het betekende ook dat de familie lang uit het kamp kon blijven. In eerste instantie sloten de Japanse bezetters alleen Nederlanders op, de meesten Indische Nederlanders konden buiten het kamp verblijven. „In het begin merkten we niets, terwijl er al mensen waren geïnterneerd.” Op school werd geoefend voor het geval er een vliegtuig zou overkomen. „Een pan op mijn kop en zitten in een gat dat we zelf hadden moeten graven. Dat was wat ik wist.”

„Toen de Jappen kwamen, Cora en ik moesten altijd een straat over om naar het zwembad te komen, en opeens ‘vroem’, daar kwamen ze op motorfietsen, ze hadden groene mutsjes op. Er kwamen honderden langs.

Foto Frank Ruiter

„Opa ging veel op jacht. Mammie zei meteen ‘die geweren moeten weg’. We waren bezig een gat te graven, we stonden er allemaal omheen. Toen we het dicht wilden graven, kwamen de Japanners. Maar oma was erbij, en dat was een slimme dame: ze bleef vriendelijk en beleefd. Zoals je doet in het Oosten als je mensen op bezoek krijgt.”

Ze is hun redding geweest, denkt ze. Zoals haar moeder, wier portret op een ereplaats hangt in de woonkamer van het Wassenaarse verzorgingstehuis. Want op een dag kwam er een bevel van de Kempeitai, de Japanse militaire politie, die berucht was om de wreedheden die zij pleegden. Het hoofd vertelde Ter Kulve’s moeder wat hij wilde: „Girls. Hij bedoelde voor een bordeel.” De Japanners dwongen in de oorlog vrouwen op grote schaal tot prostitutie.

Ze was 14, haar zus 17. „Mijn moeder zei: ‘When I am dead, you can try to get them’. Toen sloot hij ons een paar dagen op in de gevangenis. Toen zei hij het weer. En zij zei: ‘You have to shoot me’. Toen gebeurde een wonder. Hij zei: ‘Tomorrow camp’.

„Ik kan de eerste aanblik van het kamp niet uitleggen. Kinderen die er maar een paar maanden hadden gezeten, hun grove taal, echt rotte scheepmanstaal. Dat is mijn hele leven blijven hangen.”

„Er was een Japanner die ons onzinnige dingen liet doen, een vijver uitdiepen, zand er weer in doen, weer uitdiepen. We mochten niet zingen of muziek maken. Maar iemand had een handharmonica. Toen werden we betrapt. Straf, appèl. Hij begon te slaan. Hij werd hoe langer hoe bozer. Je kreeg steeds meer slaag.

„Opa is na een week gestorven. Hij hoefde het kamp niet in, maar mammie ging en oma zei: ‘Ik ga ook mee’ en toen ging hij ook. Hij werd ziek en lag daar te rotten.” Joty ter Kulve krijgt het nog steeds te kwaad: „Ik weet niet hoe hij het kamp uit is gegaan, hij is alleen begraven.”

„Weet je, ik begrijp dat de mensen niet willen praten over die dingen. Er zat zoveel venijn in.” Ze zegt dat ze het „voelt” als anderen in een kamp hebben gezeten. „Sommigen zijn bitter.”

Drie jaar lang zat ze in verschillende kampen. En op een ochtend was het hek open. „Ik zag er verschrikkelijk uit. Ik had een theedoek aan die oma had vastgemaakt aan een onderbroek die ik opsjorde met een touwtje. Als een bedelaar.” Maar een stelletje Indische jongens nam haar mee en gaven haar eten. „Ik heb gegeten en gegeten en gegeten. Tot ik toen natuurlijk naar de wc moest.”

„Ik dacht dat ik in de vrijheid kwam die ik net had gekregen. Maar we wisten niet dat het Bersiap was.”

In het gezagsvacuüm tussen de Japanse capitulatie, het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid twee dagen later, en de terugkeer van het Nederlandse gezag begin 1946 – de Bersiap genoemd – ontstond een geweldsgolf waarbij duizenden Europeanen en Indische Nederlanders werden vermoord, gemarteld of verkracht door Indonesische strijders. Voor hun eigen veiligheid werd hen bevolen in interneringskampen te blijven.

Ter Kulve kwam in Bandoeng terecht, dat in tweeën was gedeeld. „Een vriend liep voor z’n plezier met een [Hollandse] vlag naar de kant van de Javanen. Die is getjingtjangd”, zegt ze. Hij werd in stukken gesneden. Ze zegt ook: „Als je vraagt: ‘Vertel eens van die tijd’, weet ik zo bitter weinig, soms zijn er gaten in mijn hoofd. Dan denk ik: ‘Is dit dementie?’ Nee , datgene dat ik niet wilde onthouden, heb ik weggedaan. Deze periode is er één van.”

In 1947 ging Ter Kulve „naar Holland”. Ze raakte betrokken bij Morele Herbewapening, een vredesbeweging die vond dat het Westen zich ‘geestelijk’ moest wapenen en verzoening predikte. Ze werd juriste, mensenrechtenstrijder en zet zich nog altijd in voor toenadering tot Indonesië.

Ze zegt: „Alles waarvan ik dacht dat het verkeerd was, daar moest ik een rol in spelen.” Voor haar kinderen, vooral haar dochter, moet dat moeilijk zijn geweest, denkt ze nu. „Ik vond nooit iets erg, ook niet als ze erge dingen had. Ik had zoiets: ‘ze maken over zulke kleinigheden ruzie’.”

En ze zegt: „Nu begin ik te begrijpen dat het een manier was om mijn leven te fiksen.”

Tekst: Titia Ketelaar
Foto’s: Frank Ruiter
Kaarten: Roos Liefting
Ontwerp: Janko Bosch
Techniek: Ruud Puylaert
Productie: Bart Funnekotter, Miriam Vieveen, Heleen Peeters

Aan de overkant hingen de Nederlandse vlaggen al uit. Vanaf de dijk op Schiermonnikoog zag Yde Talsma dat het vasteland was bevrijd. Maar wat hij toen nog niet wist, was dat de oorlog voor hem, zijn vrouw en hun vijf zoons pas zou beg Source: NRC

Previous

Next