In zijn eerste optreden als minister van Sociale Zaken moest Hans Vijlbrief (D66) zich donderdag ook weren tegen kritiek van zijn eigen coalitiepartners. Maar hoewel zijn bezuinigingsplannen onder druk staan, ziet hij geen reden ze snel definitief van tafel te halen.
is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over pensioenen en sociale zekerheid.
Staat Hans Vijlbrief met zijn rug tegen de muur? In rap tempo zag de nieuwe minister van Sociale Zaken zijn bezuinigingsplannen afgelopen weken wankelen. Van de snellere stijging van de AOW-leeftijd tot een flinke verlaging van de maximale uitkeringen: ze riepen allemaal forse weerstand op.
Vorige week, in het eerste deel van een debat over de begroting van het ministerie van Sociale Zaken, spraken zelfs Vijlbriefs coalitiegenoten openlijk hun twijfel uit. De oppositie vroeg zich al af hoe hij al die gaten in de begroting gaat dichten als zijn bezuinigingen nu, na amper vier weken regeren, van tafel zijn.
Maar op die vraag hoeft de Kamer donderdag, in het tweede deel van het debat, geen antwoord te verwachten, zo maakt Vijlbrief meteen duidelijk. In zijn inleiding benadrukt de bewindspersoon dat hij voor nu vooral ‘wil luisteren’ en ‘in gesprek’ wil.
Bovendien zijn er volgens Vijlbrief wel degelijk ‘harde keuzes’ nodig. In zijn ogen neemt de sociale zekerheid een te grote hap uit de rijksbegroting. Als SP-leider Jimmy Dijk hem er later op wijst dat de uitgaven weliswaar stijgen, maar dat ze als percentage van het totaal van wat er in Nederland wordt verdiend stabiel blijven, houdt Vijlbrief voet bij stuk. ‘Ik ga niet de minister van Sociale Zaken zijn die dit verder uit de hand laat lopen’.
Maar de minister kan niet om de kritiek heen. Vorige week lag met name het voornemen van het kabinet om het zogenoemde maximum dagloon per 2029 met 20 procent te verlagen hevig onder vuur. Aan de hand van het dagloon berekent het UWV onder meer de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en werkloosheidsuitkeringen. Gaat het maximum omlaag, dan ook de maximale uitkering. Uitkeringsgerechtigden kunnen er daardoor tot 1000 euro bruto minder per maand op achteruit gaan.
Vijlbrief staat desondanks achter dat plan. Hij wijst er in de Kamer op dat het maximum dagloon afgelopen jaren met bijna 8 procent is gestegen en dat het daarom terecht is er kritisch naar te kijken. Ook benadrukt hij dat een verlaging vooral gevolgen heeft voor de hoogste uitkeringen. ‘Ik vind het heel raar dat een ingreep op het maximum dagloon nu opeens iets principieels is geworden.’
Het leidt tot een vraag van ChristenUnie-Kamerlid Don Ceder. Hij wil weten waarom er voor een verlaging van 20 procent is gekozen als de eerdere verhoging minder dan 8 procent was. ‘Daar zit geen logica in’, erkent Vijlbrief. Het is volgens hem vooral een manier om de uitgaven naar beneden te krijgen, oftewel: om geld te besparen.
Vorige week bleek ook dat een meerderheid van de Kamer wil dat de minister voorkomt dat de uitkering doorwerkt in de maximale uitkering voor zwangerschapsverlof. Ook die is namelijk afhankelijk van het dagloon. Vooral coalitiepartij D66 reageerde verontwaardigd.
De oppositie vroeg zich daarop af of de coalitiepartners wel hadden gerealiseerd wat de gevolgen waren toen ze het regeerakkoord tekenden. ‘Het effect heb ik niet goed gezien’, geeft Vijlbrief nu toe. Hij belooft de Kamer om in ieder geval daarvoor ‘een alternatief’ te zoeken.
Voortschrijdend inzicht is er ook op een ander uiterst gevoelig punt. De verlaging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat namelijk niet alleen gelden voor nieuwe aanvragen, maar ook voor mensen die nu al een uitkering ontvangen. Zij hebben geen kans meer om zich bij te verzekeren of zich op een andere manier voor te bereiden op de inkomensval.
‘We hebben ons niet gerealiseerd dat dit zo’n groot punt zou zijn’, zegt Vijlbrief daarover. Op aanvraag van coalitiepartij CDA gaat hij kijken naar de ‘juridische houdbaarheid’ van de maatregel. Desalniettemin gaat er nog geen streep door. ‘Het staat in het regeerakkoord (...) ik ga niet zomaar zeggen: dit doe ik niet meer, maar ik geloof wel dat ik het probleem zie’.
Dat laatste kenmerkt de houding en toon van Vijlbrief tijdens het hele debat. Hoewel hij aan alle kanten onder druk staat en inschattingsfouten erkent, houdt hij wel vast aan de plannen in het regeerakkoord. In zijn ogen is het ook niet nodig om nu al definitieve besluiten te nemen. Voor alle plannen is immers dit jaar nog geen wetgeving nodig. Dat geeft hem tijd. ‘Ik heb geen haast.’
Op de achtergrond speelt ook mee dat Vijlbrief liever alle kaarten op tafel houdt met oog op zijn wens om met werkgevers en vakbonden tot een ‘sociaal akkoord’ te komen. Zo’n akkoord bood in het verleden dikwijls garantie voor politieke meerderheden: onontbeerlijk voor een minderheidskabinet.
Maar dan moeten die gesprekspartners wel willen praten, werpt de oppositie de minister voor. De vakbonden willen niet meer aan tafel zolang er geen definitieve streep gaat door het plan om de AOW-leeftijd per 2033 sneller te laten meestijgen met de levensverwachting.
De bonden zien dat als een schending van de afspraken uit het pensioenakkoord van 2019. Toen kwamen werkgevers, bonden en de regering na jarenlange onderhandelingen juist overeen om de AOW-leeftijd wat minder snel te laten stijgen. ‘De woede die ontstond over het doorbreken van het pensioenakkoord hebben we niet goed ingeschat’, erkent Vijlbrief ook hier.
Voor Vijlbrief is het geen reden om het AOW-plan nu aan te passen. Wil hij het plan doorvoeren, dan hoeft de benodigde wetgeving er pas in 2028 te liggen. ‘Dat betekent dat ik de tijd heb om er niet aan te werken.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant