Met de zege van Donald Trump en het staken van de bemiddeling door Qatar is een staakt-het-vuren in Gaza nog minder waarschijnlijk geworden. Voor het welzijn van de Israëlische gijzelaars en hun families is zo’n bestand cruciaal. Traumatherapeut Ofrit Shapira-Berman legt uit waarom.
schrijft vanuit Istanbul over Turkije, Iran, Israël en de Palestijnse gebieden.
Al op de ochtend van 7 oktober vorig jaar, de dag van de Hamas-terreur rond Gaza, begon Ofrit Shapira-Berman collega’s te ronselen voor de massale psychologische hulp die, besefte ze meteen, nodig zou zijn in Israël. Dezelfde dag nog richtte de hoogleraar psychotherapie en maatschappelijk werk met anderen een organisatie op die gratis therapie geeft aan direct betrokkenen. Zo’n 450 psychoanalisten werken eraan mee. Samen behandelen zij ongeveer 1.200 personen. ‘Een druppel op de gloeiende plaat’, zegt ze.
Hoe zijn de slachtoffers er een jaar later aan toe?
‘Voor iedereen geldt in zekere zin dat het trauma niet voorbij is. Gewoonlijk kun je iemand die een traumatische gebeurtenis heeft meegemaakt, behandelen door hem of haar onderscheid te laten maken tussen het verleden, vóór het trauma, en het heden. Zo help je ze zich te aarden in het heden. Maar het trauma is niet voorbij. De oorlog gaat door. Als je een familielid hebt dat vastzit in Gaza, moet je 24 uur per dag vechten.
‘Degenen die naar therapie komen, worden in zekere zin sterker, maar vaak ook depressiever. Neem de jonge vrouw, 19 jaar destijds, die haar ouders en haar drie broers en zussen heeft verloren op 7 oktober. Ze is helemaal alleen. In het begin was ze in shock. Het is paradoxaal, maar toen was het niet zo pijnlijk als nu.
‘De overlevenden waren in zekere zin emotioneel dood. Ze konden zich niet echt verbinden met hun pijn. Nu, een jaar later, begint de vrouw het langzaam te begrijpen. Ze ervaart steeds meer wat het betekent om alleen te zijn. Het wordt steeds moeilijker voor haar.’
Shapira-Berman benadrukt dat ze alleen de toestand kent van degenen die naar therapie komen. Hoe het met de anderen gaat, weet ze niet. Verder is het belangrijk de overlevenden in subgroepen te verdelen: mensen die een familielid hebben verloren, evacuees, gijzelaars die zijn teruggekomen en familieleden van gijzelaars die nog vastzitten.
‘Ik ben adviseur van het Hostages Families Forum. De familieleden zijn er verschrikkelijk aan toe. Niemand van hen had enig idee dat het zo lang zou duren. Ze dachten dat de gijzelaars na een paar dagen vrijgelaten zouden worden. Toen werd het: over een maand. Later: binnen een jaar. Pas de afgelopen maanden zeggen sommigen dat het misschien nooit meer zal gebeuren. Maar de meesten kunnen zo’n gedachte niet bevatten.’
Sommige ouders leken aanvankelijk behoorlijk sterk, zegt de therapeut. Ze hadden hoop, ze moesten vechten voor hun kinderen. Maar toen eind augustus in een tunnel in Gaza de lichamen van zes jonge mensen werden gevonden, ging hun emotionele toestand hard achteruit. Hoop was opeens minder vanzelfsprekend.
‘De ouders van de gijzelaars die nog vastzitten zijn sindsdien doodsbang. Geestelijk zitten ze op het randje. Kort geleden leefden hun kinderen nog. Ze hadden gered kunnen worden. De meeste families zijn heel, heel boos op de regering. Voor hen is dit het grootste verraad sinds 7 oktober.’
Betekent dit ook dat het nog te vroeg is om te genezen?
‘Ja. Met de families van de gijzelaars en degenen die zijn vrijgelaten, is genezing nog niet aan de orde. Alle vrijgelaten gijzelaars zeggen dat ze niet kunnen genezen zolang hun familieleden of vrienden nog in Gaza zijn. Niet dat ze niet willen genezen, ze kúnnen het niet. Ze moeten eerst vechten voor hun vrienden. En ze voelen zich heel, heel schuldig.’
Omdat ze het hebben overleefd?
‘Ja. En omdat ze zijn vrijgelaten. In sommige gevallen was het een kwestie van geluk. De deal met Hamas eind november vorig jaar was dat moeders en kinderen vrijgelaten zouden worden. Toch kwamen er ook jonge vrouwen zonder kinderen vrij, omdat ze gewond waren. Maar andere jonge vrouwen die ernstig gewond waren, zijn nog steeds in Gaza. Voor leeftijdsgenoten die wél terug zijn, is dat heel moeilijk.’
Hoe gaat het verder met de vrijgelaten gijzelaars?
‘Er zijn twee fasen. Aanvankelijk komt het trauma niet naar boven, dat kan lang duren. Iedereen knuffelt ze als ze terugkomen, men wil ze dingen geven en aardig zijn. In het begin voelt het als een warme deken. Maar na verloop van tijd beginnen ze te stikken. Er is iets aan fysieke pijn dat je beschermt tegen de mentale pijn. Maar zodra je fysieke wonden zijn genezen, gaat al je energie naar de mentale wonden. Dat zie ik bij een vrouw die ik behandel. Ik kan zien dat haar emotionele staat verslechtert. En natuurlijk wordt het een hel als de persoon die ze achterlaat het niet overleeft.’
De persoon die ze achterlaat?
‘Iemand die ze al kende, ze waren heel close. Ze werden samen ontvoerd, maar al snel werden ze gescheiden; mijn cliënt was daarna bijna vijftig dagen alleen. Ik maak me grote zorgen om haar als die ander het niet overleeft. Ze houdt het nu vol omdat ze moet vechten voor de terugkeer van de man die nog in Gaza is. Maar als blijkt dat ze hem hebben vermoord, kan ze een inzinking krijgen.
‘Het moeilijkste deel komt als de oorlog voorbij is. Ik denk dat er gijzelaars zijn wier lot we nooit meer zullen kennen. Zoals Ron Arad, een piloot die in 1986 in Libanon werd ontvoerd. De regering ging niet akkoord met een deal voor zijn vrijlating. Na twee jaar verdween hij. Niemand weet wat er met hem is gebeurd. Zoiets is de ergste nachtmerrie van de families.’
Eerder spraken we met een Noorse collega van u die in Gaza hetzelfde soort werk doet. De trauma’s daar zijn kolossaal. Een botte vraag misschien, maar wat zijn uw gedachten daarover?
‘Ik voel me er heel slecht over. De situatie in Gaza is verschrikkelijk. Weet je, mensen zijn overal mensen. Toen we Gaza gingen bombarderen, voelde ik veel pijn voor de mensen daar. Maar toch, heel lang, als mij werd gevraagd naar Gaza, zei ik eerlijk dat... Het was niet zo dat het me niets kon schelen, maar de eerste paar maanden na 7 oktober had ik gewoon geen plek in mijn hart die níét bloedde voor de mensen met wie ik werkte.
‘Het is trouwens geen botte vraag, Het probleem is dat veel mensen het gevoel hebben dat ze moeten kiezen tussen het Israëlische lijden en het Palestijnse lijden. Maar er is genoeg lijden voor iedereen. Ik denk dat mensen boos moeten zijn op hun leiders. Het zijn de leiders en de terroristen die deze oorlog voeren, niet de gewone mensen.’
Shapira-Berman nam na 7 oktober nóg een initiatief. Veel van haar studenten aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem zijn Arabieren, dus Palestijnse Israëliërs. Zij zocht contact met ze om een groep te vormen die therapie zou bieden aan Arabische burgers van Israël. ‘Ik denk dat hun situatie vreselijk is’, zegt ze. De groep kwam er, de hoogleraar houdt contact met ze.
‘Ik wil je nog iets anders vertellen. Van de mensen die ik behandel, heb ik geen woord van haat tegen de Palestijnen gehoord. Zelfs niet van mensen die hun hele familie hebben verloren. Niets, helemaal niets. Mensen proberen een manier te vinden om met hun pijn te leven, maar ze haten niet.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant