Hoe is het de leerlingen van het Amsterdamse Joods Lyceum in en na de oorlog vergaan? Geschiedenisleraar Cees Koole stuitte op een paar afgedankte archiefdozen en besloot het uit te zoeken. Zo kwam hij de 98-jarige oud-leerling Maurits van Witsen op het spoor.
is regioverslaggever van de Volkskrant in Amsterdam en omstreken.
Aanvankelijk was de half uur durende wandeltocht naar school best gezellig, herinnert Maurits van Witsen (98) zich. Als 13-jarige trok hij elke ochtend de voordeur achter zich dicht en voegde hij zich bij de stoet Amsterdamse kinderen die verplicht naar het Joods Lyceum moesten.
In de tram mochten ze vanaf medio 1942 niet meer komen en ook hun fietsen waren door de Duitse bezetter afgepakt. ‘Dus op allerlei straathoeken voegden zich nieuwe klasgenoten bij onze groep.’ Samen liepen ze al kletsend naar hun nieuwe school in de Stadstimmertuin. ‘Ik herinner me dat we overal die ellendige borden passeerden met ‘Voor Joden Verboden’. En ook de Jodensterren vond ik echt een vernedering.’
Hoewel het geleidelijk steeds grimmiger werd op straat, bleven de scholieren in Van Witsens herinnering opgewekt. ‘Al werd onze groep wel steeds kleiner. We raakten eraan gewend dat klasgenoten niet meer kwamen opdagen. We hoopten dat ze ondergedoken waren, maar meestal waren ze afgevoerd.’
Van Witsen zit in zijn woonkamer in Zeist. Tegenover hem zit de geschiedenisleraar Cees Koole van het Amsterdamse Spinoza Lyceum. Samen vertellen ze het verhaal over het Joods Lyceum, waarover vanaf vrijdag in het Stadsarchief Amsterdam de tentoonstelling Lege stoelen in de klas te zien is. Al was de naam ‘Lege banken’ volgens Van Witsen treffender geweest. ‘Want we zaten niet op stoelen, maar op schoolbanken, en die werden steeds leger.’
Voor Van Witsen begon dit verhaal in september 1941, toen hij van de ene op de andere dag niet meer welkom was op zijn normale middelbare school. Voor docent Koole begon het zo’n vijftien jaar geleden, toen hij per toeval een blik wierp in een bouwcontainer en daar tussen al het puin een paar stoffige archiefdozen zag.
De geschiedenisleraar werkte destijds net op het Spinoza Lyceum en het gebouw werd gerenoveerd. ‘Bezopen eigenlijk, maar iemand had die archiefstukken zomaar weggegooid.’ Snel pakte de docent er twee dozen uit en zette die in zijn kast.
Daar bleven ze jarenlang liggen. Tot 2023, het jaar dat de school zijn 125-jarige bestaan vierde. ‘Toen dacht ik: wat gek dat we als school helemaal niks lijken te weten over de scholieren die in 1941 van het Spinoza Lyceum zijn gestuurd en naar het Joods Lyceum moesten.’
In de geredde archiefstukken zaten twee jaarverslagen. Daarin werd slechts kort stilgestaan bij het vertrek van vier Joodse docenten en 39 leerlingen. ‘De vier leraren werden nog wel bij naam genoemd. Zij zijn later allemaal vermoord door de nazi’s. Het vertrek van de leerlingen werd alleen beschreven in een klein, zakelijk stukje. Niet meer dan een paar zinnen. Van hen zijn er achttien vermoord.’
Koole besloot het, samen met leerlingen en stichting De Terugkeer, verder uit te zoeken. Om te weten wie het waren, maar tevens om aan de huidige scholieren te laten zien dat óók in het klaslokaal de Holocaust begon. Ook andere Amsterdamse middelbare scholen sloten zich bij het project aan.
Tijdens de zoektocht bleken nog vijf leerlingen van het Joods Lyceum te leven. Twee waren naar Israël geëmigreerd, eentje naar de Verenigde Staten en twee woonden nog in Nederland, onder wie Maurits van Witsen. Uiteindelijk lukte het Koole om hem te vinden dankzij een podcast, waarin de allang gepensioneerde verkeersdeskundige, destijds 95, werd geïnterviewd over zelfrijdende auto’s, die er in zijn ogen ‘echt nooit gaan komen’.
Hoewel Van Witsen decennialang liever niet over de oorlog praatte, doet hij inmiddels graag zijn verhaal. ‘Het was geen leuke tijd, ik wilde er niet meer aan denken. Maar nu besef ik dat het juist goed is om het er wel over te hebben, ook als waarschuwing voor wat er kan gebeuren.’
In het eerste jaar van de oorlog zat hij nog op het Spinoza Lyceum (destijds het Tweede HBS 5 geheten). ‘Ik vond het niet zo’n leuke school, ik weet er ook niet meer zoveel van.’ Aan zijn tijd op het Joods Lyceum bewaart Van Witsen wel goede herinneringen. Op deze school kregen tussen 1941 en 1943 bijna vijfhonderd Joodse kinderen les, onder wie Anne Frank en haar zus Margot.
‘De school heeft enorm geholpen’, zegt Van Witsen. ‘Je moest werken, daardoor werd je afgeleid. De docenten organiseerden ook van alles: sport, muziek, theater. Bovendien was er een stilzwijgende afspraak dat je niet over het Joods zijn of over de oorlog praatte. Al was er wel één docent die ons tot het zionisme probeerde te bekeren, maar daar wilden we niets van weten.’
De scholieren gedroegen zich dan ook net als andere pubers, herinnert Van Witsen zich. Zo begon hij samen met een vriendin een klassenkrant waarvan de ‘inhoud berucht was onder docenten’, was hij stiekem verliefd op Juultje Ketellapper, ‘een afschuwelijke naam voor een alleraardigst meisje’, en treiterde hij samen met de rest van de klas juffrouw Bolle, ‘de docent Engels, een mal mens, totaal ongeschikt’.
Van Witsen schudt zijn hoofd als hij eraan denkt. ‘We hebben haar echt tot tranen toe gepest. Verschrikkelijk eigenlijk.’
Zeker als je bedenkt dat haar leven waarschijnlijk afhing van die baan, reageert Koole. ‘Joodse docenten waren vrijgesteld van de deportaties. Maar zij kon haar baan verliezen als ze de klas niet onder controle had. Dan zou ze ook haar Sperre kwijtraken en worden afgevoerd. Moet je nagaan hoe zij dat als leraar moet hebben ervaren.’
Van Witsen, geschrokken: ‘Dat wisten we echt niet.’
Er was wel meer wat de leerlingen van het Joods Lyceum niet wisten. ‘We hadden niet door dat het uiteindelijke plan van de nazi’s was om ons allemaal te vermoorden. Ons werd verteld dat Joden tewerkgesteld zouden worden in Polen. Dat was de kreet. Mijn oudere zus Judith heeft in het voorjaar 1943 daarom nog versneld haar eindexamen gedaan, zodat ze met haar ‘diploma op zak’ naar Polen kon. Krankzinnig achteraf.’
Zover kwam het voor het gezin Van Witsen niet. Ze doken onder in Brussel en kregen valse papieren. ‘Ik werd Maurice Jansen, geboren in Gent.’ Maandenlang ging dat goed. Tot mei 1944. ‘Mijn vader kwam liever niet op straat, omdat hij bang was. Maar hij deed soms wel boodschappen. Op die fatale dag gingen we er samen op uit. We besloten gescheiden, via verschillende routes, naar de winkel te lopen. Als je apart aankwam, kon je twee porties eten krijgen, was ons idee. Alles was schaars.’
Zijn vader, gebaart Van Witsen, ging naar rechts. ‘Ik naar links. Ik kwam weer thuis, hij niet. Hij is op de laatste trein naar Auschwitz gezet. Idioot, hè, als ik naar rechts was gegaan, dan … ja.’
Na de oorlog keerde hij met zijn moeder en zussen terug naar Amsterdam. Praten over hun ervaringen deden ze nauwelijks. Met zijn oud-klasgenoten van het Joods Lyceum zocht hij geen contact. ‘Ik ging ervan uit dat ze er toch niet meer waren.’
Uiteindelijk, zegt Koole, ‘heeft de helft van Van Witsens klas de oorlog overleefd. Ik heb het allemaal nageplozen.’ Tijdens zijn zoektocht kwam hij verhalen tegen over twee tieners die op goed geluk van de trein naar Westerbork sprongen. ‘Los van elkaar. Een heeft het besluit moeten nemen: ik laat mijn ouders in de trein achter. De ander is samen met zijn moeder gesprongen. Ze hebben het overleefd.’
Vooral één verhaal greep hem aan. ‘Van Erwin Michael Joseph. Hij was eerder vanuit Duitsland naar Nederland gevlucht. Toen de oorlog hier uitbrak, wilde zijn gezin onderduiken. Maar de mensensmokkelaars die hen hielpen, waren bang ontdekt te worden. Uit voorzorg hebben ze de tiener naar het bos gelokt en hem met een hamer vermoord. Zijn moeder overleefde de oorlog wel, maar pleegde naderhand zelfmoord.’
Opnieuw schudt Van Witsen zijn hoofd, ook hij kent zulke verhalen. Hij wijst naar een briefje voor hem op tafel. Donderdagavond zal Van Witsen spreken bij de opening van de tentoonstelling. Op het papiertje heeft hij al wat voorbereid. ‘Ik blijf het volkomen onvoorstelbaar vinden dat het kon, dat je alleen maar omdat je Joods was, ter dood veroordeeld was. Dat zal ik zeggen.’ Lange tijd dacht hij dat zoiets niet weer kon gebeuren. Maar daar is de 98-jarige, als hij naar de wereld om zich heen kijkt, niet meer zo gerust op. ‘Afschuwelijk’, zegt hij bijvoorbeeld over de aanslag van afgelopen weekeinde op de Joodse school in Amsterdam. ‘Overal gebeuren nu zoveel ellendige dingen.’
De tentoonstelling Lege stoelen in de klas is vanaf 20 maart tot 14 juni gratis te zien in het Stadsarchief Amsterdam. Naast het Spinoza Lyceum werkten ook het Metis Montessori Lyceum, het Vossius Gymnasium, het Gerrit van der Veen College, het Barlaeus Gymnasium en Het Amsterdams Lyceum mee.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant