Home

Een Drentse akker blijkt vele sporen van neander­thalers te bevatten. De locatie bleef lang geheim

Honderden voorwerpen van neanderthalers haalden archeologen de afgelopen jaren uit een Noord-Drentse akker. Het gebied is een hotspot voor het Nederlandse neanderthaler-onderzoek, maar de onderzoekers hielden de exacte plek bijna twintig jaar geheim.

schrijft voor de Volkskrant over historische onderwerpen.

Drie stappen doet steentijdarcheoloog Marcel Niekus. Dan bukt hij naar de grond en raapt hij een stukje vuursteen op. Met zijn wijsvinger veegt hij de modder van het steentje. ‘Gewoon een steentje’, zegt hij. Een paar passen verder bukt Niekus opnieuw. Zelfde ritueel: met wijsvinger en duim poetst hij de aarde weg, en als hij constateert dat het opnieuw een gewoon stuk vuursteen is, slingert hij het brok met een boogje in de rand van de kale maïsakker.

Niekus, verbonden aan de stichting Steentijd Onderzoek Nederland (Stone) en buitenpromovendus aan de Universiteit Leiden, geeft leiding aan een groep amateurarcheologen die in de lage ochtendzon langzaam, maar keurig op rij, over een Noord-Drentse akker stappen, op zoek naar archeologische sporen van de neanderthalers die 50 duizend jaar geleden in een verre hoek van het veld een kampje hadden.

Meer dan 350 voorwerpen vonden Niekus en collega’s, geholpen door vrijwilligers en studenten archeologie, de afgelopen twintig jaar op het perceel langs de doorgaande weg tussen Donderen en Norg. Vuistbijlen, messen, schaven, kernen en zogeheten afslagen – de splinters en scherven die wegspringen bij het kappen van vuursteengereedschap. Bij een opgraving in een hoek van het veld, een stukje van 10 bij 10 meter, kwamen nog eens bijna driehonderd objecten tevoorschijn, waaronder minstens 35 vuistbijlen. De nu kale, natte maïsakker is de belangrijkste vindplaats van neanderthalersporen boven de grote rivieren.

De neanderthalers (Homo neanderthalensis) waren een voorganger van de homo sapiens. De vroege mensensoort leefde tussen 400 duizend en 40 duizend jaar geleden in Europa en het Nabije Oosten. Ondanks het enorme verspreidingsgebied was de totale populatie naar schatting op geen enkel moment groter dan 70 duizend personen. Dat betrekkelijk kleine aantal mensen heeft mogelijk bijgedragen aan het uitsterven van de soort.

De vindplaatsen in Drenthe liggen langs de uiterste noordgrens van het neanderthaler-leefgebied, en stammen van 40- tot 50 duizend jaar geleden, het zogeheten middenpaleolithicum, rond het midden van de laatste ijstijd.

Toevallige vondst

Tegenwoordig zijn er verspreid over de noordelijke provincies zo’n honderd echte neanderthaler-vindplaatsen, in grootte variërend van een of twee voorwerpen tot de 650 artefacten van bij Norg. De meest recente vondsten stammen uit december, toen vrijwilligers bij een veldverkenning op het Holtingerzand, niet ver van Havelte, drie stukken afslag vonden, ongeveer 50 duizend jaar geleden door neanderthalers van een vuursteen gekapt. Aanleiding voor die zoektocht was de toevallige vondst van een vuistbijl door een 12-jarige jongen tijdens een schoolreisje in het voorjaar van 2025.

De vindplaats tussen Donderen en Norg, een perceel van 275 bij 800 meter, begon ook met een toevalstreffer. Twintig jaar geleden zocht Niekus, destijds verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, met een collega en studenten naar steentijdresten bij Langelo, aan de andere kant van Norg. ‘Daar vonden we alleen wat stukjes bewerkt vuursteen uit een latere periode.’

Bij de lunch (‘een broodje kroket, of misschien was het ei, dat weet ik niet meer zeker’) kwam Niekus op het idee om nog even naar de huidige akker te gaan. Jaren eerder had een stenenzoeker langs de rand van het perceel een enkele neanderthaler vuistbijl gevonden. ‘Dat was een reden om nog even te gaan kijken.’ Diezelfde middag vonden de archeologen vier artefacten, waaronder nóg een vuistbijl. De vondsten vierden ze met taart, in een theehuisje aan de overkant van de weg.

Het gebied tussen de Drentse dorpen Norg, Peest, Zeijen en Donderen is een archeologische schatkamer. Op het nabijgelegen Noordsche Veld liggen resten van grafheuvels uit de late steentijd, de bronstijd en de ijzertijd, en er liggen raatakkers – sporen van akkerbouw uit de bronstijd. Direct daarnaast ligt een hunebed en onderzoekers vonden in het gebied bovendien resten van de zogeheten rendierjagercultuur van 15 duizend jaar oud.

Dankzij eerder bodemonderzoek hebben archeologen een goed beeld van hoe het gebied bij Norg er rond de laatste ijstijd uitzag. Niekus brengt zijn hand op schouderhoogte. ‘Je moet je voorstellen dat het maaiveld een flink stuk hoger lag.’ Dan wijst hij naar het langzaam stromende beekje aan de westkant van het perceel, op het eerste gezicht een doodgewone prutsloot. ‘Het Oostervoortsche Diep daar stroomde een stuk sneller en had steile, 4 meter hoge oevers. Meer een rivier dan een beek.’

Drie beekdalletjes stroomden destijds richting het westen, naar wat nu het Oostervoortsche Diep is. Juist langs die drie kleine dalen vonden archeologen het meeste materiaal, verdeeld over de wat prozaïsch genaamde locaties A, B en C. Op locatie A, op een stuk van 10 bij 10 meter, vonden de stenenzoekers tot nu toe het overgrote deel van de artefacten. Het was ook de plaats waar in 2011 de eerste opgraving werd gedaan. De 35 vuistbijlen lagen allemaal binnen locatie A.

Ondanks het grote aantal vondsten zijn er vooral veel onbeantwoorde vragen over de Noord-Nederlandse neanderthalers. Het is bijvoorbeeld nog niet duidelijk of de drie vondstlocaties in Norg bij elkaar horen, of dat het gaat om materiaal dat met lange tussenpozen, oplopend tot misschien wel tienduizend jaar, is achtergebleven.

Ook binnen de drie afzonderlijke plekken kan het tijdsverschil duizenden jaren zijn. En hoewel de voormalige vorm van het landschap goed bekend is, weten Niekus en collega’s nauwelijks iets over de lokale vegetatie. ‘Het zou mooi zijn als we bij booronderzoek of een opgraving een paar stuifmeelkorrels of takjes of andere organische resten vinden. Dan krijg je een beeld van wat hier groeide en misschien van wat de mensen aten.’

Alleen vuurstenen voorwerpen

Stille hoop is dat bij aanvullende opgravingen, mogelijk deze zomer al, houtskoolresten en verbrande vuursteen worden gevonden. Die verbrande stenen zijn dankzij zogeheten thermoluminescentiedatering tot op ongeveer 2.500 tot 5.000 jaar nauwkeurig te dateren. Daarmee krijgen onderzoekers houvast om de leeftijd van bodemlagen te bepalen, en daarmee dus ook de leeftijd van andere vondsten in die bodemlagen.

Tot nu toe vonden archeologen in het gebied uitsluitend vuurstenen voorwerpen, benadrukt Niekus. Organisch materiaal of zelfs botresten (‘Dat zou vrij groot nieuws zijn’) ontbreken. Slechts één keer vonden archeologen in Nederland skeletresten van een neanderthaler. Dat gebeurde in 2001, toen een zandzuiger voor de Zeeuwse kust een stukje schedel oppompte van de zeebodem. Dat stukje wenkbrauwboog, 6 bij 9,5 centimeter groot, kwam in een vondstenbak waar het door een amateurpaleontoloog werd herkend als neanderthaleroverblijfsel. Onderzoekers doopten het stukje schedel ‘Krijn’, naar de Noordzeezandbank waar het werd opgezogen.

Achttien jaar lang hielden archeologen de precieze locatie van de vindplaats bij Norg geheim. Dat gebeurde op aandringen van de boer die (‘volkomen begrijpelijk hoor’) vreesde dat allerlei stenenzoekers ongevraagd door zijn gewassen zouden denderen. Niekus en collega’s wilden met de geheimhouding bovendien mogelijke schatzoekers weghouden. Bij rapportages werden de vondsten aangeduid met ‘omgeving Assen’, en later ‘Peest’, de naam van een dorpje op 2,5 kilometer ten zuiden van het gebied. In werkelijkheid ligt de akker net iets dichter bij het veel grotere Norg.

Inmiddels is de akker aangekocht door de provincie Drenthe. Dat maakt het lastig de locatie nog langer stil te houden. Tegelijk is Niekus pragmatisch: ‘We hebben hier zóveel materiaal gevonden dat we een behoorlijk goed beeld hebben. En schatzoeken valt nog niet mee. Kijk om je heen: het ligt hier bezaaid met vuursteen. Je moet weten waar je moet kijken, anders herken je echt niet wat je zoekt.’

Slagbultjes

Ter illustratie pakt Niekus een plastic koelkastbakje met daarin een aantal eerdere vondsten. Hij wijst op een klein uitsteekseltje op een van de stenen, niet meer dan een millimeter groot, langs de bovenrand van een breukvlak. Vuursteen dat min of meer spontaan breekt, bijvoorbeeld door inwerking van vorst, heeft een ander breukvlak. Bewerkte steen, waar met een andere steen op is geslagen, heeft dergelijke slagbultjes, die het gevolg zijn van de manier waarop vuursteen breekt.

Terwijl hij met zijn laarzen door de tractorsporen en de natte grond stapt, bekijkt Niekus daarna de ene na de andere steen op zoek naar slagbulten. Die niet, die niet, die ook niet. Maar dan is het raak. In een hoek van de akker waar de voren volstaan met regenwater en waar de klei in dikke plakken aan je wandelschoenen blijft kleven, raapt vrijwilliger Henk een vuursteenscherf uit de grond. Na tientallen twijfelgevallen – ‘incertofacten’, in de woorden van Niekus – is dit een échte vondst, een stukje afslag dat ooit is weggesprongen bij het kappen van stenen gereedschap.

Het stukje steen, 2 bij 3 centimeter met glanzend wit patina, gaat in een doorzichtig ziploczakje met een veldnummer. In een notitieboekje schrijft Niekus details van de vondst: het nummer, datum en de naam van vinder Henk, die sinds het eerste begin meezoekt op de akker.

Met een nauwkeurige gps-ontvanger meten de archeologen de locatie. Ook die gaat in het notietieboekje. ‘Bij het vervolgonderzoek schrijf ik met Oost-Indische inkt het vondstnummer ook op de steen’, legt Niekus uit.

Een van de vormen van dat vervolgonderzoek is het ‘passen’, waarbij Niekus met eindeloos geduld losse stukken steen aan elkaar puzzelt. Zo slaagde hij erin om twee fragmenten van een vuistbijl die waarschijnlijk tijdens de laatste ijstijd door de kou was geknapt weer aan elkaar te krijgen. ‘Toch mooi, want je brengt twee stukken bij elkaar die tienduizenden jaren apart zijn geweest, en dan zie je ineens een stuk gereedschap van een neanderthaler.’

Archeologisch onderzoek naar Drentse neanderthalers maakte in de jaren zestig van de vorig eeuw een valse start met de ‘vondsten’ van amateurarcheoloog Tjerk Vermaning (1929 – 1987) uit Meppel, die in 1965 op een akker bij Hoogersmilde 127 stenen werktuigen zou hebben gevonden. De voorwerpen werden destijds voor 10 duizend gulden (omgerekend ruim 36 duizend euro) gekocht door de provincie Drenthe. Inmiddels bestaat brede overeenstemming dat de vondsten uit Hoogersmilde vervalsingen zijn, al liggen sommige objecten nog steeds in het Drents Museum, eufemistisch omschreven als ‘replica’, ‘Vervaardiger Tjerk Vermaning’. Het museum organiseerde in 2018 een expositie over de affaire onder de naam De Zaak Vermaning.

Vermaning vond tijdens zijn zoektochten óók twaalf echte neanderthaler-artefacten.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next