is cabaretier, presentator en columnist voor Volkskrant Magazine.
Als hardwerkende Nederlander wil ik mijn fiets kunnen neerkwakken waar ik ben. Overal in ons mooie land echter, tot in de kleinste dorpjes, worden plekken waar voorzieningen zijn zoals winkels – het doel van vele fietsritten – gedegradeerd tot voetgangersgebied, zodat de hardtrappende fietser zijn Batavus in een betuttelend rekje moet plaatsen en met zware boodschappentassen honderden meters op en neer moet lopen door de kou. En anders ontsieren middenstanders hun winkelruiten zelf wel met bordjes ‘Hier geen fietsen plaatsen’, bordjes die overigens aan geen enkele wet enig recht ontlenen, dus plaats uw fiets meteen tegen zo’n ruit, al was het maar uit principe.
Het ergste vind ik bewaakte fietsstallingen. Die hebben namelijk poortjes waar je een ov-kaart of bankpas voor nodig hebt, en daar hebben wij er thuis nogal wat van. We zijn immers een gezin met chaotische kinderen, om van hun ouders maar niet te spreken. Pasjes raken kwijt en wanneer een van ons het huis met enige haast verlaat (de enige manier waarop wij het verlaten), dan graait men gewoon het dichtstbijzijnde pasje mee, zodat ik regelmatig reis op ov-kaarten van mijn zonen, die op hun beurt in de schoolkantine afrekenen met onze bankpassen.
Het was dus met enig pessimisme dat ik mijn zoon naar een verre fietsenstalling reed, waarin hij zijn fiets had gestald om met zijn vrienden naar de bioscoop te gaan, en daarna om hem moverende redenen de bus naar huis had genomen en de fiets daar een week had laten staan, lang genoeg om de pasjes in zijn jas- en broekzakken een paar keer te laten rouleren, zo opperde ik, maar hij wist zeker dat hij had ingecheckt met de ov-pas die in zijn jas zat. Ik deed of ik hem geloofde en nam stiekem alle pasjes mee. Gelukkig maar, want het poortje van de fietsenstalling herinnerde zich zijn ov-pas niet. Helaas ook geen van de pasjes die ik bij me had gestoken.
‘Hallo?’, riep ik in de richting van het hok waar de bewaker zijn bewakingsdingen deed. Met een vragende blik kwam een man naar buiten. Ik legde het probleem uit, ervan overtuigd dat hij ons binnen zou laten. ‘Je kunt alleen je fiets halen met het pasje waarmee je bent ingecheckt.’ ‘Ja maar, die hebben we niet bij ons.’ ‘Heeft u thuis nog andere pasjes?’
‘Nee’, zei ik, wat waarschijnlijk klopte. ‘U kunt het poortje toch openen?’ ‘Dat mag ik niet zomaar.’ Ja nee, stel je voor zeg. Chaos, bandeloosheid, rellen in de straten. ‘Maar wat doet u normaal, als iemand zijn pasje kwijt is?’ ‘Je kunt er alleen in met het pasje waarmee je bent ingecheckt.’
Normaal vind ik dat soort sketches erg leuk. In de echte wereld niet. ‘Maar wat doet u’, herhaalde ik koppig, ‘als iemand zijn pasje kwijt is?’
Zonder iets te zeggen draaide hij zich om en liep hij zijn hok in. Een ronduit weirde eeuwigheid verstreek, toen schoof het poortje open. ‘Dank u!’, riep ik, maar er klonk geen antwoord. Samen liepen we naar de fiets. ‘Je moet in dit soort situaties onthouden’, zei ik triomfantelijk, ‘dat je nooit de eerste bent die dit overkomt, en niet de laatste. Er is altijd wel een mouw aan te passen.’ Toen we bij zijn fiets aankwamen, begon hij zijn zakken te doorzoeken naar zijn fietssleutel. ‘Eh, papa?’, zei hij.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Dit is een column uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns