N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Theater ‘Vrije producties’ en gesubsidieerd theater zijn gescheiden werelden. Toneelgroep Maastricht zoekt de commercie wél op. Maar zulke toenaderingen leveren spanning op, vertellen theaterkenners.
Stel, je bent regisseur van een theatergroep en je wilt wat. Een groot orkest, tientallen dansers of figuranten, een technisch ingewikkeld decor. Dat is niet alleen artistiek een uitdaging, maar ook zakelijk. Zelden maken gesubsidieerde theatergezelschappen grote spektakelstukken – daar hebben ze simpelweg het geld niet voor.
Toneelgroep Maastricht, dat deze zomer in een openluchttheater bij Venlo de nieuwe musical Het was Zondag in het Zuiden opvoert, is een uitzondering. NRC schreef deze week uitgebreid over de productie, omdat het gezelschap de grote musical, over een overstroming in Limburg, laat maken door de persoonlijke BV van regisseur Servé Hermans.
De toneelgroep koos voor deze opzet als „experiment”, omdat het andere constructies onwenselijk vond of te risicovol. Hoe dan ook raken de belangen van de overheid – die subsidies geeft – hier vermengd met commerciële belangen. Daarover zou een bredere discussie moeten worden gevoerd, zeggen kenners uit de theaterwereld. Waar zijn cultuursubsidies in de podiumkunsten eigenlijk voor bedoeld?
„Subsidie moet gebruikt worden voor eigenzinnige keuzes, voor artistieke noodzaak”, reageert zakelijk leider Piet Menu van Het Zuidelijk Toneel allereerst. Zijn Tilburgse gezelschap behoort evenals Toneelgroep Maastricht tot de negen grote theatergezelschappen die het ministerie van OCW structureel financieel steunt.
Winst maken met een artistiek interessant stuk is in de gesubsidieerde theaterwereld zeldzaam: bijna alle producties zijn verliesgevend – vandaar juist de subsidie. Een theatermaker die ondernemer wordt zoals Hermans, moet zijn voorstelling als een business case beschouwen – en houdt daar bij artistieke keuzes rekening mee.
Daarin schuilt een risico, zegt Menu. „Je moet goed uitleggen hoe een investering in een commerciële productie bijdraagt aan het doel van je culturele instelling. Overheden die subsidie geven, stellen daar te weinig vragen over.”
„Er zijn over cultureel ondernemerschap geen duidelijke spelregels afgesproken”, zegt ook Matthijs Bongertman. Hij is directeur en eigenaar van Senf, een groot commercieel impresariaat en productiehuis. Senf maakt bijvoorbeeld de jeugdtheatervoorstelling De regels van Floor en is coproducent van de musical Grease, die Servé Hermans regisseert. Ook met Toneelgroep Maastricht werkte hij eerder samen.
Bongertman waardeert dat Toneelgroep Maastricht „de grenzen opzoekt”. „Ze zitten opgesloten in een systeem, net als alle gesubsidieerde gezelschappen. Ze krijgen geld van overheden – OCW, gemeente, provincie – maar die financiering is beperkt. Ik snap dat ze zoeken naar manieren om hun organisatie creatief te ontwikkelen.”
Daarbij zouden overheden wel duidelijkere regels moeten stellen, vindt Bongertman. „Het is niet de bedoeling om ondernemer te gaan spelen vanuit een gesubsidieerde instelling, want dat is oneerlijke concurrentie.”
Als voorbeeld noemt hij het spektakelstuk Fanfare, naar de film van Bert Haanstra, dat deze zomer zal spelen in Giethoorn. Vier Overijsselse theaters, die gesubsidieerd worden door gemeenten, zijn de opdrachtgevers van die productie. „Ik vraag me af of het maken van zo’n productie de taak is van een gesubsidieerd theater. Het zou beter zijn als er een open inschrijving op dat subsidiegeld is.”
Soms werken commerciële productiehuizen wel samen met gesubsidieerde makers om een voorstelling te produceren die artistiek vernieuwend is én winstgevend. Senf maakte in 2018 bijvoorbeeld King Lear met Toneelgroep Maastricht. Maar zulke coproducties blijven schaars, ziet directeur Bongertman, terwijl al decennia over cultureel ondernemerschap wordt gepraat. „Er zit geen groei in.”
Meestal lopen de belangen van gesubsidieerde en vrije producenten te zeer uiteen voor zo’n samenwerking, denkt Rutger Gernandt. Hij is zakelijk directeur van het Amsterdamse theatergezelschap De Warme Winkel, dat zijn inkomsten vooral uit subsidies haalt. „Om winst te maken, moet je zalen uitverkopen. En dus verminder je je risico, je maakt het artistiek niet te wild. Een musical bijvoorbeeld, met een bekende titel en een ster in de hoofdrol. Je denkt vanuit een business case, en dat is een omgekeerd proces van het artistieke maakproces.”
In de praktijk, zegt Gernandt, stappen bij een grote, dure opvoering in de gesubsidieerde sector eerder andere partijen in dan commerciële (‘vrije’) producenten. De productie De Drie Musketiers van De Warme Winkel met (en in) het Amsterdamse Bostheater werd in 2019 mede gefinancierd door het private Blockbusterfonds. Dat fonds is ingesteld door drie cultuurfondsen en de Vriendenloterij en werkt als garantiefonds: het vergoedt marketingkosten om meer publiek te trekken. „Dat is de aangewezen partij waardoor ik het risico kan nemen voor zoiets groots – al moet er onder de streep nog steeds geld bij.”
Matthijs Bongertman van Senf denkt dat gesubsidieerde en vrije producenten het meest gebaat zouden zijn bij een ander soort samenwerking. Hij noemt het succesvolle Britse War Horse als voorbeeld. Dat werd in 2007 met subsidie geproduceerd door het Britse National Theatre; vervolgens werd het stuk verkocht en speelde – met royalties voor het NT – nog jaren als commerciële West End-productie. „In zo’n opzet verstrekt de overheid subsidies om nieuw artistiek werk te maken, en geeft tegelijk ondernemers de ruimte om meer publiek te trekken voor die voorstellingen.”
Het Zuidelijk Toneel werkt in het komend seizoen wel samen met een commercieel productiehuis, zegt Menu. Zijn gezelschap en Twenty8 Productions zijn beide coproducenten van de musical Boni, over een 18de-eeuwse verzetsstrijder tegen slavernij in Suriname. Ze wilden toevallig beiden hetzelfde verhaal vertellen. „Wij bereiken zo een grotere groep mensen en spelen op andere plekken. En musical is niet onze habitat, daarom werken we samen.” Voor de productie is een stichting opgericht zonder winstoogmerk, benadrukt Menu. „Ik wil zo’n commerciële samenwerking alleen aangaan als ik er een reden voor heb die buiten het ondernemerschap ligt.”
Theatergroepen die met een productie verwachten winst te maken, kunnen ook geld lenen. Bij banken is dat voor culturele instellingen echter haast onmogelijk. De winsten zijn laag en onvoorspelbaar en makers beschikken nauwelijks over onderpand.
Sindsdien is er echter buiten de bankensector veel aanbod aan leningen voor de culturele en creatieve sector gekomen, zegt directeur-bestuurder Titia Haaxma van de stichting Cultuur+Ondernemen. „Wij hebben inmiddels een pot van meer dan 100 miljoen euro om leningen uit te verstrekken.” Uit een evaluatie bleek vorig jaar dat die mogelijkheid nog niet breed bekend is.
De capaciteit van Cultuur+Ondernemen om kredieten te verstrekken is tijdens de coronacrisis meer dan vertienvoudigd. Overheden financieren de leningen. De leenfaciliteit staat open voor alle culturele ondernemers. Artistieke kwaliteit is geen criterium. Er is één belangrijke voorwaarde: de kans moet groot zijn dat je de lening terugbetaalt.
U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.
Source: NRC