Na een flinke burn-out ontwikkelde Frank een angststoornis. Zijn vrouw Renske zag hem geestelijk en lichamelijk lijden: ‘Angst vreet je lichaam op’. Een zelfgekozen dood leek zijn enige uitweg.
interviewt nabestaanden voor haar rubriek Leven na de dood in Volkskrant Magazine
Renske Tromp (67, met pensioen): ‘In 2016 is Frank over de kop gegaan. Letterlijk zei hij: ik heb het gevoel dat ik altijd mijn best moet doen om er te mogen zijn. Zijn laatste psychiater, dat was een goeie, eentje die buiten de regeltjes van de reguliere GGZ durfde te treden, noemde het woord hechtingsproblematiek, hij deed werkelijk moeite om Frank te begrijpen. Die daarvóór opperde: naar een dagbesteding. Ik zei: Frank schildert, hij wandelt, hij kookt, hij hééft een dagbesteding. Toch was hij aan het einde óp. Hij kon niet meer, ook fysiek niet, angst vreet je lichaam op. Heel soms betrap ik me op de gedachte: had ik wel moeten instemmen met zijn levenseinde? Maar dan weet ik: het is maar een gedachte, die glijdt weer voorbij. Want ik kon niet anders dan ermee instemmen. En ik kan leven met de keus die Frank heeft gemaakt.
‘We leerden elkaar kennen toen ik 27 was en hij 29. Hij werkte net als ik in de hulpverlening en kwam bij mij op sollicitatiegesprek. Toen hij binnenkwam, dacht ik meteen: wauw. Ik ben nog eens op een zondag dat hij moest werken met een vriendin naar de instelling gereden, zogenaamd om iets op te halen, omdat ik hem wilde laten zien. Hij was een knappe man, en mijn grote liefde, de 36 jaar dat we samen zijn geweest, pakt niemand mij meer af. Ik mis hem ook lichamelijk; niemand meer die je vasthoudt, niemand om tegenaan te kruipen ’s avonds op de bank. Die, als je binnenkomt, zegt: ga zitten, hoe was je dag? Dan had ik altijd wat te vertellen: die collega dít, of onderweg dát – in zulke dingen zit het grootste gemis.
‘De jaren van 2000 tot 2016 waren achteraf gezien de gewoonste, gelukkigste gezinsjaren. In 1993 waren we ons eerste kindje verloren na een voldragen zwangerschap, Eva, een dochter. Een stille dood, noemen ze dat: op de dag van de bevalling klopte haar hartje niet meer. Daar was toen weinig aandacht voor. Nu is dat anders, je wordt begeleid en alles, maar toen: Eva werd naar het mortuarium gebracht en wij konden naar huis. Daar zit je dan, je weet niet wat je móét. Frank is er in de tijd erg voor mij geweest, hij luisterde, hij steunde me. Zijn eigen emoties uitte hij niet, hij wilde er voor míj zijn. Het verdriet is bij hem naar binnen geslagen, heb ik later wel gedacht.
‘In 1994 werd onze tweede dochter geboren, nu 31, in 1996 onze zoon. Een paar jaar later verhuisden we naar dit huis in Arnhem, we hadden leuk werk, het leven was goed. Frank was veel met spiritualiteit bezig, en met boeddhisme, tai chi, shiatsu, maar, zei hij weleens: jij houdt me geaard. Hij was ook kunstenaar, steenhouwer; hij kon er helemaal in opgaan als hij stond te hakken. Voor de kinderen was hij een ontzettend lieve vader, die luisterde en ze stimuleerde, zonder dat het moeten werd. Mij bracht hij op zondagochtend ontbijt op bed als de kinderen VPRO-programma’s keken, ’s middags maakten we een boswandeling, we hadden altijd wat te kletsen en te lachen samen. Hij was helemaal niet zwaarmoedig, dat is pas later gekomen, na zijn burn-out.
‘Die kwam in 2016, Frank was toen 59. Hij volgde naast zijn baan een opleiding tot shiatsu-therapeut en moest daar, toen nog, een pittig medisch examen voor afleggen, terwijl hij ook al mensen behandelde. Het was te veel. Maar hij ging maar door, over zijn grenzen heen, hij werkte zich over de kop. Op de avond dat hij hoorde dat hij een vette 9 had voor dat examen, is hij ingestort. Hij kon niet slapen, daar begon het mee, soms nachten achter elkaar.
Met een slaappil lukte het een beetje, maar op een gegeven moment was hij bang dat hij heel zijn leven aan de pammetjes zou zitten. En later was hij overál bang voor: trillen, zweten, paniek. Een angststoornis, luidde de diagnose. Niet specifiek bang voor iets of iemand, het was levensangst. Dan heb je het over zwaar psychisch lijden. Ik zag hoe radeloos hij was en kon er niets aan doen.
Er voor hem zijn, ja, en dat deed ik ook, maar dat kon niet verhelpen dat hij vaak niet meer wist waar hij het zoeken moest. Lopen, eindeloos lopen rond de meertjes hier in de buurt, dat was wat hij deed, en daar dan op een bankje gaan zitten en veel roken. En mij bellen: kom je eraan? Hij kon ook hele dagen op bed liggen, op zolder, te uitgeput om onder de mensen te komen. Eten bij vrienden deden we niet meer, want hij schaamde zich. Als íemand altijd met aandacht naar anderen luisterde, was het Frank. Maar hij kon het niet meer opbrengen.
‘De eerste vijf jaar dachten we nog dat het goed zou komen. De laatste twee jaar was die hoop vervlogen. Toen Frank over euthanasie begon, heb ik hem gesteund. Hij is bewust gestopt met eten en drinken – via de reguliere weg zou euthanasie twee jaar gaan duren. We waren allebei bang dat hij zichzelf in die tijd iets aan zou doen en zelfmoord wilden we absoluut voorkomen, ik moest er niet aan denken hem te vinden op een dag.
‘Elke 5 milliliter water die je drinkt, betekent een dag levensverlenging, dus je moet sterk in je schoenen staan. Hij heeft in de ruime week die het geduurd in de badkamer gestaan met een glas water in zijn hand, hij keek me aan, maar hij dronk niet. Diep vanbinnen was hij vastbesloten. En toen hij zijn laatste adem uitblies, de kinderen en ik waren om hem heen, waren we trots en zeiden we: ‘Wat een kracht, hij heeft het gedaan.’ Het is gegaan zoals hij wilde, en bovendien: wat voor leven had hij nog gehad?
‘Het gemis wordt steeds groter. Het eerste jaar heb ik een pelgrimsroute gelopen, yoga weer opgepakt, regelmatig een rouwcafé bezocht, allemaal dingen die goed zijn geweest. Het tweede jaar heb ik veel opgeruimd en ben ik drie weken alleen naar Frankrijk geweest. Toen dacht ik nog: volgend jaar Portugal. Maar nee, ik ga niet, ik ben moe. Eerst stond ik nog áán, zo zeggen ze dat tegenwoordig, maar nu, ik weet niet, het wordt moeilijker. Voor anderen is het onderwerp Frank steeds minder aan de orde. De kinderen gaan door met hun leven, en dat is natuurlijk alleen maar goed.
‘Een bron van geluk is mijn kleindochter van ruim een jaar. Ik pas een dag per week op en dan speelt ze vaak bij een hoekje van de vensterbank waarop een foto van Frank staat. Dan is hij er gewoon bij. En ik heb me aangesloten bij een collectief-wonen-groep, het pand moet nog gebouwd. Straks ga ik wonen met allemaal mensen die Frank niet hebben gekend. Ik zit in een overleggroep, een van de medebewoners was bij me thuis en ik zei iets over de beelden van Frank in de tuin, waar moest ik die laten? Zegt hij, verschrikkelijk lief vond ik dat: helder, die beelden gaan allemaal mee.’
Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl
Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.