Tracey Emins retrospectief in Tate mag dan A Second Life heten, ze leefde al minstens negen levens. Anna van Leeuwen was bij de persbezichtiging en bezocht in Londen plekken die van belang zijn geweest voor het werk van een van de meestbesproken Britse kunstenaars aller tijden.
is kunstredacteur van de Volkskrant.
Stel je voor. Pontificaal in een museumzaal staat een slordig, half opgemaakt bed. De lakens en kussens zijn vergeeld, ondergoed lijkt er achteloos op gesmeten. Ernaast, op een donkerblauw kleedje, liggen pantoffels, een knuffel en talloze rommeltjes: tampons, een witte onderbroek met bloedvlek, een gebruikt condoom, de verpakking van een ovulatietest, aangebroken sigarettenpakjes, een scheermesje, wodkaflessen, zakdoekjes, een bijzettafeltje, een volle asbak, een polaroidfoto en veel meer.
Een uitputtende beschrijving geven is onmogelijk. Dit is een gedetailleerde uitsnede uit een leven. Zeker is: deze objecten zijn met een forensische precisie neergelegd in de museumzaal van Tate Modern in Londen. En rond dat bed, rijendik achter de zwarte plakbandstrepen op de vloer om afstand te bewaren, staan wij, de pers. Notitieboekjes, camera’s en dictafoons paraat. Het voelt vreemd, zo massaal aanwezig zijn bij zo’n intiem kunstwerk.
‘Dit is de drukste persbezichtiging die ik ooit heb meegemaakt’, zegt Maria Balshaw, directeur van Tate Modern, die samen met curatoren Jess Baxter en Alvin Li de tentoonstelling samenstelde en de journalisten rondleidt.
We verdringen ons bij een van de bekendste Britse kunstwerken aller tijden, in 2014 geveild voor omgerekend zo’n 3 miljoen euro: My Bed van Tracey Emin uit 1998. Ooit goed voor een kunstschandaal, nu pronkstuk op een cultureel evenement van jewelste: het uitgebreide retrospectief van Tracey Emin, getiteld A Second Life.
Opvallende afwezige bij deze voorbezichtiging: de kunstenaar. Dat valt extra op nu we naast haar lege bed staan. De 62-jarige Emin slaat de persbezichtiging over. Het zal te maken hebben met haar kwetsbare gezondheid. Bovendien, lees ik ergens in de tentoonstelling, heeft ze een hekel aan menigten.
Een dag eerder ben ik aangekomen in Londen, de stad waar Emin in de jaren negentig stormachtig furore maakte als een van de roemruchte Young British Artists.
Aanvankelijk werd ze verguisd én gevierd om haar schurend eerlijke, taboedoorbrekende kunst. Inmiddels hoeft ze haar status als sterkunstenaar niet meer te bevechten. Om te zien hoe dat zo is gekomen, ga ik haar gangen na. Waarom staan we hier allemaal naar een bed te kijken?
Wie per trein naar Londen reist, kan niet om Tracey Emin heen. Op station St. Pancras International worden reizigers sinds 2018 verwelkomd met haar 20 meter brede lichtkunstwerk I Want My Time with You. Het is een typisch werk voor de kunstenaar: haar herkenbare handschrift, een van haar veelgebruikte materialen (neon) en een kunstwerk dat een direct en emotioneel appel doet op de toeschouwer.
Tekst speelt een grote rol in Emins kunst: ontboezemingen, verwensingen en bezweringen. Vanwege de tentoonstelling in Tate Modern hangen door de hele stad billboards met afbeeldingen van haar geschreven neonkunstwerken. Ooit dacht Emin dat ze schrijver zou worden.
Dat was haar plan toen ze begin 1993 met Sarah Lucas in de wijk Shoreditch ‘The Shop’ opende. Ze waren allebei een paar jaar eerder afgestudeerd aan de kunstacademie. Lucas zocht een atelier, Emin (toen 30) een plek om te schrijven.
Het schilderen had ze afgezworen. Twee keer was ze ongewenst zwanger geweest en twee keer werd ze daardoor heel misselijk van de geur van olieverf en terpentine. Nadat zij de zwangerschappen had laten afbreken, voelde ze zich zo getraumatiseerd dat ze zich er fysiek niet meer toe kon brengen om te schilderen.
Een half jaar lang was The Shop, in de destijds vervallen wijk Shoreditch, voor Emin en Lucas een open atelier waarin ze hun probeersels verkochten. Rare, tegendraadse kunstwerken vooral: mokken met foto’s van henzelf erop, een asbak met een beeltenis van kunstenaar Damien Hirst, zogenoemde Rothko-knuffeldoekjes en T-shirts met vieze teksten als ‘Heb je je al op mij afgetrokken?’
Kinderachtig, noemde Emin het achteraf. Maar het verkocht wel.
De gevel van The Shop, op 103 Bethnal Green Road, was blauw en is nu felpaars. Ondanks die knalkleur is het pand niet meer in gebruik als winkel. Er hangt geen bordje aan de muur dat memoreert dat hier ooit kunstgeschiedenis werd geschreven. (Aan beide kunstenaars zou veel later de eer toevallen om Groot-Brittannië te vertegenwoordigen op de Biënnale van Venetië.)
Tussen de clientèle en de feestgangers van The Shop bevond zich Jay Jopling, een generatiegenoot van Emin en Lucas, die in dezelfde tijd galerie White Cube had geopend. Hij nodigde Emin uit voor een tentoonstelling eind 1993.
Van de schilderijen die Emin op de kunstacademie had gemaakt, waren alleen foto’s bewaard gebleven. Die kleine fotootjes plakte ze op stukken schildersdoek. Verder toonde ze dagboeken, brieven, souvenirs, tekeningen en andere persoonlijke parafernalia. En een quilt vol verwijzingen naar herinneringen aan haar jeugd.
De galerietentoonstelling noemde ze My Major Retrospective: 1963-1994. Die titel kun je megalomaan opvatten, maar was ironisch of zelfs cynisch bedoeld. De kunstenaar was ervan overtuigd dat het haar eerste en laatste tentoonstelling zou zijn. Strik erom, klaar. Of: poppetje gezien, kastje dicht. Maar het kastje ging niet dicht.
In Emins échte retrospectief, 32 jaar later, hangt de quilt van destijds, Hotel International, in de eerste zaal – een logisch beginpunt. De quilt is versierd met uitgeknipte letters en handgeschreven teksten.
Emin groeide op in het kustplaatsje Margate, in het hotel van haar vader, Hotel International. Toen haar vader failliet ging, had het gezin een tijdlang geen eigen onderkomen. Uiteindelijk woonde ze met haar moeder en oma boven de plaatselijke Kentucky Fried Chicken. Als ze het logo van KFC ziet, voelt ze zich thuis, schrijft ze.
Tijdens de persbezichtiging verdringen mensen elkaar voor deze quilt. De aantrekkingskracht is groot. Door de persoonlijke teksten, vaak fonetisch geschreven, de zachtheid van het materiaal, de lieflijke uitstraling van de techniek, die regelmatig contrasteert met de inhoud. Centraal staan de namen van haar ouders: ‘Pam Cashin loved Envar Emin so much.’
Er zijn meer van zulke quilts te zien in Tate Modern. De techniek bood Emin een alternatief voor schilderen, zonder de nare herinneringen aan misselijkheid. Steeds zijn de teksten puntig en raak. Sommige zouden niet misstaan op een T-shirt: ‘People like you need to fuck people like me.’
Na de verrassend succesvolle tentoonstelling bij White Cube begreep Emin dat ze nog lang niet kunstenaar-af was. Misschien was ze pas net begonnen? Ze kreeg solotentoonstellingen in Londen en in Bremen. In 1995 opende ze zelfs haar eigen Tracey Emin Museum in een pand op 221 Waterloo Road, waar eerder een taxibedrijf had gezeten. Dit ‘museum’, dat een paar jaar heeft bestaan, was een voortzetting van The Shop: atelier, ontmoetingsplek en winkel, opnieuw met rare T-shirts.
De jongemannen van stomerij en wasserette Kings & Queens lijken verbaasd dat ik binnenstap zonder wasgoed, maar mét vragen. Van Tracey Emin hebben ze nooit gehoord. Dat in dit pand haar museum was, interesseert ze niet zo. Terwijl een van hen een vers gestoomde pantalon in een plastic hoes laat glijden, verklaart hij: ‘Wij zitten hier pas zes jaar.’ En als hij ziet hoe mijn blik de betonnen muren aftast – wat verwacht ik, dat ze per ongeluk een kunstwerk achter heeft gelaten? – zegt hij: ‘Wij hebben het helemaal gestript.’
Ook dit gebouw, tussen een tandarts en een kapper, heeft geen plaquette. Het ziet er niet naar uit dat hier vaker mensen op bedevaart komen. Toch hing hier ooit het allereerste neonkunstwerk van Emin, met de informatieve tekst: ‘The Tracey Emin Museum’. Zo begon ze met neon te werken, als uithangbord voor haar museum.
In dit gebouw ontstond ook een van Emins beroemdste kunstwerken, Everyone I Have Ever Slept With 1963-1995, een blauwe tent waarin Emin de namen had geschreven en geappliqueerd van iedereen met wie ze het bed had gedeeld: een aanzienlijk aantal sekspartners, maar bijvoorbeeld ook haar knuffelbeer, haar tweelingbroer, haar oma, ‘foetus 1’ en ‘foetus 2’.
‘Confessional art’ werden zulke kunstwerken genoemd, een term die impliceert dat er iets valt op te biechten. ‘Ik bekende helemaal niets aan wie dan ook’, zegt ze daar inmiddels over in de catalogus bij de Tate-tentoonstelling. En: ‘Ik probeerde gewoon alles te ontrafelen en te begrijpen.’
Everyone I Have Ever Slept With werd een van de topstukken in de tentoonstelling Sensation van reclamemagnaat Charles Saatchi, die eind vorige eeuw de destijds nieuwe generatie Britse kunstenaars in Londen, New York en Berlijn toonde. De tent van Emin is in 2004 verloren gegaan in een brand in Saatchi’s opslag, anders was die zeker ook in Tate Modern tentoongesteld.
Vlak bij de kleine wasserette aan Waterloo Road is My Bed ontstaan, in het socialehuurappartement waar Emin destijds woonde. Een precies adres heb ik niet kunnen vinden, dus ik loop doelloos tussen de gebouwen. Wasgoed hangt aan de balkons, hier en daar ook een schotelantenne. Zou degene die nu op Emins oude adres woont, weten dat hier een van de meestbesproken Britse kunstwerken is ontstaan?
In deze buurt verschanste Tracey Emin zich, nadat haar relatie was uitgegaan, vier dagen in bed. Ze dronk en voelde zich depressief. Het verhaal gaat dat ze opstond om naar de badkamer te gaan om wat water te drinken. Toen ze terugkwam herkende ze haar beslapen bed ineens als kunstwerk – een soort openbaring.
Zo kwam dat bed terecht in tentoonstellingen in Tokio (1998) en New York (1999). Bij deze eerste exposities zag de installatie er anders uit dan hoe de meeste mensen die nu kennen. Oorspronkelijk hing er een strop boven het bed, een letterlijke verwijzing naar Emins suïcidale gevoelens van destijds. Met die strop leek het bed nog meer op een plaats delict.
De installatie leverde haar een nominatie op voor de prestigieuze Britse Turner Prize, waardoor ze eind 1999 voor het eerst exposeerde in Tate Modern. De strop werd achterwege gelaten. Dat was naar verluidt deels een inhoudelijke keuze van Emin. Daarnaast waren er zorgen om de veiligheid van bezoekers.
My Bed, dat door kunstkenners inmiddels wordt opgevat als een raak portret van een persoonlijke crisis, werd meteen landelijk bekend. Mensen vatten het bed op als een provocatie, maakten zich kwaad en vonden het kunstwerk vooral smerig.
De krant The Sun tekende deze reactie op: ‘Ik word zo boos als ik zie hoe deze zogenaamde kunstenaars een rommelige slaapkamer verheerlijken. Waar gaat de wereld naartoe als een grote kunsttentoonstelling deze boodschap uitdraagt?’
Ondertussen spon Tate garen bij de ophef. ‘Waarom raakt iedereen zo opgewonden over de Turner Prize? Er is maar één manier om daar achter te komen’, stond op posters. Emin kreeg alle aandacht, kunstenaar en regisseur Steve McQueen won.
Achteraf gezien had die Turner Prize-tentoonstelling het einde van Emins kunstenaarsschap kunnen betekenen. Zie je maar eens aan zo’n landelijke kunstrel te ontworstelen. Zie maar eens verder te werken aan je kunst als je eenmaal hebt gemerkt hoe grandioos verkeerd die kan worden begrepen.
Maar hier staan we, rond dat ene bed, in een tentoonstelling die veertig jaar kunstenaarsschap omspant en die laat zien hoe Emin toch weer ging schilderen, met acrylverf, en hoe ze tekende en sculpturen, foto’s, video’s en installaties maakte.
Omdat Emins werk zo persoonlijk en zo talig is (ook haar tekeningen en schilderijen), laat de tentoonstelling zich lezen als een autobiografie. Alles zit erin: familie, seks, geweld, pijn, liefde, abortussen, rouw en crises. Het is een mensenleven als en in kunst.
Haar bedoeling is steeds geweest, legt Emin in de catalogus uit, dat deze kunstwerken de toeschouwers aan hun eigen leven doen denken: ‘Ik wil niet dat ze nadenken over mijn leven. Ik wil ze over hun eigen leven laten nadenken.’ En meer dan denken nog: ‘Ik wil ze doen voelen.’
Dat laatste lukt. Het is onmogelijk om niet geraakt te worden. Of Emin nou een quilt maakt, een tekening of een schilderij, er zit een aantrekkelijke vaart en spontaniteit in haar kunst. Met die snelheid grijpt ze je bij de strot, en ze houdt je vast.
Wat meespeelt: voortdurend duik je zelf op in haar kunstwerken, middels het woordje ‘you’. Dan staat er ‘je had me moeten redden’ of ‘je blijft me neuken’ of ‘ik huil om je’. Jij kan een geliefde zijn, een minnaar of een verkrachter. De toeschouwer wordt aangesproken als verloren foetus of als Emins moeder.
Ik was te jong om jouw as te dragen heet een schilderij waarop een felrode figuur een kleine doos vasthoudt. Net als op andere schilderijen is het gezicht niet uitgewerkt en bracht Emin de verf in grote vegen aan. Een donkerbruine schaduw kleeft als een mantel aan de tragische figuur. Het verdriet druipt van haar schouders en van het schilderij af.
Het doet pijn om naar te kijken. Denk ik aan mijn eigen leven? Denk ik aan Emins leven? Maakt dat uit?
Ondanks al het leed in haar kunst stevent de tentoonstelling gestaag en wat geforceerd af op een happy ending. Dat heeft te maken met de plottwist waar de titel van de tentoonstelling naar verwijst: A Second Life. De kunstenaar leidt sinds 2020 namelijk haar ‘tweede leven’: een leven na blaaskanker. Geen makkelijk leven, een leven met een stoma bijvoorbeeld, maar wel een heel productief leven.
Ze drinkt niet meer, laat zich nergens meer door afleiden, schildert volop en verkondigt in de catalogus tevreden: ‘Ik heb de afgelopen vijf jaar meer gedaan dan in de hele rest van mijn leven.’ En terugblikkend: ‘Ik had al wel een beetje een carrière, maar niet de doelgerichtheid die ik nu heb.’
Emin vindt Emin 2.0 dus de betere Emin. Dat wringt in de tentoonstelling. Het is haar goed recht zich herboren te voelen en van mening te zijn dat haar recente schilderijen een culminatie zijn van alles wat tevoren gebeurde. Maar na mijn zoektocht in Londen en het doorlopen van de tentoonstelling denk ik: Tweede leven? Emin is als een kat met negen levens. Minstens.
Die eerdere levens waren misschien minder gestructureerd, minder productief, minder doelgericht, maar zeker niet minder interessant. Ik was maar wat graag de chaotische vuilbekkende jarennegentig-Emin tegengekomen in haar winkel of het Tracey Emin Museum. Helaas: vuige T-shirts worden in de museumshop van Tate Modern niet verkocht. Wel een servies met Tracey Emins katten erop.
Beeldende kunst
★★★★☆
Tate Modern, Londen, t/m 31/08
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant