Deugden en plichten Moet het idee van universele rechtvaardigheid ons leiden bij het streven naar een betere wereld? Of is deugdzaamheid het enige wat ons verder brengt? De Nederlandse denker Rutger Bregman zoekt het bij individuele moed en actie, de Duits-Israëlische filosoof Omri Boehm wil terug naar het universalisme van Kant.
Omri Boehm: Radical Universalism. Beyond Identity. The New York Review of Books, 176 blz. €25,99
Rutger Bregman: Morele revolutie. De Correspondent, 104 blz. €15,-
Aandacht voor deugden en plichten is helemaal terug, nu we (bijna) allemaal een kater hebben van het ‘lekker jezelf zijn’-feestje dat het liberalisme hier jarenlang heeft gevierd. Politici en opiniemakers grijpen terug naar deugden en plichten, die een grens moeten stellen aan het uitwonen van, zeg maar, de hele planeet.
Toch is Immanuel Kant (1724-1804), grondlegger van de moderne plichtethiek, niet erg in trek bij critici van de hedendaagse vrijblijvendheid. Bij hen is het eerder Griekse deugdethiek (Aristoteles) of de christelijke variant (Thomas van Aquino) die de klok slaat. Liever concrete deugden, in een fijne, herkenbare gemeenschap, dan de abstracte principes van Kant.
Gelukkig is er dan nog Omri Boehm, de filosoof die furore maakte met Radikaler Universalismus. Jenseits von Identität (2022), nu uitgegeven in het Engels. Zijn compacte boek is een hartstochtelijk pleidooi vóór het abstracte universalisme van Kant. Dat zou de beste remedie zijn voor het denken in allerlei versplinterde identiteiten (zwart, wit, gay, cis, nationalist, kosmopoliet) die allemaal hun rechten opeisen. Zo verliezen we uit het oog waar het echt om gaat, aldus Boehm: de intrinsieke waarde van ieder mens, waar Kant zijn ethiek op bouwde.
Zijn eigen identiteit is overigens ook best ingewikkeld. De Duits-Israëlische Boehm (1979) werd geboren in Israël, studeerde in Duitsland en werkt als docent aan de New School for Social Research in New York (hij schreef zijn manuscript in het Engels, de oorspronkelijke Duitse uitgave was dus een vertaling, niet deze editie).
Nu is Boehms kritiek op ‘identiteitsdenken’ op de keper beschouwd wel het minst origineel aan zijn boek. Polemieken tegen het opdelen van de mensheid of samenleving in strak afgesneden politieke, nationale of raciale hokjes zijn er inmiddels dertien in een dozijn, van behoudend links tot reactionair rechts. Boehm voegt daar weinig aan toe, hij zit met zijn kritiek op identiteitsdenken in dezelfde hoek als onder anderen de links-liberale filosoof Susan Neiman (Left is not Woke, 2023).
Verrassender – en ook gedurfder – is dat Boehms daar Kant voor gebruikt. De Duitse filosoof baseerde zijn plichtethiek op het idee van rationele autonomie. Als vrije rationale wezens zijn mensen in staat zich morele wetten op te leggen. Niet willekeurig, alleen volgens wat hij noemde de ‘categorische imperatief’: handel volgens regels waarvan je kunt willen dat die een algemene wet worden (niet stelen of moorden dus). Deugden en andere menselijke eigenschappen zijn minder belangrijk voor moraal dan de plichten die voortvloeien uit dit handelingsprincipe.
Boehm illustreert zijn verdediging van Kant met eigenzinnige, maar ook discutabele interpretaties (waarover straks meer) van enkele historische teksten van moreel belang. Onder meer de Gettysburg-toespraak (1863) van Abraham Lincoln over „een nieuwe geboorte van vrijheid” in de VS, de brief uit de gevangenis te Birmingham (1963) van dominee en strijder voor burgerrechten Martin Luther King en het Bijbelse verhaal van Abraham en zijn te offeren zoon Izaäk (ongedateerd). Uit al die verhalen trekt hij één conclusie: universele rechtvaardigheid gaat boven de eisen van concrete religies, politiek en cultuur.
Buiten de universiteitsmuren draagt hij die overtuiging ook uit. Een rede die Boehm (1979), kleinkind van Holocaust-overlevenden, in april 2025 zou houden bij een Buchenwald-herdenking in Duitsland werd geschrapt onder druk van de Israëlische ambassade. Boehm zou volgens de ambassade de Jodenmoord bagatelliseren door ook te spreken over de verdrijving en onderdrukking van de Palestijnen door Israël sinds 1948. De tekst werd alsnog afgedrukt in de Süddeutsche Zeitung en is nu als bijlage opgenomen in de Engelse editie van zijn boek.
Ook gecensureerd: Rutger Bregman. De Nederlandse wereldverbeteraar (geen ironie), beroemd geworden met De meeste mensen deugen (2019) en Morele ambitie (2024), bundelde drie lezingen die hij hield voor de BBC in Morele revolutie, een essay over moreel engagement. Gelukkig met een – feitelijk geheel correcte – zin over Trump („een veroordeelde crimineel” en „de meest openlijk corrupte president in de Amerikaanse geschiedenis”), die tot terechte verbijstering van Bregman door de BBC werd geschrapt, uit pure angst voor het Witte Huis. „Ongecensureerd” vermeldt het omslag dan ook – nooit weg.
Bij Bregman, oprichter van de School for Moral Ambition, zet vooral een verlangen naar engagement en actieve deugdzaamheid de toon. Hem gaat het om „moed versus lafheid, deugd versus ondeugd”. Morele vooruitgang is in zijn wereldbeeld in de eerste plaats het werk van moedige of zelfs heroïsche individuen die hun verantwoordelijkheid nemen. Zoals de Britse strijder tegen slavenhandel Thomas Clarkson die in 1785, op weg terug naar Londen, „van zijn paard stapte en besloot de geschiedenis te veranderen”.
Het lijkt een terugkeer naar ‘Grote Mannen’-geschiedenis. Bregman weet heus wel dat die fixatie op grote mannen „naïef, elitair en seksistisch” is, schrijft hij, maar hij vindt dat de aandacht voor „structuren” inmiddels is doorgeschoten, ten koste van onze „handelingskracht”. Wat individuen doen, maakt wel degelijk uit. Goed punt, maar op zijn beurt schiet Bregman door in zijn bewondering voor de dappere enkelingen aan wie hij zich spiegelt. Voortdurend verwijst hij naar „de slimste koppen”, „de knapste koppen” en, klap op de vuurpijl, „de slimste en knapste koppen”. Voordat zo’n knappe kop van zijn paard stapte, schoot het niet op met de strijd tegen de slavenhandel, meent hij.
Zou het? Natuurlijk doen individuen die zich op een nobele zaak storten ertoe en het is goed dat Bregman zijn lezers oproept ernst te maken met de zaak. Maar toch. Geen woord over het langdurige verzet van slaven zelf en hun opstanden in plantagekolonies als Haïti, waar in 1791 een wereldschokkende revolutie uitbrak. Geen woord over het Zwarte abolitionisme in de VS, over de gewapende rebellie van John Brown of over de langdurige, verhitte politieke strijd over slavernij die het land decennia ontwrichtte. De burgeroorlog daar kwam echt niet uit de lucht vallen. Vreemd genoeg ook geen woord over het toch dappere individu Harriet Beecher Stowe, auteur van Uncle Toms’s Cabin (1852), over wie Lincoln ooit zei – Bregman anticiperend – „aha, dus dit is het vrouwtje met wier boek de oorlog begon”.
Trouwens, over morele voorbeelden gesproken: ook over Bregmans „levenslange gids”, de slimme en knappe kop Bertrand Russell (1872-1970), valt wel meer te zeggen. Bregman bewondert de „pure rijkdom” van diens leven („vier keer getrouwd”) en daar is reden toe. Maar een toonbeeld van deugdzaamheid kun je Russell toch moeilijk noemen. Ontwrichte huwelijken, chronisch overspel, verbitterde kinderen en kleinkinderen die, aldus Russells biograaf Ray Monk, nog na zijn dood leden onder „spoken” uit de familiegeschiedenis.
Maar goed, wat doet het er eigenlijk toe? Morele revolutie is veel meer een moreel appèl dan een doortimmerd betoog. Bregman wil mensen wakker schudden uit het fatalisme van ‘je doet er toch niks aan’ tegenover the powers that be – en daarvoor gebruikt hij elk intellectueel gereedschap dat hem voor handen komt. Hij pleit voor leven volgens de deugden, maar net zo makkelijk voor „een nieuw sociaal contract”, een abstractie waar deugdethici nu juist weinig of niets van moeten hebben. De samenleving is voor hen een historisch gegroeid geheel, geen (liberaal) contract tussen individuen.
Even merkwaardig is zijn resolute afwijzing van de vrije wil. Bregman is ervan overtuigd geraakt (wellicht door het boek Waarom schurken pech hebben en helden geluk van zijn vriend Jurriën Hamer), dat „onze levens worden gevormd door krachten die we zelf niet hebben gekozen”, zodat er „niets over[blijft] van het idee dat mensen iets ‘verdienen’.” Hoe dat valt te rijmen met zijn lofzang op morele helden die van hun paard stappen en met zijn oproep hun voorbeeld te volgen, blijft raadselachtig. „Begrijp me niet verkeerd”, maant Bregman zijn lezers ook in dit korte boek weer, een van zijn amicale mantra’s. Helaas valt ook daar, door krachten die we niet zelf hebben gekozen, niets aan te doen.
Bij vlagen lijkt Bregman in zijn enthousiasme zo ten prooi te vallen aan wat zijn vriend Hamer (die spijtig genoeg ook dat betuttelende ‘begrijp me niet verkeerd’ van hem heeft overgenomen) in zijn recente boek Wat vrijheid van je vraagt noemt „een roes van optimisme”. Dat kun je van Hamer zelf – die de nadruk legt op plichten om mensen tegen zichzelf te beschermen – in elk geval niet zeggen. Bij hem is het probleem eerder wat er nog liberaal is aan zijn poging het volgens hem „verkeerd begrepen” liberalisme te herijken door het onder te dompelen in een wisselbad van deugdenethiek en zondebesef.
Daarbij vergeleken is Boehm radicaler. Net als Bregman streeft hij naar morele vooruitgang (zij het niet ‘revolutie’), alleen zoekt hij het niet in deugdzaamheid maar in een terugkeer naar de morele basis van het liberalisme, Kants inzicht van universele menselijke waardigheid. Uit dat idee spruit de plicht voort mensen ook altijd te behandelen als doel op zichzelf en niet louter als middel. Boehm verwijst naar Kants adagium dat twee zaken ons met ontzag vervullen: de oneindige sterrenhemel boven ons en het besef van de ‘morele wet’ in onszelf, als rationele wezens. Oog voor dat universalisme wijst volgens Boehm de weg uit het doolhof van concrete eigentijdse identiteiten die met een beroep op hun rechten langs elkaar heen leven.
Helaas perst ook hij in zijn ijver om zijn betoog te illustreren de feiten in een filosofisch keurslijf. Boehm ziet de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) als strijdtoneel van één abstract ideaal. Onder leiding van Lincoln streed het Noorden in de geest van Kant voor universele rechtvaardigheid – en dus een einde aan de mensonterende slavernij – en niet in de eerste plaats voor herstel van de verbroken federale Unie.
Dat is het betere Hineininterpretieren. Amerikaanse historici vliegen elkaar nog geregeld in de haren over de oorzaken van de oorlog en Lincolns houding tegenover de slavernij. Goedpraters van het Zuiden propageren dat slavernij niet de oorzaak van de oorlog was en Lincoln maar weinig kon schelen. Het eerste is aantoonbaar onjuist: zonder slavernij geen scheuring en geen Burgeroorlog. Ook over Lincolns afkeer van slavernij kan geen enkele twijfel bestaan, maar hij was als politicus realist genoeg om te beseffen dat noodzakelijke morele hervormingen stapvoets gaan en soms concurreren met de eisen van de staat (Hamer heeft daar in zijn boek een goed oog voor).
Zijn rechtlijnigheid in die voorbeelden bewijst dat er voor Boehm meer op het spel staat dan feitelijke geschiedschrijving. Hij vecht een oudere, filosofische strijd uit tussen abstracte Duitse metafysica en de traditie van Amerikaans pragmatisme. John Dewey (1859-1952), grondlegger van het pragmatisme, en diens postmoderne nazaat Richard Rorty (1931-2007) vinden in zijn ogen geen genade. Zij gaven de voorkeur aan werkbare inzichten en oplossingen boven de absolute aspiraties en systematiek van Duitse metafysica. Iets van die tweedeling is trouwens te herkennen bij de Nederlanders. Met zijn mobiliserende retoriek is Bregman sterk Amerikaans, terwijl Hamer (ondanks zijn Bregmanismen) voortploegt als noeste, continentale denker.
De scherpste illustratie die Boehm in zijn betoog geeft, is het Bijbelse verhaal van aartsvader Abraham die bereid is zijn zoon Izaäk te offeren om zijn geloof in God te bewijzen, tot een engel hem van de finale daad afhoudt. In een eigenzinnige tekstanalyse concludeert hij dat Abraham weigerde aan de eis van God te voldoen en is de reddende engel een latere toevoeging. Het is een discutabele interpretatie, maar het punt dat Boehm wil maken is interessant genoeg: ook God zelf is ondergeschikt aan de eis van universele rechtvaardigheid.
Je kun ook daar weer – begrijp me niet verkeerd – van alles op afdingen. Maar alles bij elkaar is Boehms essay wel een tijdige herinnering aan de waarde van het gesmade liberale universalisme, ook voor wie twijfelt tussen renovatie en sloop ervan. Voor het eerste is in elk geval meer nodig dan heldenverering (Bregman) of corrigeren wat er ‘verkeerd begrepen’ aan is (Hamer). Zouden we dan niet gewoon beter af zijn zónder liberalisme? Wie de vraag ontkennend wil beantwoorden, heeft nog altijd veel aan die oneindige sterrenhemel en het morele universalisme van Kant.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews