Gedragspsycholoog Sanne Cornelissen schreef twee boeken over hoe we moeten omgaan met AI. Ze blijft geloven dat AI ons slimmer kan maken, maar is wel van haar roze wolk afgedaald. ‘Het is essentieel dat wij als mens aan het stuur blijven.’
is techredacteur van de Volkskrant, gespecialiseerd in de impact van kunstmatige intelligentie op de maatschappij.
‘We zijn gewoon gebouwd op luiheid.’ Gezeten achter een cappuccino in een Amsterdams café zegt Sanne Cornelissen het lachend, maar haar boodschap is bloedserieus. ‘Omdat ons brein zo’n enorme energieverslinder is, kiest het van nature de eenvoudigste, efficiëntste weg.’
De menselijke hersenen maken slechts 2 procent van ons lichaamsgewicht uit, maar verbruiken ondertussen zo’n 20 procent van de totale energie. Die luiheid waar ze het over heeft is geen zwakte, maar eerder een overlevingsmechanisme.
In het tijdperk van alomtegenwoordige AI is dit tegelijk een achilleshiel. Want laat AI nou net inspelen op onze zucht naar efficiency: omdat AI fungeert als een extreem verleidelijke makkelijke knop die met minimale moeite direct resultaat levert, speelt ze feilloos in op deze biologische drang om energie te besparen.
Cornelissen (32) studeerde psychobiologie en economische en consumentenpsychologie. In korte tijd schreef ze twee boeken over AI en hoe we met deze relatief nieuwe technologie omgaan in ons dagelijkse leven. Vorig jaar verscheen Me, Myself & AI, deze maand This is not AI.
De laatste tijd is er veel aandacht voor de negatieve kanten van het gebruik van AI in het professionele en persoonlijke leven, zoals de eenvormige en clichématige teksten die de chatbots uitspuwen, de fouten die ze maken en de gevolgen voor ons brein als we ons denken uitbesteden aan machines.
In haar tweede boek staat Cornelissen vooral bij dat laatste verschijnsel uitgebreid stil, voordat ze overgaat op een serie praktische tips om tóch goed om te gaan met AI.
U bent nog steeds enthousiast over AI, schrijft u. Maar u schrijft ook dat u van uw roze wolk bent gekomen. Wat is er veranderd?
‘Ik geef veel lezingen, workshops en trainingen en merk in de gesprekken dat mensen steeds minder gaan nadenken. Als ik een jaar geleden vroeg wie er AI gebruikt, gingen er aarzelend een paar handen in de lucht. Nu vraag ik: wie merkt dat hij luier wordt door het gebruik van AI? Dan gaan steeds meer handen de lucht in.’
Misschien is dat ook wel een sociaal wenselijk antwoord, omdat mensen steeds meer lezen over wat ‘breinrot’ (de cognitieve achteruitgang die wordt geassocieerd met AI-gebruik) wordt genoemd? Worden uw bevindingen ook gestut door wetenschappelijk onderzoek?
‘Zeker. Er is veel onderzoek naar een psychologisch fenomeen dat ‘cognitieve offloading’ wordt genoemd, het uitbesteden van ons denkwerk aan technologie.’
Cornelissen haalt in haar boek onder andere een studie van het Massachusetts Institute of Technology aan. Onderzoekers lieten mensen in drie groepen een tekst schrijven: helemaal zelf, met hulp van Google, en met een AI-chatbot zoals ChatGPT. De groep die de chatbot gebruikte, vertoonde een aanzienlijk lagere hersenactiviteit en wist vijf minuten later nauwelijks nog wat er in hun eigen tekst stond.
Daar bleef het niet bij: toen zij daarna zonder hulp van de chatbot verder moesten, lukte het niet meer om op hetzelfde denkniveau te komen als de mensen die zelfstandig waren begonnen. Hun brein was als het ware in een soort slaapstand geschoten waar het moeilijk weer uitkwam. Cornelissen: ‘De studie is niet helemaal onomstreden vanwege haar opzet, maar ook ander onderzoek komt tot vergelijkbare conclusies.’
Ook bij ervaren experts treedt dit fenomeen op. Onderzoek van vorig jaar toonde aan dat artsen (die al duizenden darmonderzoeken hadden uitgevoerd) gewend raakten aan AI-hulp bij het opsporen van darmpoliepen. Toen zij vervolgens weer zonder AI moesten werken, gingen ze significant slechter presteren. AI leidt tot ‘deskilling’, luidde de conclusie.
U vergelijkt chatbots met een exoskelet. Leg eens uit.
‘AI fungeert op precies dezelfde manier, maar dan voor het brein. Zo’n skelet kan heel handig zijn voor mensen die hulp nodig hebben bij het lopen, zodat hun spieren kunnen ontspannen. Maar als je continu zo’n pak blijft dragen, kun je uiteindelijk niet meer lopen zonder het pak, omdat je spieren slapper worden. Met chatbots werkt het net zo: omdat de technologie veel gemak en efficiency biedt, raak je snel in de verleiding om steeds weer die makkelijke knop in te drukken en je brein buiten spel te zetten. En net als bij je spieren geldt voor het denkvermogen: wat je niet actief gebruikt, dat slijt. Je bouwt een cognitieve schuld op.’
En ondertussen krijgen mensen complimenten van hun baas en duimpjes op hun door AI gegenereerde LinkedIn-post, omdat ze zo lekker bezig zijn…
‘Ja, dat zie ik ook en dit maakt het nog lastiger om er los van te komen. We dreigen in een vicieuze cirkel terecht te komen. Je typt je prompt in en AI komt razendsnel met een prima resultaat. Dat kan voelen alsof je zomaar een uur werk cadeau krijgt, wat voor ons brein een enorme beloning is voor heel weinig moeite. Dat voelt fijn. En het brein onthoudt dit succes, waarmee een nieuwe routine ontstaat. Want ook daar is het brein dol op. Maar omdat je minder nadenkt, train je dit vermogen niet meer en word je onzekerder over je eigen vermogens, waardoor je je werk nóg weer vaker uitbesteedt aan AI en het steeds moeilijker wordt om zelf kritisch na te denken en te formuleren.’
Het is moeilijk te geloven dat u nog altijd positief bent over AI.
‘Nou ja, ik neem bewust een soort middenpositie in. Ik zie de gevaren, maar wijs AI niet helemaal af, omdat ik nog altijd denk dat AI ons ook slimmer kan maken.’
Hoe? U bent gedragspsycholoog. Wat moeten we doen om niet in die vicieuze cirkel terecht te komen?
‘Ik ga uit van mijn MAM-principe, Mens-AI-Mens. Het is essentieel dat wij als mens aan het stuur blijven. Voordat we ons AI-gereedschap opstarten, moeten we weten wat het doel en de context van een opdracht is. Dat doe je door een rommelige eerste opzet te schrijven waarbij je je focust op de inhoud. Daarna kan AI nutttig zijn als brainstormpartner, door te pingpongen over ideeën. Maar trap daarna niet in de val door de AI-zinnen letterlijk over te nemen. Controleer alles, kopieer nooit blindelings.’
U stelt dat AI ons niet dommer hoeft te maken als we het stuur maar vasthouden. Maar ontkent u hiermee niet de macht van de techgiganten die deze systemen bewust ontwerpen als verslavende gemaksmachines? Vecht het individu niet een kansloze strijd tegen de ontwerpers in Silicon Valley?
‘Het is hard werken, geef ik toe. Op de een of andere manier moeten we nieuwe routines zien te ontwikkelen. Dat kan ook door bewust pauzes in te bouwen zodat je niet automatisch naar een chatbot grijpt. Als ik gehaast ben, en dat ben ik van nature, heb ik zelf ook de neiging om – hup – op die knop te drukken en de zinnen van AI te kopiëren. Dat zal iedereen hebben. Maar ik heb geleerd om juist op die momenten even adem te halen.’
Kan dat wel, in een wereld die gehaast is en van deadlines aan elkaar hangt? Bij een werkgever die stuurt op efficiency?
‘Het is een maatschappelijk probleem. AI heeft de belofte saai en repeterend werk over te nemen, zodat we meer tijd hebben om na te denken. Je ziet nu dat werkgevers de vrijgekomen tijd volproppen met nog meer werk zodat we nog productiever worden. Dat is een doodlopende weg. Maar het begint al op scholen, waar kinderen nu opgroeien met AI. Je moet naar een heel andere vorm van onderwijs toe, dat minder gericht is op het resultaat, maar meer op het proces.’
We zijn nog niet verloren, wil ze maar zeggen. ‘Als ik naar de toekomst kijk, dan denk ik dat het menselijke aspect weer belangrijker zal worden. We zitten in een fase dat gladgestreken AI-teksten nog geaccepteerd worden, maar nu al zie je dat mensen daar genoeg van beginnen te krijgen.’
Alles over tech vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant