Taalkunde De Italiaan Giacomo Prampolini (1898-1975), die ruim zestig talen beheerste, was bijna vergeten, maar Leidse wetenschappers hebben hem opnieuw ontdekt. ‘Hij wilde door zijn vertalingen volkeren dichter bij elkaar brengen.’
Docent Italiaanse letterkunde Carmen van den Bergh van de Universiteit Leiden
Hij beheerste meer dan zestig talen. Hij schreef een zevendelig overzicht van de wereldliteratuur. Hij vertaalde vele Nederlandstalige schrijvers en dichters. Hij won in 1964 de Martinus Nijhoffprijs voor zijn vertalingen in het Italiaans. En toch is Giacomo Prampolini (Milaan, 22 juni 1898 – Pisa, 25 april 1975) in Nederland in vergetelheid geraakt.
Carmen Van den Bergh, universitair docent Italiaanse letterkunde aan de Universiteit Leiden, probeert daar verandering in te brengen. „Prampolini vond dat literatuur de essentie naar boven brengt. Het was zijn levensdoel om alle literaturen van de wereld in kaart te brengen”, zegt ze bewonderend. Op verschillende manieren brengt ze hem nu weer onder de aandacht. In een NWO-project is ze bezig om Prampolini’s correspondentie met Nederlandse schrijvers te digitaliseren. In juni verschijnt een boek over zijn contacten met Friese dichters en schrijvers.
Van Den Bergh wijdde onlangs de jaarlijkse publiekslezing van het LUCAS (Leiden University Centre for the Arts in Society) aan de Italiaanse hyperpolyglot. „Het Groot Auditorium in het Academiegebouw zat vol.” En intussen heeft ze ook de Bijzondere Collecties van de Leidse Universiteitsbibliotheek enthousiast gemaakt. „Ze kopen zo veel mogelijk werken van Prampolini aan, vooral antiquarisch.”
De Italiaanse polyglot Giacomo Prampolini.
Bij zijn geboorte in Milaan wees nog niets erop dat Prampolini zou uitgroeien tot een talenwonder. Zijn vader werkte bij de belastingen, zijn moeder kwam uit een middenstandsfamilie. Pas op het gymnasium begon het. Naast de klassieke talen kreeg hij toen onderwijs in Frans, Duits, Engels en Spaans. Voor de jonge Prampolini was dat niet genoeg, want op zijn veertiende volgde hij ook nog cursussen Russisch, Japans en Arabisch. Later kwamen daar onder nog veel meer Chinees, Turks, Perzisch en Afrikaanse Bantoetalen als het Swahili bij. Ook maakte hij zich dode talen als het Akkadisch en Hittitisch eigen.
Journalist, schrijver en dichter Jan Greshoff omschreef de taalverwerving van zijn vriend Prampolini in Dichters in het Koffyhuis (1925) zo: ‘Hij is een wonderkind van God bemind en tot geluk geschapen. Hij gaat ’s avonds naar bed met een Finsche dictionnaire onder zijn hoofdkussen, droomt hardop in het Friesch en merkt ’s morgens plotseling dat hij vloeiend Bengali spreken kan.’
Diezelfde Greshoff ging in 1950 in het Friese literaire tijdschrift De Tsjerne nog eens in op Prampolini’s talenkennis: ‘Ik vroeg op een avondfeest te Milaan aan prof. Eugenio Levy, de beroemde hoogleraar in de Semietische talen: hoe staat het met Prampolini’s kennis van het Arabisch? Hij antwoordde met een wedervraag: ‘Hoe staat het met zijn Nederlands?’ Ik zei: ‘Uitstekend!’ Hij: ‘Oók uitstekend’.’
Dat betekende niet dat Prampolini alle talen die hij beheerste ook kon spreken, benadrukt Van den Bergh. „Hij kon ze in elk geval wel lezen.” In zijn Nederlandse vertalingen hebben ze tot nu toe geen fouten kunnen ontdekken, voegt ze eraan toe. „In juni laten we tijdens een wetenschappelijk congres onder meer specialisten Chinees, Japans en Bretons ook naar zijn vertalingen uit die talen kijken.”
Zelf zei Prampolini dat er bij het goed beheersen van meerdere vreemde talen meer kwam kijken dan natuurlijke aanleg en het inzicht dat bepaalde talen verwant zijn. Men moest volgens hem vooral een goede kennis van de eigen moedertaal hebben. Dat wordt bevestigd door de wetenschappelijke literatuur over hyperpolyglotten, mensen die meer dan elf talen beheersen, zegt Van den Bergh. „Bij hen wordt in de hersenen het zelfde taalcentrum geactiveerd als bij moedertaalsprekers. Bij kinderen die tweetalig worden opgevoed is dat anders.”
Prampolini’s kennismaking met het Nederlands gebeurde onder bijzondere omstandigheden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog moest hij in dienst en kwam hij in 1917 terecht in de loopgraven aan het Isonzofront, bij het tegenwoordige Sloveense dorp Kobarid, in Italië beter bekend als Caporetto. Om op rustige momenten zijn tijd nuttig te besteden had hij een compacte Nederlandse grammatica meegenomen om zo de verschillen met het Duits te kunnen bestuderen.
De Nederlandse taal beviel hem zeer, vertelde hij in zijn dankwoord bij de aanvaarding van de Nijhoffprijs. ‘… net zoals een meisje in de smaak valt bij een jongeman.’ Hij had ook een verklaring: ‘De Nederlandse taal, zo rustig en bedaard, met zijn dubbele klinkers en zonder veel verbuigingen, had op mij dezelfde invloed uitgeoefend als in de 17e eeuw het rustige en arbeidzame Nederland op de Franse filosoof René Descartes.’
In 1922 beheerste hij het Nederlands al goed genoeg om een vertaling met gedichten van Henriëtte Roland Holst te kunnen publiceren. Greshoff kreeg de vertaling onder ogen en zocht uit nieuwsgierigheid contact met de vertaler. Hierna ontstond een hechte vriendschap. Via Greshoff kwam Prampolini in contact met andere Nederlandse schrijvers en dichters, onder wie Arthur van Schendel, Hendrik Marsman, J.C. Bloem en Edgar Du Perron.
Gedichten van Gerrit Achterberg, vertaald in het Italiaans door Giacomo Prampolini
Hoewel hij een voorliefde ontwikkelde voor de Nederlandse en Vlaamse literatuur, publiceerde Prampolini uit meerdere talen vertalingen. In de jaren dertig begon hij aan zijn Wereldgeschiedenis der letterkunde. De eerste editie telde vijf delen. „Het manuscript voor de uitgebreidere tweede editie, dat klaar lag bij zijn uitgever in Turijn, is in 1943 bij een bombardement op de stad verbrand”, vertelt Van den Bergh. „Na de oorlog is hij opnieuw begonnen.” De tweede, herziene versie van Prampolini’s Wereldgeschiedenis der letterkunde telde zeven delen. „Verder heeft hij ook nog een driedelige bloemlezing van de wereldliteratuur gemaakt. Alle vertalingen waren van zijn hand.”
Prampolini, die in Italië onder Mussolini met zijn vrouw tot het antifascistische verzet behoorde, was een idealist met linkse sympathieën, zegt Van den Bergh. „Hij wilde door zijn vertalingen volkeren dichter bij elkaar brengen.” In zijn geschiedenis van de wereldliteratuur besteedt hij dan ook aandacht aan pantuns, de vierregelige Maleise gedichten in wat toen nog Nederlands-Indië was, en Surinaamse auteurs als Albert Helman, die hij prijst om zijn originele, maar ook verzorgde stijl.
Verder zag hij volgens Van den Bergh geen verschil in waarde tussen grote en kleine talen. „Voor hem waren minderheidstalen als het Ladino, het Bretons, het Galicisch en het Fries even belangrijk als het Frans, Spaans en Nederlands.” Pas bij een bezoek aan Friesland in 1959 hoorde Prampolini voor het eerst gesproken Fries. Als dank voor zijn vertalingen van Friese dichters kreeg hij een geluidsband met voordrachten van hun gedichten. „Hij heeft toen wel een traantje moeten laten”, weet Van den Bergh uit de overlevering.
Ze is zich met Prampolini gaan bezighouden vanwege haar onderzoek naar sleutelfiguren in de culturele uitwisseling tussen Nederland en Italië. In het archief van het Literatuurmuseum in Den Haag bleek nog correspondentie van en met Prampolini te liggen. „Maar die brieven waren nog nauwelijks ontsloten.” Ze ontdekte al snel dat antwoorden over en weer ontbraken. „Die en nog veel meer ander archiefmateriaal hebben we gevonden bij Prampolini’s nog levende zoon Gaetano. Hij is negentig, maar woont nog in zijn ouderlijk huis in Spello, Umbrië. Zijn moeder, die arts was, is er nog burgemeester geweest.”
Met behulp van Transkribus, software voor tekstherkenning, zijn Van den Bergh en haar team van negen andere onderzoekers bezig om de handgeschreven brieven te digitaliseren. „Dat gaat minder snel en goed als gehoopt. Het programma moet steeds getraind worden om een bepaald handschrift goed te kunnen lezen.”
De tweede, herziene versie van Prampolini’s Wereldgeschiedenis der letterkunde telt zeven delen.
Haar team wordt er niet minder enthousiast van om zich met Prampolini bezig te houden, zegt ze. Geheel in zijn geest beheerst het team meerdere talen. Zelf kan Van den Bergh, van geboorte half Vlaams en half Italiaans, met zeven talen uit de voeten. „Mijn Arabisch, Duits en Spaans, talen die ik op school heb geleerd, zijn wel een beetje weggezakt.”
Een ander teamlid spreekt de verschillende Servo-Kroatische talen en weer een ander Fries én Kantonees. „Zijn overgrootvader Rintje Piter Sybesma komt als Friese dichter voor in Prampolini’s Wereldgeschiedenis der letterkunde.” En het toeval wil ook dat de vakreferent Italiaans die namens de Bijzondere Collecties allerlei ‘Prampoliniana’ aanschaft een oudoom had die in 1964 één van de juryleden was die Prampolini de Nijhoffprijs gaf. „Oud-prijswinnaar Evert Straat.”
Van den Bergh en haar team dromen hardop dat er aan de Universiteit Leiden een soort Prampolini-studiecentrum komt. „In Spello liggen nog duizenden stukken en documenten. Prampolini onderhield contacten over de hele wereld. Op de zolderkamer in Spello ligt dus nog een wereldnetwerk. Zijn zoon heeft alles keurig opgeborgen, maar niks gecatalogiseerd. We hopen dat hij op den duur alles aan de universiteit wil schenken voor verder onderzoek.”
Het materiaal zou volgens Van den Bergh in Leiden een goede plek vinden. „Dit is de universiteit van de vele, ook kleine talen.” En dan denkt ze er maar even niet meer aan dat het bestuur van de Leidse faculteit Geesteswetenschappen vorig jaar vanwege bezuinigingen nog met de bacheloropleiding Italiaanse taal en cultuur wilde stoppen.
Vertaalde bloemlezing van Nederlandse en Vlaamse literatuur door Giacomo Prampolini.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin