Home

‘Het was alsof je de hele dag een uitvaart hebt’

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Hulpverleners Stintongeluk In september 2018 verliezen vier kinderen het leven als een Stint door een trein wordt gegrepen in Oss. Het wordt de zwaarste werkdag ooit voor tientallen medewerkers van gemeente, school, politie en andere hulpdiensten. Tien van hen kijken een jaar later terug.

Het Openbaar Ministerie (OM) vervolgt twee bedrijven die verantwoordelijk zijn voor de productie en de verkoop van de Stint. Dat is donderdag bekendgemaakt. Het OM concludeert dat „de Stint een schadelijk product” was, dat de verdachten hiervan wisten en dat zij hierover zwegen. De vervolging komt vijf jaar na het ongeluk waarbij vier kinderen omkwamen toen een Stint door een trein werd gegrepen in Oss. In 2019, een jaar na het ongeluk, keek NRC terug met medewerkers van gemeente, school, politie en andere hulpdiensten.

‘Is er een auto vrij?” klinkt het uit de portofoon van politieman Franklin ’t Zand. En dan nog een keer, nu klinkt de stem van de centralist wat onvast, dringender. „Is er een auto vrij?” Het is tien voor half negen in de ochtend. Franklin ’t Zand werkt al meer dan twintig jaar bij de politie, en hij weet meteen: dit is serieus. Het gaat om „aanrijding persoon trein”, zegt de vrouw aan de andere kant van de lijn.

Dat is echt iets voor de officier van dienst. Als ‘ovd’ gaat ’t Zand naar incidenten die beloven ingewikkeld te worden, om leiding te geven aan politiemensen en af te stemmen met andere hulpverleners.

Het is een ongeval, hoort hij van de centralist terwijl hij onderweg is naar het spoor. „Iets met een bakfiets. De bestuurster is nog aanspreekbaar.” Wat een raar ongeval, denkt hij. Daar is de centralist weer. Er zijn kinderen bij, zegt ze. Franklin ’t Zand ademt scherp in. Hij denkt meteen aan zijn eigen kinderen. „En dan”, zegt hij, „weet je dat het zo’n dag wordt”.

De weg van voorschoolse opvang Okido naar basisschool De Korenaer gaat over het spoor, per Stint, een elektrische bakfiets waarbij de bestuurder staat in plaats van zit. Die ochtend zitten Fleur (6) en Kris (4) in het roze voertuig, samen met Dana (8), Liva (4) en hun 11-jarige zusje. Vijf kinderen uit drie gezinnen.

NRC sprak voor dit verhaal met tien direct betrokken professionals over de impact van de dag van het ongeluk met de Stint in Oss.

De nabestaanden zijn door familierechercheurs van de politie op de hoogte gesteld van de inhoud van het artikel. De naam van twee slachtoffers wordt om privacyredenen niet vermeld.

Een 32-jarige medewerkster van de kinderopvang is de bestuurster van de Stint. Met de vijf kinderen in de bakfiets rijdt ze over de Braakstraat. Het is een straat met veel bomen, doorkruist door het spoor vlakbij het NS-station Oss-West. Als de Stint de spoorbomen nadert, beginnen ze te rinkelen. Maar de bestuurster kan niet meer remmen, wat ze ook probeert. De bakfiets komt op het spoor terecht, de machinist van de naderende trein kan niets meer doen.

Om 08.30 uur stapt Franklin ’t Zand uit zijn dienstwagen, trekt zijn groene hesje aan en loopt naar de trein die stilstaat op het spoor. Meters verderop ziet hij een roze plastic bak. Er staat een vrouw gebogen over een van de slachtoffers. Een verpleegkundige, die toevallig aan het spoor woont, is aan het reanimeren. „Géén foto’s maken”, schreeuwt haar man naar mensen die met hun telefoon in de hand dichtbij komen. Hij is tegelijkertijd in de weer met doeken en lakens, om de lichamen af te dekken. „Je ziet de slachtoffers”, zegt ’t Zand. „Je ziet nog meer slachtoffers.” Een ambulancemedewerker ontfermt zich over degenen die nog leven.

De officier van dienst staat een paar seconden stil om de situatie tot zich door te laten dringen. Dan gaat hij in de werkmodus. Er is ruimte nodig rond het spoor, weet hij. Franklin ’t Zand instrueert zijn collega’s: „Sven, lintje pakken voor mij. Daar beginnen met afzetten. Jij daar, de andere kant afzetten. Jij, linkerperron leegmaken, jij rechterperron leegmaken.” ’t Zand bekijkt de Stint en ziet een verzekeringsplaatje op de roze bak. Het staat op naam van kinderverblijf Okido. Meteen: „Daar moeten mensen naartoe.”

Op het politiebureau Den Bosch zit perswoordvoerder Dion Luijten achter zijn computer. Iets na half negen wordt hij gebeld over het ongeluk, door de meldkamer. Besloten wordt via Twitter naar buiten te brengen dat er iets aan de hand is op het spoor. „Hulpdiensten aanwezig in #Oss bij zeer ernstig ongeluk op spoor #Braakstraat met trein en bakfiets. Zwaargewonden en mogelijk meerdere doden.”

Dion Luijten stapt in zijn auto, om ter plekke de woordvoering te doen. Terwijl hij onderweg is wordt om 9.03 uur het eerdere bericht aangevuld, door zijn collega’s op kantoor. „Betreft ongeval tussen trein en bakfiets met kinderen. Helaas vier doden te betreuren en twee zwaargewonden.” De media-aandacht is meteen gigantisch. Om tien over negen is Luijten live op Radio 1. „Het is een triest verhaal, een zware aanrijding tussen een bakfiets en een trein”, zegt hij. Als de presentator vraagt wat er is gebeurd, zegt Luijten: „Het is ruim een halfuur geleden gebeurd, dus het onderzoek staat nu nog op het punt van beginnen.”

Bij het spoor moet Franklin ’t Zand de ene na de andere beslissing nemen. Er zijn veel getuigen, die moeten weg van de plaats van het ongeval. Het politiebureau in Oss wordt gesloten, alle medewerkers zullen daar getuigen gaan horen. De machinist en de conducteur, met wie ’t Zand ter plaatse kort spreekt, vertellen dat de Stint om onbekende reden niet stopte en op het spoor terecht kwam. „Niet geduwd”, concludeert ’t Zand.

De belangrijkste vraag is: wie zijn de kinderen? In hun zakken zitten geen identiteitsbewijzen. Van de voorschoolse opvang Okido krijgen politiemensen de namen. Franklin ’t Zand weet op dat moment: één kind ligt op de intensive care, vier zijn overleden. Maar wie is wie? Hij belt met het ziekenhuis om de identiteit van het opgenomen slachtoffer te controleren, maar vanwege haar privacy willen ze daar niets over zeggen. „Terwijl ze dat wel mógen zeggen.” Het is voor ’t Zand een frustrerende ervaring omdat hij de betrokken families zo snel mogelijk wil informeren. Intussen bellen ouders naar kinderopvang Okido, ze schreeuwen omdat ze duidelijkheid willen. „Is het mijn kind, is het mijn kind?” Maar de agent bij Okido kan nog niks zeggen.

Er wordt druk gezet door collega’s van Franklin ’t Zand, en na een kwartier zegt het ziekenhuis wie het zwaargewonde kind is. De officier van dienst moet zijn collega’s gaan vragen of zij het nieuws willen vertellen aan de ouders. Franklin ’t Zand kijkt om zich heen en denkt: wie staat er stevig in zijn schoenen? „Ruud, wil jij het doen”, vraagt hij. „En wie gaat er mee?” Drie koppels brengen de ouders het ergst denkbare bericht.

„Ga maar kijken of we kinderen missen.” Dat zegt Peter Janssen, directeur van basisschool de Korenaer tegen twee medewerkers. Hij heeft net een telefoontje gehad. Dat er iets ergs gebeurd is bij het spoor. Zijn basisschool bestaat 41 jaar, in die tijd hebben ze nog nooit een kind verloren. Medewerkers lopen langs alle zestien klassen om de hoofden te tellen. Vijf tafeltjes zijn leeg, zonder afmelding.

Tien minuten later arriveert de politie met de harde feiten: vier leerlingen overleden, een zwaargewond in het ziekenhuis. De lerarenkamer wordt meteen een noodkantoor. Ouders worden gebeld, of ze hun kinderen zo snel mogelijk op kunnen halen. Peter Janssen roept alle leerkrachten uit hun groepen. „Je gaat zoiets niet in de klas vertellen.”

Bij het spoor is ook forensisch coördinator Ruben Hehanussa gearriveerd. Hij moet het sporenonderzoek leiden. Samen met een schouwarts en collega’s kijkt Hehanussa onder de doeken. Zij moeten samen vaststellen hoe de slachtoffers erbij liggen, om met zekerheid te kunnen stellen waar ze aan zijn overleden. Hij gaat zich richten op de identificatie: wie is wie? Alles wordt gefotografeerd, daarna gaan de lichamen naar het mortuarium.

Ruben Hehanussa maakt in zijn map vier blaadjes vrij, waarop hij de voornamen van elk kind schrijft. Hij informeert bij politiecollega’s naar uiterlijke kenmerken van de slachtoffers. Wie had er een oorbelletje in? Wat was de kleur van de kleren? Later krijgt hij vier foto’s doorgestuurd, van elk kind een. „Dan weet je, zo zien ze eruit.”

Per slachtoffer maakt de forensisch coördinator een lijst met kenmerken aan, die hij doorbelt aan zijn collega’s in het mortuarium. Zij vergelijken die lijst dan met wat zij zien op de lichaampjes. Zoiets moet precies, zegt Hehanussa. „Je moet zeker weten dat je kunt zeggen: dit is dat kind. In het mortuarium waren meerdere collega’s, zij moesten het er unaniem over eens zijn.”

Op het spoor is het onderzoek ter plekke bijna klaar. Franklin ’t Zand rondt zijn werkzaamheden af, en raakt in gesprek met mensen van de verkeersongevallenanalyse (VOA) van de politie. Zij hebben de beschikking over camerabeelden vanuit het standpunt van de machinist, op het moment van het ongeluk. Of hij die wil zien? ’t Zand stemt in. „Je doet het omdat je wil weten wat er gebeurd is.” Later komt pas het besef van wat hij heeft gezien. „Nu zeg ik: wat je ook doet, als het niet hoeft, niet kijken. Je vergeet het nooit meer.”

„Maak de agenda maar schoon, Marianne”, zegt gemeentesecretaris Henk Mensink die ochtend tegen zijn secretaresse, als hij hoort van het ongeluk. Mensink werkt dan pas twee maanden voor de gemeente Oss. Het beleidsteam komt meteen samen, onder leiding van burgemeester Wobine Buijs. Ze vraagt of er iemand direct betrokken is bij het ongeluk. Een ambtena Source: NRC

Previous

Next