Kun je schrijvers nog tot een generatie terugbrengen, of zijn ze daarvoor te individualistisch? Deze drie debutanten hebben in ieder geval één ding gemeen: onverschrokkenheid. Want schrijven met de voet op de rem, daar doen deze leeftijdsgenoten niet aan.
is redacteur van Zondag en televisierecensent van de Volkskrant.
Wat zou er gebeuren als we alle statistieken rondom vrouwveiligheid – alle data over moorden en verkrachtingen – naar een computer zouden sturen, aangedreven door artificiële intelligentie, zonder empathie? Zou die computer dan beweren dat we misschien beter af waren zonder mannen? Dat misandrisch geweld gerechtvaardigd is, of nodig? Logisch zelfs, goed misschien wel.
De Vlaamse auteur Uschi Cop (1988) gaat dit experiment aan in haar debuut Dodeman, een tekst die ontsproten lijkt uit een dataset. Heel nadrukkelijk: Cop vertrekt vanuit de gevallen van femicide die in België bekend zijn uit de periode 2017-2025; de namen van de slachtoffers zijn zelfs geïncorporeerd in deze theoretische, activistische roman. Haar personage Ursula – verbitterd, vervreemd – wordt gedreven door kille logica. ‘Niet iedere man, maar altijd een man.’ ‘Dead Men Can’t Rape.’ ‘Het is onze morele plicht om razend te zijn. Woede is de enige manier.’
Dat Ise, haar eeneiige tweelingzus, juist koos voor echtgenoot-vinexhuis-zoon, maakt dat de vrouwen elkaar al twintig jaar niet hebben gezien. Tot de geradicaliseerde één de bedeesde ander belt. Er is iets voorgevallen, iets extreems. Cop voert de dreiging op; in plechtig, gedragen proza neemt ze ons mee naar het ouderlijk huis van de zussen, als uit een gothic novel. De kruidentuin woekert, Ursula lijkt wel bezeten, zo woedend en koortsig is ze.
Sprookjes zijn zwart-witverhalen van goed en kwaad. Aan welke kant sta jij, die vraag roept het duistere Dodeman op – en hoe compromisloos ben je om aan die goede kant te blijven staan? Wat Ise betreft is dat wel duidelijk: zij staat aan de zijlijn, verlamd door de kakofonie in haar ouderlijk huis. De discussies die Ursula voert met haar bondgenoten uit vrouwencollectief Nyx (Cop is medeoprichter van de Belgische Dolle Mina’s) zijn schematisch; de personages zijn gemodelleerd naar standpunten die we kennen uit de feministische theorie.
Een hoofddoek dragen, de invasieve aard van heteroseks, laat je als feminist je schaamhaar staan of niet: Cop slaagt erin de gehele vrouwenzaak te raken, met de bewonderenswaardige en ambitieuze precisie van een academisch onderzoek, ook gepaard met de woede die er doorgaans uit voortkomt als je je zo volledig op onrecht toelegt.
‘Mensen moeten uit hun lethargie worden wakkergeschud’, meent Ursula. ‘Ze zitten vast in aangeleerde hulpeloosheid. Het is ieder voor zich, er is geen gedeelde bezieling meer. We zijn slechts een tijdelijke samenklontering van individuen rond een gedeeld product en dat product is het kapitalisme, het autoriteitsdenken. We slikken het als zoete koek.’
Cop is vastbesloten de systemen van vrouwenhaat in kaart te brengen, en doet dat in een taal die daarbij past. De dialogen van de Nyx’ers zijn academisch, eloquent, en daarmee afstandelijk; ze botsen raar met de verder zo duistere, griezelachtige sfeer. Hoe maak je drama invoelbaar, vroeg ik me af, door uit te zoomen en schokkende data in kaart te brengen, of juist door iets kleins te vertellen, de lezer zelf z’n conclusies te laten trekken over goed en kwaad?
Dodeman deed me toch meer neigen naar dat laatste. Wat had er een waanzinnig spannend boek in deze materie kunnen zitten, vergelijkbaar met de film Promising Young Woman (2020) van Emerald Fennell. Cop had dat absoluut gekund, want bij vlagen knettert haar debuut, zag ik vonkjes met vervoering. Wanneer blijkt dat de zoon van Ise schuldig is bevonden aan de verkrachting van een jong meisje, bijvoorbeeld. Ursula en haar kompanen hebben zo hun eigen manieren om met dit soort jongens om te gaan. De titel verraadt genoeg.
Uschi Cop: Dodeman. De Arbeiderspers; 432 pagina’s; € 26,99.
Tom heeft vaak pech. Laatst nog: die kruiskopschroevendraaier die zich in zijn handpalm priemde. En nu steekt er een schaar uit zijn navel. Een ongelukkige val, precies boven op dat ding. Onhandig – als hij dat woord vaak genoeg uitspreekt zal het vast bezwerend werken, het zal de mensen met kritische vragen buiten de deur houden.
Het is wegkijken geblazen bij Twijfelwond, het debuut van muzikant en schrijver Julien Staartjes (1989). Toms verminkte navel wordt beschreven als een pizza margherita van de avondwinkel: rood, geel en korstig, of als nog niet geheel gestolde lava. Bah, bah, bah. Toms kern, voor zover hij die als niets-aan-de-hand-jongen al had, is doorgeprikt, zijn hemd is klam van het bloed.
En Sallie, zijn vriendin, die fluistert ondertussen dat ze het niet zo bedoelde. Een vlaag van verstandsverbijstering. Tom weet beter. ‘De schroevendraaier, de schaar. Het was geen kortsluiting. Ze genoot ervan.’
Fascinerend, als een auteur een heel plot kan opbouwen rondom één gebeurtenis en hij vanuit dat ene, absurde gegeven een wegenkaart openvouwt, aan de lezer laat zien: kijk, zo kwamen we hier terecht.
Dat het Sallie was die Tom stak, daar windt Staartjes geen doekjes om. Twijfelwond gaat niet zozeer over huiselijk geweld, is ook geen nadrukkelijk geëngageerde tekst over de mannelijke schaamte die daarmee gepaard gaat. Het blijkt vooral de prestatiemaatschappij, de onmetelijke druk, die dit veelbelovende stel parten speelt. Tom, gelikt en corporate, vertrekt binnenkort voor een grote carrièrekans naar Wenen. De meer intellectuele, bedachtzame Sallie werkt aan een boek over een zelfvoorzienende gemeenschap in Corsica. Echt vlotten wil het niet.
En dan is er nog een derde perspectief, dat van de Oostenrijkse Ferdinand, de recruiter die Tom naar Wenen moet halen. Ook zo’n millennial, meer aandoenlijk dan onuitstaanbaar, die doodnerveus wordt van Toms navelstaren – het is maar de vraag of de deal nu kan doorgaan.
Sallies neurosen, Toms onuitstaanbare zelfvertrouwen: Staartjes brouwt een giftig drankje, waarvoor deze twee ingrediënten eigenlijk genoeg zijn; dat andere personage hangt er een beetje bij. Ferdinands carrièrecrisis verwordt tot een existentiële crisis, maar daar zo weggestopt in Wenen is zijn rol toch te onbeduidend om echt te beklijven of te ontroeren.
Nee, dan dat Amsterdamse, welvarende stel en hun toxische relatie. ‘Briljant, het woord kleeft aan Sallie als koekdeeg’, schrijft Staartjes, en terugblikkend zien we hoe Tom daar zowel geïntrigeerd als geïrriteerd door raakt. Hij saboteert haar, en bedekt dat steeds met de mantel der liefde: kan ze niet gewoon wat uit haar duim zuigen voor het boek, nu het schrijven haar zo moeilijk afgaat? En is het niet gezellig een katje in huis te nemen? Dat zij de zorg voor het (doodzieke, blijkt later) beestje niet kan dragen, weet hij dondersgoed.
‘Tom snoof. Geen speldenprikken meer, tijd voor grof geschut. Hij wilde niet langer naar huis, hij wilde haar zien huilen, haar optillen en naar bed dragen. Ze zou zich in hem vasthaken en met haar nagels in zijn rug graven. Hij zou haar tranen likken.’
Stilistisch wil Staartjes nog weleens uit de bocht vliegen; het is veel, opgezwollen. Maar misschien juist door al die bombast begon ik het gaandeweg wel te begrijpen. Van die schaar, van die schroevendraaier. Er moest een daad worden gesteld. Prik.
Julien Staartjes: Twijfelwond. De Arbeiderspers; 304 pagina’s; € 22,99.
Uit vrijwel alles blijkt dat Rosalie Dielesen (1998), die debuteert met het autofictieve Je moeder, een feminist is. Haar ik-verteller Roos is goed ingelezen. Ze refereert aan Marja Pruis, Ianthe Mosselman en Lotte Houwink ten Cate. Deze jonge vrouw is bekend met de theorieën over moederliefde, die stellen dat die geen natuurwet is maar een ‘cultureel project’. Ze weet dondersgoed dat het idee van de allesdoende moeder een gevaarlijk sprookje is. De maatschappij houdt onrealistisch hoge verwachtingen in stand.
Ze wil met haar vuist de lucht in gaan, dat onfeministische ideaalbeeld te lijf.
Maar het lukt haar niet.
Roos is namelijk niet alleen een feminist, maar ook een dochter, een verlaten kind dat het sinds haar 14de zonder moeder moet doen. Het wringt, ergens wil ze empathie kunnen opbrengen voor die vrouw voor wie het moederschap nooit natuurlijk leek aan te voelen. Ze was er zelden, bracht haar tijd door op de manege, bij vrienden, of lag gewoon op bed.
De vrouw die Roos uit pijn niet meer haar moeder wil noemen, maar M., doet precies het tegenovergestelde van wat de maatschappij van haar verwacht. Ze is afwezig in plaats van aanwezig. Feminist Roos juicht het niet toe, integendeel. Ze wil antwoorden.
Je moeder, wat een goede titel, je hoort hoe de anderen de woorden tegenover Roos uitspreken. Vaak verwijtend: ‘Ze is en blijft je moeder’, zegt haar vader. Soms bezorgd: ‘We bespreken het vanavond met je moeder’, zegt haar oom, nadat hij de blauwe plekken op de armen van zijn nichtje heeft gezien.
In het Franse kasteel waar het gezin is gaan wonen, een Ik vertrek-achtige situatie, draaien Roos en haar tweelingzus op voor het ontvangen van de gasten en al het huishoudelijk werk. Roos leert op haar hoede te zijn, om haar moeder heen te bewegen. Tot er op een ochtend een boel koffers bij de deur staan: M. gaat op vriendinnenweekend, naar Sicilië, om nooit meer naar haar gezin terug te keren.
‘Later begreep ik dat je langzaam vertrok, stukje bij beetje, als zand door mijn vingers gleed. Je vergat mijn verjaardag, je vertrok net voor mijn verjaardag – de dag waarop ik jou moeder maakte.’
Roos komt niet achter haar waarom; die puzzel blijft ongelegd. Het dappere van Je moeder is dat Dielesen niet schrijft om te verklaren, maar vooral om de leegte te onderzoeken die M. achterliet. De vragen nemen toe, juist nu Roos volwassen wordt. ‘Hoe goed kun je jezelf eigenlijk begrijpen als je niet weet waar je vandaan komt? Kan je heden helder zijn als het verleden uit schaduwen bestaat? Wat betekent identiteit als de bron ervan half verborgen ligt?’ Het duizelt Roos’ dokter, ze mag door naar een psycholoog.
Dielesen werkt als journalist en programmamaker bij het Amsterdamse debatcentrum De Balie. Ze theoretiseert, is nieuwsgierig. Dat pakt goed uit voor Je moeder, dat zo nipt het slachtofferverhaal ontstijgt – de stijl past namelijk wel bij dat laatste genre. Rechttoe, rechtaan proza waarin gevoelens worden uitgespeld; Roos voelt en voelt en voelt, Dielesen benoemt, benoemt, benoemt, cumulerend in een slothoofdstuk waarin Roos fantaseert over haar begrafenis. Zou haar moeder daar wél bij aanwezig zijn?
Het verhaal heeft die sentimentaliteit heus niet nodig, is van zichzelf al tragisch genoeg. Zo’n moedergemis gaat nooit over, dat blijkt maar al te goed, vooral als Roos zelf over kinderen fantaseert. Ze schrijft erover in een laatste brief aan M.: ‘Eén ding weet ik zeker: het wordt geen vergissing. Geen geschiedenis die zich stilletjes herhaalt. En als iemand me dan vraagt of ik spijt heb, zal ik zeggen: nee. Want ik heb gekozen. Bewust. Met open ogen. Met alles wat ik ben. En als mijn kinderen vragen wie jij bent, zal ik eerlijk zijn, over alles.’
Om dan toch af te sluiten met een ‘liefs, en voor altijd, je biologische dochter’. Dielesen kent pijn, maar beetje bij beetje ook berusting.
Rosalie Dielesen: Je moeder. Zwartjes & Labović; 240 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant