Oliecrisis De hoge energieprijzen zijn een symptoom van een systeem waar we vanaf moeten, vindt Pieter Pauw. Besteed dus geen geld aan verzachten van de gevolgen, maar investeer in duurzame energie.
Door de Amerikaans-Israëlische aanvallen tegen Iran dreigt een nieuwe energiecrisis. De Rabobank spreekt al van dreigende economische stagnatie in alle sectoren, en de roep om maatregelen wordt luider. In de probleemanalyse wordt echter één grote fout gemaakt: de crisis is niet acuut en geen anomalie, maar een symptoom van een langlopend probleem. Een quick fix, zoals een accijnskorting of gaswinning in Groningen, gaat dus niet helpen. De crisis schreeuwt om een duurzame oplossing voor de lange termijn.
Pieter Pauw is universitair hoofddocent aan de Technische Universiteit Eindhoven.
De instabiliteit van de prijs van olie en gas plaatst ons keer op keer voor enorme uitdagingen. Tijdens de eerste oliecrisis in 1973 werd olie zo duur en schaars dat de regering besloot tot autovrije zondagen. Foto’s van fietsers op de snelweg vinden we nu vooral grappig, maar de oliecrisis veroorzaakte een stagflatie (inflatie en economische stagnatie) die nog jarenlang na-ebde.
Hoe ontwrichtend dit ook was, een echt leereffect trad niet op: er zouden nog vele energiecrises volgen. De meest recente trad op na de Russische invasie van Oekraïne in 2022. De gasprijs vertienvoudigde binnen een jaar en veroorzaakte opnieuw een schokgolf in de economie. De Nederlandse politiek besloot daarop onder meer tot een prijsplafond voor het energiegebruik van huishoudens, een eenmalige energietoeslag voor huishoudens, een tijdelijke accijnsverlaging (die nog steeds bestaat) en de uitbreiding van de importcapaciteit van lng. Nederland was lang niet de enige: wereldwijde fossiele subsidies schoten naar een recordniveau van 1.659 miljard dollar in 2022.
Probleem is wel: dit soort maatregelen verlagen de economische pijn op de korte termijn, maar versterken tegelijkertijd onze afhankelijkheid van fossiele energie en maken ons daarmee economisch en politiek kwetsbaar.
Dat het ook anders kan, kunnen we leren van Pakistan. Dat land werd door de energiecrisis in 2022 keihard getroffen. De economie was sterk afhankelijk van de import van fossiele brandstoffen, maar als arm ontwikkelingsland kon Pakistan niet zo diep in de buidel tasten als de Europese landen. Burgers zetten massaal in op zonne-energie. Was het aandeel zonne-energie in Pakistans elektriciteitsproductie nog verwaarloosbaar in 2020, vorig jaar bedroeg het meer dan 25 procent.
De EU zette als gevolg van de energiecrisis in 2022 ook sterker in op verduurzaming, en daar plukken we nu de vruchten van. Dankzij nieuwe zonnepanelen en windmolens is er in de EU in de periode 2021-2023 zo’n 100 miljard euro bespaard op energierekeningen, zo berekende het Internationale Energie Agentschap, omdat de groothandelprijs van elektriciteit daardoor maar liefst 8 procent lager lag.
Binnen de EU zijn er overigens grote verschillen. Spanje heeft de capaciteit van wind- en zonne-energie sinds 2019 verdubbeld en daarmee de invloed van dure fossiele brandstoffen op de elektriciteitsprijs met 75 procent verminderd. Spanje had een van de hoogste elektriciteitsprijzen van Europa, nu een van de laagste.
Maar de veranderingen zijn niet altijd systematisch. Gasverbruik lag in de EU in 2023 wel 19 procent lager dan in 2021, maar steeg weer licht in 2024. En de afhankelijkheid van Poetin is vervangen door afhankelijkheid van de Verenigde Staten. Het land onder leiding van Trump dat de huidige energiecrisis veroorzaakte, levert ook bijna 40 procent van ons gas.
Vroegere energiecrises dwongen ons tot een keuze: minder energie gebruiken, of de hoge kosten slikken. Maar Pakistan en Spanje bewijzen dat er inmiddels een derde optie is: overstappen op duurzame technologie. De kosten van zo’n transitie zijn niet het probleem. Volgens recent Brits onderzoek zijn de totale extra kosten van een enkele fossiele brandstofschok zoals die in 2022 even hoog als de totale nettokosten om het land klimaatneutraal te maken in 2050.
Als we na de Russische invasie van Oekraïne vol hadden ingezet op hernieuwbare elektriciteit, warmtepompen, waterstof, en elektrische mobiliteit, dan was onze economie nu een stuk robuuster en waren we niet zo kwetsbaar voor de grillen van autocratische leiders.
Je zou verwachten dat, een halve eeuw na de eerste oliecrisis, zelfs de laatste sceptici wel inzien dat alleen het inzetten op duurzame technologie leidt tot echte soevereiniteit. Toch schrapte het kabinet-Schoof de verplichting om vanaf 2026 bij het vervangen van de cv-ketels een hybride warmtepomp te installeren en toveren ook nu alle partijen rechts van de VVD gaswinning in Groningen weer uit de hoge hoed.
Ik schrijf dit stuk omdat ik vrees dat het kabinet-Jetten ook deze energiecrisis met kortetermijnoplossingen te lijf zal gaan die de kosten van fossiele brandstoffen drukken en het fossiele energiesysteem in stand houden. Dat ondermijnt niet alleen de klimaatdoelen, maar ook de autonomie en de economie van Nederland en de EU. Iedere stap die het fossiele energiesysteem in stand houdt, is een stap in de verkeerde richting. Dat geldt overigens ook voor ons als burgers. Wie nu nog een benzineauto of een gasgestookte cv-ketel koopt, ondermijnt onze economie. Wie denkt niet anders te kunnen, vanwege hoge initiële investering, moet hulp kunnen krijgen van de overheid. Dat kost weinig, want het duurzame alternatief verdient zich gewoon terug.
Laten we samen besluiten dat de energiecrisis van 2026 de laatste was. Laten we fossiele brandstoffen uitfaseren.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen