is columnist voor de Volkskrant
‘Weet jij iets?’ Het is een vage vraag, maar, daar kwam ik achter door het boek Adoptica van Emily Kocken, in gesprekken tussen geadopteerden is hij volstrekt duidelijk. ‘Weet jij iets?’ betekent: weet jij waar je vandaan komt, wie je moeder was of je vader, weet je waarom je geadopteerd bent? Weet je íéts?
Misschien is het omdat Emily Kocken kunstenaar is, of omdat ze door haar adoptie gevoelig is voor haar omgeving, of misschien is ze kunstenaar omdat ze geadopteerd is, óf omdat, zo blijkt later, haar biologische moeder ook kunstenaar is: in ieder geval heeft ze een groot gevoel voor taal, voor zinnetjes als ‘Weet je iets?’ en voor woorden. Taal blijkt ontzettend belangrijk in het hele adoptiegebeuren.
Hoe noem je je ene moeder, en hoe je andere? Waarom gebruiken mensen het woord ‘afstaan’? Waarom werden biologische moeders in de jaren negentig ‘afstandsmoeders’ genoemd? Waarom zeiden veel adoptieouders tegen hun kinderen: ‘Dat hebben we voor jou gedaan’, als ze een tweede broertje of zusje adopteerden? Al die kleine, subtiele en niet-subtiele bewoordingen zijn belangrijk, en alleen daarin al blinkt dit boek uit: dat je dat als lezer beseft.
Adoptica is een fragmentarisch boek. Het gaat over de jeugd van Kocken, over ontmoetingen met haar biologische moeder, het bevat interviews met andere geadopteerden, schilderijen, ontroerende zwart-witfoto’s, en ook de geschiedenis van Kockens man Adam, die ook geadopteerd is, en wiens biologische moeder na hun ontmoeting alsmaar onzinnige dingen voor hem koopt, zoals tupperwarebakjes.
Dat fragmentarische past bij geadopteerd zijn, denk ik. Vaak ontwar je je leven via brokjes en stukjes informatie, dingen die later verteld worden, die je ontdekt of later pas snapt. Dat heeft ieder mens, maar geadopteerden meer.
Op allerlei manieren blijkt Kockens hoge gevoeligheid. Als haar ‘overzeese, biologische moeder’ in haar leven komt, facetimet ze vaak met haar. Kocken doet dat liever niet op het grote scherm van haar laptop, maar via haar telefoon. ‘Op een bescheiden scherm voel ik minder angst.’
Op een gegeven moment oppert ze ‘oldskool te bellen’, maar haar biologische moeder zegt: ‘Nee, Emily, ik wil je gezicht zien.’ Waardoor je als lezer denkt: wat heeft die moeder te willen? En tegelijkertijd denk je net zo hard: die arme moeder heeft haar kind ooit moeten afstaan. (En dan weer: is afstaan wel een goed woord?)
Kortom: als lezer kom je al niet uit deze warrige draden van verwantschap en loyaliteit, laat staan hoe het is als het je leven is.
De overpeinzing over het facetimen besluit Kocken met: ‘Wat zeur ik toch? Ik heb een biologische moeder in mijn leven, de meeste adoptiekinderen zouden er een moord voor doen.’ En zo weet iemand die in een moeilijke situatie is grootgebracht, die altijd kleiner te maken voor zichzelf. En dat is de redding en de tragiek tegelijk.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Source: Volkskrant columns