Home

5 juni, voor altijd de dag van aankomst in Suriname

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Contractarbeid Slavernij was afgeschaft, de vraag naar plantagearbeiders in Suriname was groot. Op 5 juni 1873 kwamen de eerste contractarbeiders aan, verscheept vanuit Brits-Indië. De bewogen Hindostaans-Surinaamse geschiedenis begon.

De Britse kapitein R.H. Gilliat kijkt uit op een bovendek overbezet met mannen en vrouwen, echtparen en gezinnen, veelal gekleed in witte doeken. Met 411 opvarenden onder zijn gezag laat hij op 26 februari 1873 de kust van Brits-Indië – het huidige India, Pakistan en Bangladesh – achter zich. Vanuit de Golf van Bengalen zet hij in opdracht van de Nederlandse staat koers naar de Indische Oceaan. Achter het schip verdwijnen langzaamaan de contouren van Calcutta.

In 99 dagen zal zeilschip Lalla Rookh – 61 meter lang, twaalf meter breed en met een eikenhouten romp en pijnboomhouten spanten – twee oceanen oversteken in de overtocht naar Suriname. Het schip heeft drie grote, houten masten en twintig witte zeilen.

Op het schip zitten Hindostaanse migranten, die als contractarbeiders op de Surinaamse plantages zullen werken. Daar is flink behoefte aan: in de Nederlandse kolonie dreigt een tekort aan plantagearbeiders, vanwege de afschaffing van de slavernij. Die was al in 1863, maar de tot slaaf gemaakten moesten tien jaar lang doorwerken op de plantages, onder zogenoemd ‘staatstoezicht’. Aan die tien jaar komt nu een einde.

Het nieuwe ‘arbeidssysteem’ staat al klaar: op 10 februari 1872 is het zogenoemde ‘Koelietraktaat’ getekend door de Britse koningin Victoria vanuit Londen. Een week later staat ook de handtekening van koning Willem III eronder. In het traktaat staat dat Nederland Britse onderdanen mag verschepen van Brits-Indië naar Suriname, voor plantagewerk. Daar gaan lange onderhandelingen aan vooraf: Groot-Brittannië laat haar ‘koelies’, de denigrerende term die werd gebruikt voor de vaak ongeschoolde contractarbeiders uit Brits-Indië, niet zomaar verschepen. In ruil daarvoor moet Nederland onder meer Fort Sint George, „ter Kuste van Guinea” (het huidige Ghana), inleveren.

De aankomst van de Lalla Rookh in Paramaribo, volgend jaar 150 jaar geleden, markeert het begin van de Surinaams-Hindostaanse gemeenschap, die vandaag de dag ongeveer een derde van de Surinaamse bevolking en één procent van de Nederlandse bevolking vormt. Hindostanen vormen met zo’n 170.000 mensen de grootste groep onder Surinaamse Nederlanders.

Voor dit artikel sprak NRC zeventien mensen over de wording van de Hindostaans-Surinaamse gemeenschap, onder wie historici en onderzoekers – de meesten zelf nazaten van Hindostaanse contractarbeiders. Ook heeft NRC de archiefindex ‘Suriname: Contractarbeiders uit India (Hindostanen)’ van het Nationaal Archief in Den Haag geraadpleegd, met daarin persoonsgegevens van Hindostaanse contractarbeiders, zoals hun namen en leeftijden, op welk schip zij zaten en aan welke plantage zij werden toegewezen.

Verder is gebruik gemaakt van koloniale verslagen en brieven uit het archief, zoals correspondentie van het Ministerie van Koloniën en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. En van boeken zoals Hindostaanse Contractarbeiders (1873-1920) en Geschiedenis van Hindostanen 1873-2015 van Chan Choenni, De tot koelie gemaakten van Radjinder Bhagwanbali en Het dagboek van Munshi Rahman Khan van Munshi Rahman Khan (redactie Sandew Hira).

Nog steeds neemt de Lalla Rookh een bijzondere plek in voor de Hindostaanse gemeenschap: iedere 5 juni – de dag van aankomst in 1873 – wordt met ‘Pravasi Din’ (Hindostaanse Immigratiedag) de aankomst herdacht en gevierd. In Den Haag herinnert het ‘Nationaal Hindustaans Immigratiemonument’ eraan.

Aan boord van het schip zat ook de zevenjarige Dhunphutteea, wier moeder bij aankomst bezweek aan uitputting, vanwege een voedseltekort. Dhunphutteea werd in een plantersgezin geplaatst. Haar kleinzoon, Johan Ferrier, werd in 1975 de eerste president van onafhankelijk Suriname.

De migranten die in 1873 aankomen, worden nu door historici gezien als de ‘pioniers’ van contractarbeid. Een van hen is Toorun Sing Dwarka Sing – de betovergrootvader van mijn moeder. Dwarka Sing, volgens het Nationaal Archief een man van 1,64 meter, 25 jaar oud en met een litteken op zijn linkerscheenbeen, zat niet op de Lalla Rookh maar op het zeilschip de Calcutta. Dat schip vaart een paar maanden later uit, in september 1873.

Aan boord zijn 420 Hindostanen, vol verwachting over een nieuw en beter leven aan de andere kant van de wereld, 14.392 kilometer verderop. Een plek om armoede en hongersnood te ontvluchten, dat in veel delen van het thuisland heerst vanwege droogte of juist overstromingen. De verhalen over dit nieuwe, verre land klinken veelbelovend. Maar velen ondervinden ook daar tegenspoed – het zal blijken dat niet alle gebruiken uit de slavernij, zoals lijfstraffen, racisme en uitbuiting, met de afschaffing verdwenen.

Hoewel mijn voorouder als pionier wordt beschouwd, wist ikzelf tot voor kort weinig over de Hindostaanse geschiedenis. Ik ben niet opgegroeid met de Hindostaanse kant van de familie in Suriname, waardoor ik ook niet opgroeide met de Hindostaanse cultuur.

Op school kwam ik er ook nooit mee in aanraking, terwijl het onderdeel is van de Nederlandse geschiedenis. In de geschiedenislessen werd slavernij wel besproken, maar niet het systeem dat de Nederlanders – in samenwerking met de Britten – daarna in gang zetten. Daardoor kwam er voor mij nooit een moment van herkenning, waarop ik dacht: hé, dat gaat over mijn voorouders.

Kavita Parbhudayal vindt dat contractarbeid onderdeel van de geschiedenisles moet worden. „Veel mensen weten niet waarom wij hier zijn.”

Radj Ramcharan vernoemde zijn miniatuurschip naar de Lalla Rookh. „Dat is waar alles begon.”

Voor Kavita Parbhudayal (48), wethouder en locoburgemeester in Den Haag (VVD), kwam dat moment op school er wél. Zij zat in Suriname op school. „Daar staan de boeken vol over migratie en contractarbeid. In Nederland wordt er veel minder over gepraat, veel mensen weten niet eens waarom wij hier zijn. Ik vind dat daar ook schoollessen aan gewijd moeten worden.”

Iedere 5 juni staat Parbhudayal stil bij die geschiedenis, onder meer door een krans te leggen bij het monument in Den Haag. Den Haag heeft de meeste Hindostaanse inwoners van Nederland, zo’n 45.000. „We moeten de jongere generatie meenemen in die geschiedenis”, zegt Parbhudayal. „Met liederen en verhalen uit die tijd, bijvoorbeeld. We vieren de komst van onze voorouders, maar herdenken ook degenen die de overtocht niet overleefden.”

Na de Lalla Rookh volgen 63 andere schepen met Hindostaanse contractarbeiders, in totaal worden zo’n 34.000 Hindostanen verscheept. In 1916 maakt de Britse regering een einde aan het systeem.

Vaak is op het schip sprake van ziekte-uitbraken en zorgt het onstuimige weer voor angstige momenten op een woest schommelend schip. Voor de meeste migranten is het de eerste keer dat ze de zee zien, die ze ook wel ‘kala pani’ of ‘zwarte zee’ noemen. Ook Dwarka Sing moet vanaf het dek van de Calcutta vol spanning hebben uitgekeken over de deinende watermassa. Bekend is dat opvarenden soms uit heimwee of angst overboord sprongen en verdronken – vaak hadden ze van tevoren geen idee hoe ver de tocht zou zijn.

Wel is het zeeleven gestructureerd: voor alle scheepstransporten geldt eenzelfde regime, zo ook voor de Calcutta. Elke ochtend om 6.00 uur worden Dwarka Sing en de andere migranten gewekt, om het beddengoed te luchten en kleding te wassen. Als miniatuurzeilen op een gigantisch schip hangen de lakens dan tussen de bamboepalen op het bovendek.

Om 9.00 uur is de schouw. Nauwkeurig bekijkt de scheepsarts de fysieke gesteldheid van zijn ‘vracht’. Een belangrijke taak: zowel kapitein als scheepsarts ontvangt een premie van de Nederlandse staat voor iedere gezond afgeleverde arbeidsmigrant. Om die reden moeten de migranten elkaar ook twee keer per week masseren met kokosolie – dan zien ze er bij aankomst fit en gezond uit. Massages met kokosolie groeien later uit tot Hindostaanse traditie, bij baby’s en bij kinderen voordat ze ’s ochtends naar school gaan.

Er is geen hiërarchie aan boord, het kastenstelsel uit Brits-Indië verliest voor een groot deel zijn relevantie: men slaapt en eet samen en draagt dezelfde kleding

Ondanks de soms slechte omstandigheden aan boord, lijkt de tocht geenszins op de gruwelijke verschepingen uit de tijd van de slavernij, waarbij opvarenden geketend vastzaten in het overvolle laadruim. Op de avonden dat het schip in rustig vaarwater verkeert, vermaakt Dwarka Sing zich waarschijnlijk zelfs: vaak wordt gezongen en gedanst, worden oude mythes verteld, kaartspellen gespeeld. Er is geen hiërarchie, het kastenstelsel uit Brits-Indië verliest voor een groot deel zijn relevantie: men slaapt en eet samen en draagt dezelfde kleding. In die zin hebben sommigen het beter dan aan wal.

Dag in dag uit verkeren de migranten in elkaars aanwezigheid. Dat schept een band die tot op de plantages in Suriname en generaties-lang zal voortduren. De meesten hebben hun familie achtergelaten, en gaan op het schip al nieuwe ‘familiebanden’ aan. Die familierelatie wordt bezegeld door een zin uit te spreken als „wij zijn nu broer en zus”. ‘Jahaji’, wordt dat genoemd. Tussen die families wordt vaak ook niet getrouwd, vertelt historicus en hoogleraar Hindostaanse migratie Chan Choenni (69). „Ik ken iemand die er pas op het sterfbed van zijn moe Source: NRC

Previous

Next