Een Amerikaanse zeehond werd in de jaren tachtig beroemd omdat hij menselijke taal kon imiteren. „Het strottenhoofd van de zeehond lijkt veel op dat van de mens.”
Koen de Reus
De schuifdeuren van het Werelderfgoedcentrum in Lauwersoog gaan open, en bioloog Koen de Reus komt naar buiten lopen. Het centrum vangt sinds vorig jaar april verzwakte zeehondenpups op – voorheen gebeurde dat in Pieterburen. „Momenteel zitten er hier zo’n twintig”, zegt De Reus. Hij heeft onderzoek gedaan naar de communicatie tussen pups van de gewone zeehond (Phoca vitulina). Ze blijken geavanceerd met elkaar te communiceren. „Veel geavanceerder dan gedacht”, zegt De Reus. Onderdelen van hun communicatie lijken op die van de mens. Pups reageren op elkaar. Ze wachten op hun beurt. En individuen die bij elkaar in de buurt zitten, gaan qua geluid meer op elkaar lijken. Ze gebruiken hun stem dus flexibel, wat niet veel diersoorten kunnen. De Reus is 20 februari gepromoveerd, aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en de Vrije Universiteit Brussel.
Om de pups te zien, en hopelijk te horen, moeten we naar de bovenverdieping. We lopen langs restaurant, gift-shop en langzaam gaat het in een grote spiraal omhoog, langs allerlei informatie en interactieve spelletjes over de Waddenzee en haar bewoners. De Reus vertelt dat de mens zich vaak verheven voelt boven de rest van de natuur, onder meer door zijn taal. „Dat stoort me heel erg. Wij zijn een diersoort, net als al die andere. Onderdelen van onze taal zien we ook in andere dieren.”
Dat de zeehond bijzondere vocale eigenschappen heeft, is sinds midden jaren tachtig bekend. Dat komt door Hoover, een opgevangen zeehond die het grootste deel van zijn leven in de New England Aquarium in Boston doorbracht, en beroemd werd omdat hij menselijke spraak kon imiteren. Zijn vocabulaire omvatte onder andere: „hello there”, „come over here”, „hurry”, „hey hey”, en „Hoover”. De zeehond (als soort) werd daarop op de lijst van zogeheten vocal learners gezet.
„Het betekende destijds vooral dat een diersoort geluiden kon imiteren, maar de definitie is uitgebreid en verandert nog steeds”, zegt De Reus. Een vocal learner heeft de capaciteit om nieuwe geluiden te produceren en bestaande te veranderen, op basis van ervaringen. Kenmerkend is bijvoorbeeld dat ze hun communicatie onderling kunnen afstemmen, en gevoel voor ritme en timing hebben. Bij sommige soorten betekent het dat ze om en om spreken, bij sommige (vaak zangvogels) juist dat ze gelijktijdig samen zingen. Op de lijst van vocal learners staan papegaaien, zangvogels, kolibries, olifanten, vleermuizen, walvisachtigen, vinpotigen (waaronder zeehonden en walrussen) en mensen.
„Na het overlijden van Hoover, in 1985, is de zeehond als vocal learner in de vergetelheid geraakt”, zegt De Reus. Hij hoopt dat zijn onderzoek daar verandering in brengt. Zijn Nijmeegse begeleider, hoogleraar Andrea Ravignani, pleit er al jaren voor om de zeehond meer te gaan inzetten als model om de evolutie van menselijke taal te bestuderen, onder meer omdat de zeehond waarschijnlijk een van de weinige zoogdieren is die een vergelijkbare fijnmazige zenuwcontrole hebben over longen, strottenhoofd en spraakkanaal als de mens. „Het strottenhoofd van de zeehond lijkt veel op dat van de mens”, zegt De Reus. Verder hoopt hij dat zijn onderzoek „de scheiding die de mens heeft aangebracht tussen zichzelf en de rest van de natuur wat zal overbruggen”.
„We zijn er. Dit is de gang van de zeehonden”, zegt De Reus. Spannend! Gaan we de pups zo horen? Aan de linkerkant, achter dik glas, bevindt zich de zogeheten fase-I-ruimte, legt De Reus uit. „Van de in totaal 2 tot 3 maanden dat de pups hier in de opvang blijven, zitten ze de eerste, kleine maand in fase I”, vertelt hij. Ze krijgen nog geen vis, maar zalmpap. „Dat is makkelijk te eten.” Het verblijf bestaat uit een badje van ongeveer een meter diep, met een plateau waarop de dieren kunnen rusten. Vandaag zitten er twee pups, van elkaar gescheiden door een glazen wand. Ze kijken nieuwsgierig naar de voorbijgangers. Het zijn pups van de grijze zeehond, vertelt de Reus. Dus niet de gewone zeehond, waaraan hij onderzoek heeft gedaan.
Aan de rechterkant bevinden zich een paar fase-2-ruimtes. De baden zijn iets groter en dieper. De pups krijgen hier vis te eten. „Eerst uit de hand, daarna kunnen ze het eten zelf uit het water vissen.” De Reus wijst naar een gewone zeehond. „Kijk, die doet de banaan.” De pup ligt op de rand van het bad, en houdt hoofd en achterflippers omhoog in de lucht. „Dat betekent dat hij goed in z’n vel zit, en blij is.”
Maar waarom horen we de pups niet? Waarom zijn ze zo teleurstellend stil? „De pups van de gewone zeehond zijn vooral lekker vocaal als ze gezoogd worden, dat is in de maanden mei, juni en juli”, zegt De Reus. Daarna worden ze een stuk stiller. Het is nu eind februari.
Met hun geluiden communiceren de pups met hun moeder, legt De Reus uit. „Een pup ontwikkelt al snel een eigen geluid, een soort vocale handtekening. Binnen 2, 3 dagen na de geboorte kan een moeder haar eigen pup wel herkennen. Dat is belangrijk. Want ze moet de pup achterlaten op het strand als ze de zee in moet, om te jagen, om zelf aan te sterken. Als ze terugkomt wil ze wel de goede pup hebben. Maar hoe vind je die in een kolonie van tientallen, soms zelfs honderden dieren? De pups kunnen zich bovendien verplaatsen. Ze helpen hun moeder met hun geluid. Uiteindelijk, als ze bij elkaar zijn, herkennen ze elkaar ook nog op de geur. Dan doen ze hun neuzen even bij elkaar.”
De Reus voerde zijn onderzoek aan de pups steeds uit in de maanden mei, juni en juli. In het zeehondencentrum in Pieterburen, waar de opvang tot vorig jaar zat, nam hij geluiden op die pups maakten, vooral in de fase-I-opvang. Hij heeft meer dan duizend uur aan audio-opnames. Soms zaten de pups met z’n tweeën bij elkaar. Soms zaten ze alleen, en liet De Reus ze reageren op geluidsfragmenten van andere pups die hij afspeelde. „Ze voeren niet zo’n typisch menselijk gesprek, van ABABAB. Een zeehond kan best twee, drie keer achter elkaar roepen. Maar ze letten wel echt op de timing van de ander, en anticiperen daarop. Ik laat zien dat ze gevoel voor ritme hebben. Dat is ecologisch relevant, want een pup is het best hoorbaar voor z’n moeder als hij roept op een moment dat de andere pups om hem heen niet roepen.”
Is er een kans dat de geluiden die de pups in gevangenschap maken, anders zijn dan in het wild? De Reus: „Dat weten we niet. Maar de opgevangen dieren zijn geboren in het wild. Ze laten gewoon natuurlijk gedrag zien. Het mooie van de opvang is dat we ze in een gecontroleerde omgeving kunnen onderzoeken. In het wild is dat een stuk lastiger. Hoe doe je dat met opname-apparatuur en microfoons als het regent en waait? Bovendien, na de zoogperiode gaan de zeehonden hun eigen weg, en worden ze veel schuwer. Je wilt ze dan ook niet verstoren.”
De Reus heeft zijn proefschrift opgedragen aan een van zijn oma’s, Wil. „Ik kon bij haar altijd terecht met mijn verhalen over m’n onderzoek. Ze was geïnteresseerd, enthousiast. En trots op wat ik deed.” Tijdens zijn promotie-onderzoek, zo vertelt hij, overleden drie van zijn grootouders, onder wie oma Wil. „Toen ik afscheid van haar nam gaf ze me een glazen zeehondje. Dat had ik tijdens de verdediging van m’n proefschrift bij me.”
De Reus werkt nu als universitair docent aan het Erasmus University College, waar hij de vakken milieuwetenschappen en ecologie coördineert. Hij zou graag in het onderzoek blijven. „Ik ben een groot fan van alles wat in de oceanen of de zee leeft. Ik ben ook echt een duiker. Ik voel me comfortabel in het water. Zo comfortabel dat ik zelfs een keer tijdens het duiken in slaap ben gevallen. Pas toen ik mijn mondstuk voor de zuurstof verloor, schrok ik wakker.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin