De Chileen Smiljan Radic kreeg donderdag de prestigieuze Pritzker Prize toegekend, de ‘Nobelprijs van de architectuur’. Wie is deze architect, en wat maakt zijn werk zo bijzonder?
schrijft voor de Volkskrant over architectuur, landschapsontwerp en stedenbouw.
Op een dag zat architect Smiljan Radić met zijn dochter in het glazen huis met daktuin dat hij voor zijn gezin bouwde in de Chileense hoofdstad Santiago, toen er iets wonderlijks gebeurde. Zijn dochter, die zoals Radić het zegt een ‘fragiel brein’ heeft, en tot dat moment nooit sprak, zei met een blik op de open ruimte: ‘Wat mooi, papa.’ ‘Ik begon te huilen’, vertelde de architect in een interview. Hij was ontroerd dat de ruimte, dat de sfeer haar raakte. ‘Als iemand dat zo kan uitdrukken, heb ik mijn werk goed gedaan’, aldus Radić.
Terwijl veel collega’s het ontwerpen van een museum of theater als het ultieme doel zien, richt Radić zich op de elementaire functie van architectuur: beschutting bieden tegen de buitenwereld en (binnen)ruimte maken om je leven in vorm te geven. Hij gebruikt ook vaak elementaire vormen: een huis als een tent, een paviljoen als een schelp, een expositieruimte als een grot. Het zijn ruimten die een bijzondere, persoonlijke ervaring bieden, maar refereren aan een gemeenschappelijke oorsprong.
‘Een dergelijk vermogen is bijzonder relevant in tijden van polarisatie en ontmenselijking. En vormt wellicht de ware aard van een architect wiens werk als buitengewoon origineel kan worden omschreven’, stelde de jury van de Pritzker Prize donderdag bij de bekendmaking dat Radić deze ‘Nobelprijs van de architectuur’ ontvangt.
Met zijn even originele als bescheiden gebouwen past Radić in de reeks recente Pritzker Prize-laureaten, die geen iconen bouwen, maar voor wie sociaal engagement centraal staat. Radić werd in 1965 geboren in Santiago in een immigrantenfamilie – zijn vaders ouders komen uit Kroatië, die van zijn moeder uit het Verenigd Koninkrijk – en groeide daardoor op met een verhoogd bewustzijn van het begrip ‘thuis’. ‘Soms moet je je eigen wortels produceren’, zei hij later in een interview.
Hij wilde dat doen met architectuur en ging studeren aan de Pontificia Universidad Católica de Chile, waar hij bij zijn eerste poging voor het eindexamen zakte, voordat hij in 1989 alsnog afstudeerde. Het bracht hem ertoe zijn blik te verbreden; hij studeerde geschiedenis aan het Istituto Universitario di Architettura in Venetië en reisde veel. Achteraf noemt hij dat zijn belangrijkste leerschool. ‘Zonder referenties uit het verleden kan ik geen architectuur maken’, aldus Radić.
In zijn studietijd ontmoette hij beeldhouwer Marcela Correa, die later zijn opdrachtgever werd en met wie hij uiteindelijk trouwde. Samen ontwierpen zij haar eerste huis, Casa Chica (1997, Vilches) dat ze – met voornamelijk tweedehands materialen – eigenhandig bouwden in het Andesgebergte.
In die tijd richtte Radić in Santiago ook zijn eigen architectenbureau op, dat hij bewust klein hield. Hij wil betrokken zijn bij elk project, geen ontwerpen herhalen, en doet niet aan pr. ‘Ik luister niet veel naar wat de mensen denken over mijn architectuur’, aldus Radić.
Desondanks bleef zijn werk niet onopgemerkt buiten de landsgrenzen. Samen met Correa maakte Radić in 2010 een installatie voor de Internationale Architectuurbiënnale in Venetië. Hij brak internationaal door met de prestigieuze opdracht om in 2014 het Serpentine Pavilion in Londen te ontwerpen, een zomerpaviljoen dat de Serpentine Gallery jaarlijks in de koninklijke Kensington Gardens laat bouwen door een getalenteerde architect. Hij ontwierp een ‘slakkenhuis’ van semitransparante kunststof dat rust op rotsblokken. De Britse krant The Guardian noemde het ‘the weirdest pavilion ever’.
De Nederlandse fotograaf Iwan Baan, die het Serpentine-paviljoen fotografeerde, was getroffen door het contrast tussen de flinterdunne ‘schelp’ en de zware stenen. ‘Het had iets lichts en tegelijk een geologische echtheid. Zo heb ik hem ook leren kennen: een rustige man die goed over zijn woorden en ideeën nadenkt, en ieder project helemaal opnieuw uitvindt.’
Na het Serpentine paviljoen volgden grotere opdrachten in Chili. In de Millahue-vallei bouwde hij een wijnmakerij die opgaat in het omringende landschap. Het gebouw ligt deels ondergronds en heeft een dak van textiel. Het doet denken aan de doeken die over wijnstruiken worden gedrapeerd.
Voor het Biobio-theater in de Chileense stad Concepción ontwikkelde hij een stalen gevelframe waarover witte, semitransparante kunststof is opgespannen, die ’s nachts oplicht als een lampion. Voor een architectuurtentoonstelling in Santiago bedacht hij een opblaasbare zaal van hittereflecterende zilverfolie.
Zijn tentachtige structuren en tijdelijke paviljoens passen binnen de circulaire beweging, waarbij materialen en gebouwen zo veel mogelijk worden hergebruikt. Tegelijkertijd refereren ze aan de vele de aardbevingen in Chili.
‘Het is bijzonder dat Radić die fragiele kant van architectuur omarmt’, zegt Baan. ‘Zijn ontwerpen hebben iets stevigs, maar ogen tegelijk alsof ze zo weer weg kunnen zijn.’ De jury prijst deze houding, waarbij ‘gebouwen te gast zijn, in plaats van meester van de locatie’.
3x Smiljan Radić
Toen een architectuurcriticus zei dat zijn gebouwen eruitzagen alsof ze door verschillende architecten waren ontworpen, was Radić blij. ‘De vorm is niet belangrijk’, zei hij, ‘Het kan mij niet schelen of het een doos is of een golvende vorm. Ik maak geen vormen; mijn methode is om te antwoorden op de mogelijkheid van elke opdracht.’
Over ouder worden als architect: ‘Tussen hun 50ste en 60ste begint voor sommige architecten het vak te veranderen in een soort performance. Bouwactiviteiten raken verwaterd door allerlei nevenactiviteiten. Dat bevalt me niet. Ik blijf liever in de bouw werken.’
Radić vindt dat hij ook op oudere leeftijd moet blijven experimenteren en ‘de grenzen tussen disciplines uitdagen’. Daartoe richtte hij in 2017 de Fundación de Arquitectura Frágil (Stichting voor Fragiele Architectuur) op, waarmee hij tentoonstellingen, workshops en onderzoek organiseert.
Source: Volkskrant