Home

‘Ik was 14 toen mijn vader door militairen werd ontvoerd. Ik ben nog op zoek naar waar hij is begraven’

Alejandra Slutzky ontvluchtte als 14-jarige de dictatuur in haar geboorteland Argentinië. Haar politiek geëngageerde vader was ontvoerd. Ze zou hem nooit meer terugzien. In 1978 kreeg de Argentijnse politiek asiel in Nederland. Hoe heeft het verleden haar gevormd?

Iedereen kan een vluchteling worden. Alejandra Slutzky (62) blijft het hardop zeggen. Ook op inspraakavonden die ze bezoekt in haar woonplaats Amersfoort, over de komst van een nieuw asielzoekerscentrum. Daar hoorde ze de laatste keer, in september vorig jaar, ‘zelfs fatsoenlijke mensen onfatsoenlijke uitspraken doen’. Daar schrok ze nog het meest van. Iemand sprak van ‘lopende bommen die kunnen exploderen’.

Wat doet dit met u?

‘Ze hadden het over mensen zoals ik. Het maakt mij strijdbaar, en tegelijk voel ik angst. Ik wil niet dat Nederland de kant opgaat van het Argentinië uit mijn jeugd, waarin bepaalde groepen werden gedemoniseerd, er van bovenaf angst en verdeeldheid werd gezaaid om uiteindelijk paramilitaire groepen de straat op te sturen, de democratie om zeep te helpen en een dictatuur te vestigen. Hetzelfde patroon lijkt zich nu af te tekenen in de Verenigde Staten. Ik weet uit ervaring hoe kwetsbaar een democratie kan zijn. Maar ik zie ook veel positiefs: veel mensen, ook in Amersfoort, zetten zich in voor vluchtelingen, sommigen nemen ze op in huis, zoals ik ook heb gedaan. Deze mensen hoor je niet, de schreeuwers wel.’

In de tweewekelijkse serie ‘Eerste generatie’ laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie naar Nederland kwamen. Waarom namen zij afscheid van hun land, welk leven lieten ze achter en hoe bouwden ze een nieuw bestaan op?

Vindt u dat de kwetsbaarheid van onze democratie voldoende wordt onderkend?

‘Velen nemen het leven dat ze leiden als iets vanzelfsprekends; alsof onze welvaart en vrijheid altijd blijven. Maar het kan ineens veranderen. Er kan een oorlog uitbreken, er kunnen overstromingen komen, je kunt worden vervolgd om wie je bent of hoe je denkt. Hoelang houd je het vol? Blijf je of vlucht je? En als je vlucht, waarheen? Hoop je op hulp? Wie beseft ooit de ander te kunnen zijn, gaat anders kijken naar ‘vreemdelingen’. We zijn allemaal nazaten van migranten. De eerste mensen die neerstreken in wat nu Nederland heet, kwamen uit het zuiden en waren donker. Blonde, blauwogige Nederlanders komen oorspronkelijk uit het noorden.’

Wat weet u van de migratiegeschiedenis van uw voorouders?

‘Mijn overgrootouders van vaders kant komen uit Belarus. Begin vorige eeuw waren daar pogroms tegen Joden: hun huizen werden aangevallen en in brand gestoken. Ze besloten te vluchten met hun zeven kinderen. Eerst reisde mijn overgrootvader met zijn oudste zoon vooruit naar Amerika. Maar het schip waarop mijn overgrootmoeder met de overige kinderen maanden later volgde, mocht de haven van New York niet binnenvaren, mogelijk omdat er een besmettelijke ziekte was uitgebroken onder de passagiers. Mijn overgrootvader en zijn zoon mochten aan boord komen. De kapitein zette koers naar Buenos Aires, waar het schip wel welkom was. Zo is de familie Slutzky in Argentinië beland. Mijn voorouders van moederskant komen uit Spanje. Mijn oma trouwde met een Zweedse zeeman.’

Hoe was uw leven voordat u Argentinië ontvluchtte?

‘Het was een gelukkige tijd – totdat ze mijn vader kwamen halen. Ik zou net beginnen aan de middelbare school. Er was vrijheid en het sociale leven bloeide; er werd vaak gebarbecued met vrienden en familie. Ik woonde met mijn broertje, mijn vader en stiefmoeder, haar dochter en mijn nieuwe broertje in La Plata, een provinciestad vlak bij de hoofdstad Buenos Aires. Mijn vader was een vrolijke man die werkte als arts in sloppenwijken, waar hij zeer geliefd was.

‘Toen ik klein was, gingen mijn ouders uit elkaar. Mijn moeder werd daarna ziek: ze leed aan MS en werd opgesloten in een psychiatrische kliniek, de enige plek waar je toen iemand kon onderbrengen. In het begin ging ik bij haar op bezoek. Dat was moeilijk, want ik zag haar achteruitgaan en ze smeekte me haar daar weg te halen.

‘Mijn ouders leerden elkaar kennen na hun studententijd. Mijn vader had medicijnen gestudeerd, mijn moeder literatuur. Ze waren allebei politiek bewust en demonstreerden tegen armoede en ongelijkheid. Het was een onrustige tijd: militairen zetten de president Juan Perón af, en staatsgreep op staatsgreep, dictatuur op dictatuur volgde.

‘Mijn vader ging na zijn studie als arts werken in een lepradorp. Geïnspireerd door de Argentijnse arts en vrijheidsstrijder Che Guevara sloot hij zich aan bij het gewapend verzet tegen de fascistische dictatuur. Maar nog voordat hij ook maar één schot had gelost, werd hij al opgepakt. Vijf jaar lang heeft hij gevangen gezeten. Mijn broertje en ik werden ondergebracht bij onze grootouders, omdat onze moeder toen al ernstig ziek was.

‘Er kwam een brede volksbeweging op gang die Perón in 1973 weer aan de macht hielp. Hij liet de politieke gevangenen vrij, onder wie mijn vader, en voerde veel sociale maatregelen door, zoals een ouderdomspensioen.

‘Maar algauw liepen de spanningen weer op. Er was veel geweld op straat, de democratische regering werd op 24 maart 1976, dus vijftig jaar geleden, omvergeworpen door een militaire junta onder leiding van generaal Videla. Alle boeken en pamfletten die met het peronisme te maken hadden, gooide mijn vader weg. De ene na de andere bekende van hem verdween, ook zijn broer en schoonzus; twintig dagen later kwamen ze thuis, vervuild en verwilderd. De blik in hun ogen stond gekruist, een teken van foltering, want dat doet stroom met je lichaam. Ze vluchtten naar Midden-Amerika. Mijn stiefmoeder zei tegen mijn vader: ‘Sammy, we moeten ook weg.’ Maar mijn vader zag geen direct gevaar.

‘Toen kwam de nacht van 22 juni 1977. Ik werd wakker van lawaai en zag een man voor het stapelbed van mij en mijn broertje staan, zijn wapen op ons gericht. De deur stond op een kier, op de gang zag ik mijn vader staan, een militair voor hem. Ik lag te rillen in bed. Op dat moment wist ik wat doodsangst is.’

Wat gebeurde er met uw vader?

‘We bleven roerloos in bed liggen, totdat het stil werd in huis. We zagen dat de mannen weg waren en mijn vader hadden meegenomen. Dat hij socialist was en zich in het verleden openlijk had gekeerd tegen de dictatuur, was kennelijk genoeg. Dat hij een gerespecteerd arts was, telde niet.

‘Van slag stopten we snel wat spullen in tassen en zijn we naar buiten gegaan, de donkere nacht in, mijn stiefmoeder met haar baby op de arm. We gingen op zoek naar onderdak, bang als we waren dat de militairen zouden terugkomen voor ons. We konden terecht bij de secretaresse van mijn vader. Na een paar nachten zijn we teruggegaan naar huis. De militairen waren kennelijk langs geweest, want een deken en een fles whisky waren verdwenen. Ik dacht: die hebben ze vast opgehaald voor mijn vader, hij komt binnenkort wel weer terug. Maar ik heb hem nooit meer teruggezien.’

Hoe redden jullie je zonder uw vader, die kostwinner was?

‘Omdat hij niet kwam opdagen op zijn werk, werd zijn loon de volgende dag al stopgezet. Om aan inkomsten te komen, bakte mijn stiefmoeder pasteitjes die mijn broertje en ik op straat probeerden te verkopen, ‘pastelitos, pastelitos!’ roepend. We zijn met zijn vijven naar het huis van mijn overleden grootouders gegaan, dat leegstond. Daar wilden we wachten op mijn vader. Maanden verstreken. Op een dag kwam er een vrouw langs van een ondergrondse verzetsgroep. Ze bood aan ons te helpen ontkomen naar Brazilië, naar een opvanghuis van de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties.

‘Mijn stiefmoeder verkocht wat spullen van mijn grootouders om de reis van te betalen. Vlak bij de grens met Brazilië was onderdak voor ons geregeld bij een man die ons de volgende dag met de auto de grens over reed. We mochten niks meenemen, het moest lijken alsof we een dagje gingen winkelen. In Rio de Janeiro aangekomen keek ik mijn ogen uit, zoveel mooie mensen en zoveel kleuren. Ook zag ik de ongelijkheid en racisme waar mijn vader het altijd over had: aparte ingangen in gebouwen voor zwart personeel en veel zwarte vrouwen die voor witte kinderen zorgden.’

Hoe kwamen jullie in Nederland terecht?

‘We werden aangemerkt als politiek vluchtelingen en kregen een officiële uitnodigingsbrief van koningin Juliana, waarin stond dat we van harte welkom waren in haar koninkrijk. Vanuit het vliegtuig zag ik voor de landing een landschap van rechte vakjes en dacht ik: wat een geordend land, hier ga ik tot rust komen.’

Hoe was de opvang destijds?

‘Met nog meer politieke vluchtelingen uit Zuid-Amerikaanse landen werden we ondergebracht in een boerderij in Putten. In dit dorp leerde ik de medemens weer te vertrouwen. De Puttenaren ontvingen ons hartelijk, schoten ons te hulp en nodigden ons uit bij hen thuis. Met hen en met de maatschappelijk werkster die mij was toegewezen, heb ik nog steeds contact. Zij zijn heel belangrijk voor mij geweest. Ik ging meteen naar de middelbare school. De leraren gaven mij na schooltijd bijles, omdat ik het Nederlands natuurlijk nog onvoldoende beheerste.’

Heeft uw vluchtgeschiedenis uw levenskeuzen bepaald?

‘Mijn hele loopbaan is in het teken gaan staan van de idealen van mijn ouders: diep verontwaardigd zijn over onrecht en ertegen in het geweer komen. Ik voel het als een plicht jegens hen, hun strijd voor vrijheid en gerechtigheid is ook mijn strijd. Ik ging werken voor belangen- en ontwikkelingsorganisaties, dat doe ik nog steeds. Ik ben actief bij Hijos, een organisatie van kinderen van verdwenen ouders, die in gevangenschap geboren kinderen zoekt die destijds zijn toegeëigend door de militairen. Velen zijn illegaal geadopteerd. In Nederland hebben we er een paar gevonden. Ook zet ik mij in tegen racisme, fascisme en de genocide op Palestijnen in Gaza. En ik ben bij de jaarlijkse herdenking van de Kristallnacht, bij het Joods Monument in Amsterdam.

‘Politiek actief werd ik toen bekend werd dat prins Willem-Alexander ging trouwen met Máxima. Haar vader Jorge Zorreguieta was minister geweest tijdens de dictatuur van Videla. Onder dit schrikbewind zijn dertigduizend tegenstanders verdwenen. Máxima’s vader wist ervan, want ouders van verdwenen mensen klopten bij hem aan. Met andere familieleden van verdwenen en vermoorde Argentijnen protesteerden we. Het was voor ons onacceptabel dat in het hart van onze Nederlandse samenleving een band werd aangegaan met iemand die actief lid was geweest van dat regime. Met oud-diplomaat Maarten Mourik deed ik aangifte tegen Jorge Zorreguieta, wegens medeplichtigheid aan misdaden tegen de menselijkheid. Er werd een onderzoek ingesteld in opdracht van de toenmalige regering, die besloot dat Zorreguieta niet welkom was op het huwelijk van Willem-Alexander met Máxima.’

Bent u ooit iets te weten gekomen over het lot van uw vader?

‘Nog steeds ben ik op zoek naar wat er met hem is gebeurd, en waar hij is begraven. Hij is twintig dagen na zijn ontvoering nog gezien door twee medegevangenen. Een vrouw van toen 16 jaar vertelde mij dat hij haar troostte nadat ze was verkracht. De ander zei dat hij kapot was gemaakt. Ik kan geen navraag doen bij de overheid, want de huidige minister van Defensie in Argentinië is de zoon van een directeur van een foltercentrum uit die tijd. Forensisch onderzoekers helpen mij in contact te komen met folteraars die nog in leven zijn.

‘Ik zal niet rusten voordat ik weet waar het lichaam van mijn vader is begraven. En hij, net zoals mijn moeder, een eigen graf krijgt.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next