Home

Ziek, zwak of misselijk? Lees P.G. Wodehouse en je knapt zienderogen op

Als een man ziek is, wil hij zijn moeder, schreef Philip Roth. Maar Gijs van Engelen wilde P.G. Wodehouse, de enige schrijver die hem op de been houdt. Wat maakt diens werk zo heilzaam?

Toen de essayist Christopher Hitchens te horen had gekregen dat hij ziek was en niet meer beter zou worden, lag er een stukgelezen paperback naast zijn ziekenhuisbed. Zijn ogen schoten bezorgd naar het boek en weg, steeds opnieuw.

Christopher Buckley, een bevriende schrijver op bezoek, vroeg hem wat er was. ‘Als dit niet werkt’, verzuchtte Hitchens, ‘wat dan wel?’

Dit was zijn laatste toevlucht, het warmste bad dat hij kende: een roman van P.G. Wodehouse.

Over de auteur
Gijs van Engelen is presentator van de podcast Geschiedenis Inside en schrijver van de onlangs verschenen historische roman Hoop & vrees.

Bij ons heeft Pelham Grenville ‘Plum’ Wodehouse (1881-1975) een fanatieke maar kleine fanschare. In Groot-Brittannië is hij een icoon. Eigenlijk zijn al zijn ruim negentig (!) boeken klassiekers, maar vooral de romans en verhalen over de dommige gentleman Bertie Wooster, de lanterfant die telkens in de problemen komt om vervolgens door zijn briljante butler Jeeves te worden gered, zijn een begrip.

Vorig jaar werd uitgebreid stilgestaan bij zijn vijftigste sterfdag, met theatertours, podcasts, tentoonstellingen en nieuwe uitgaven.

Iedereen die wel eens een Wodehouse heeft opengeslagen, begrijpt Hitchens: zijn boeken zijn als een warme deken voor de koudste dagen, altijd hartelijk, hilarisch en gul.

Online zijn legio getuigenissen te vinden die hoog opgeven van Wodehouse’ medicinale werkingen. Acteur Hugh Laurie, die in een Jeeves en Wooster-adaptatie speelde, zegt zelfs dat Wodehouse zijn leven heeft gered. Grote woorden.

Ziek, zwak en Wodehouse: het lijkt overdreven, dacht ik, tot ik zelf ziek werd en beschutting zocht onder het afdak van Plum.

Gevangenis

Want ik werd ziek. Het begon, zoals bij zovelen, met het opstaan uit een stoel. Of beter gezegd: het níét opstaan.

Ik wilde wel, maar ik kon niet. Na een aantal weken van uitputting, toch doorwerken, overprikkeld chagrijn, toch doorwerken, slaaptekort, toch doorwerken, een beginnend gevoel van algehele malaise en tóch doorwerken, lukte het me niet meer om overeind te komen.

Voor een gezond iemand heet dat vakantie, voor de opgebrande is het een sprong in het diepe. Je bent alleen met je onrust, stress en uitputting. Je hebt de energie noch de helderheid om jezelf af te leiden. Ik snakte naar boeken, films en muziek, maar mijn uitpuffende zenuwstelsel kon ze niet aan.

Een gevangenis dus. De enige ontsnapping: het audioboek (ik kon immers niet zelf lezen) The P.G. Wodehouse Collection, in twee delen van elk veertig uur, voorgelezen door Stephen Fry. En plotseling werd alles lichter, fijner, warmer.

Engels alsof het Lego is

Ik begon, zoals de meeste lezers, bij de boeken over Bertie en Jeeves.

Ogenschijnlijk heeft het allemaal weinig om het lijf: Bertie moet iemand van een probleem afhelpen, komt daardoor zelf in de problemen, verwikkelingen volgen elkaar in rap tempo op, en uiteindelijk lost Jeeves alles op met een briljante ingreep.

De bij mij favoriete ‘Blandings Castle’-boeken, over een statig landgoed vol maffe ooms en tantes, zijn radicaler, met nog meer verwikkelingen, crises en altijd wel een ontvoering van Lord Emsworths waanzinnige prijsvarken. De lol zit hem in de enorme complexiteit van de klucht aan de ene kant – de virtuoze manier waarop een waaier aan verwikkelingen constant samenkomt in totale chaos – en de stupiditeit van al die verschillende puzzelstukjes aan de andere kant.

Kluchten zijn leuk, maar worden snel flauw. De plot is hier dan ook niet de hoofdattractie. Dat is de taal. Wodehouse zit vol typisch Brits taalspel, zoals de onvertaalbare klassieker ‘I could see that, if not actually disgruntled, he was far from being gruntled.’

Of, beter vertaalbaar: ‘Hij had de blik van iemand die de beker van het leven tot de bodem had leeggedronken, om er een dood kevertje te vinden.’

Hier wordt gespeeld met Engels alsof het Lego is. Niet alleen in grapjes, nee, het hele ritme van zijn taal is uniek, de lichte toets, de springerige cadans… Het is een stijl zo vrolijk, maar ook zo verfijnd en bloemrijk dat we die niet anders dan literair kunnen noemen. Een Wodehouse-personage is niet dronken, hij is ‘oiled, boiled, fried, plastered, whiffled, sozzled, and blotto’.

Een Wodehouse-personage schrikt niet, nee, ze ‘leaped a liberal inch and a half from terra firma’.

Een blik is ‘aan het manuscript gekluisterd als die van een pekineeshondje aan koffiesuiker’. Hier wordt geen waarachtige, dramatische wereld neergezet: het is een cartoon in woorden. Maar wel geschilderd met het ragfijne penseel van een meester.

Humor en literatuur

‘Is het wel literatuur?’

Dat vroeg de interviewer zich direct af, toen schrijver Arie Storm zei zich aan Wodehouse uit het dal te trekken, telkens als hij zich somber voelt.

Of humor en literatuur bij elkaar horen, is voor veel lezers inderdaad maar de vraag, bij uitstek in de wat ernstige Nederlandse boekencultuur.

We koesteren, meer dan de Engelsen, een zeker wantrouwen tegen grappige schrijvers, alsof elke lach ten koste gaat van het literaire gehalte. We kunnen het wel, dat lijdt geen twijfel. Peter Buwalda schrijft in de Volkskrant een absoluut hilarische column, maar in zijn romans houdt hij de humor buiten de deur.

Het zou immers onbetamelijk zijn, toch? Dichter Joost Oomen schreef onlangs een cri de coeur in NRC: ‘Schrijver, durf eens een malloot te zijn!’

Hoe goed Buwalda ook is, als ik het komische talent in zijn columns zie, hoop ik dat hij Oomens stuk een keer ter harte neemt. Wat een revolutie zou dat zijn, een komedie als slotstuk van de ‘Otmars zonen’-trilogie!

Grote literatuur is zo vaak humoristisch. Bij mijn eerste lezing van Anna Karenina viel ik van de ene verbazing in de andere: wie had gedacht dat Tolstoj zo grappig zou zijn? James Joyce’ Ulysses is moeilijk-modernistische literatuur par excellence, maar toch ook echt een komedie. Zelfs Hamlet is regelmatig hilarisch: de dialogen met Polonius zouden niet misstaan in een sitcom.

Nederlandse schrijvers hebben daar gemiddeld (uitzonderingen zijn er uiteraard altijd genoeg) weinig boodschap aan. Ernst levert je prijzen op, morele ernst het liefst.

Prima, maar het is zo onnodig: een boek zonder humor is een boek met astma.

Eeuwig 1925

Tijdens het luisteren naar het mega-audioboek voorgelezen door Stephen Fry, die Wodehouse met zijn grappige stemmetjes en perfecte dictie naar een nog hoger plan tilde, barstte ik regelmatig in lachen uit.

De dag begon te bewegen op het ritme van die geweldige, vrolijke taal. Maar minstens zo belangrijk was de wereld die ermee werd beschreven.

Wodehouse schrijft over aaibare, klunzige aristocraten. Upstairs, Downstairs dus, maar wars van Downton Abbey-eske rijkeluisvoyeurisme. Want Wodehouse was, zowel persoonlijk als in zijn werk, geen class-conscious snob. Hij zag zijn aristocraten als infantiele, blutte nietsnutten, volledig afhankelijk van het familiekapitaal.

Het schemert in de Britse elite, decadentie en inertie vreten aan de fundamenten, maar de avond is prachtig en zonovergoten. Een bijzondere paradox, die een vreemd soort nostalgie mogelijk maakt naar een wereld die nooit écht is geweest.

Hoewel hij schreef tot in de jaren zeventig, bleef het in Plums boeken eeuwig 1925. Een gezellige cartoonversie van laat-imperiaal Groot-Brittannië, mild satirisch, hoogst romantisch. Een soort zorgeloze kindertijd, waarin strenge familieleden je enige vijanden zijn en er verder nooit echt iets verandert.

Wodehouse’ leven verklaart een hoop. Afkomstig uit de hogere middenklasse, opgevoed door iedereen behalve zijn eigen ouders, kwam hij op school in aanraking met jongens uit de aristocratie. Zijn chums gingen later, uiteraard, naar Oxford of Cambridge, maar de arme Wodehouse kreeg tot zijn grote schrik te horen dat het familiefortuin was opgedroogd.

Geen Oxbridge voor P.G.

Zonder te veel te psychologiseren zouden we toch kunnen stellen dat hij een manier vond om toch met ze mee te gaan, zijn schoolmaatjes, door ze als romanpersonages constant om zich heen te verzamelen.

Stuk voor stuk heren van stand, maar vooral ook lanterfantende oenen. Ze lijken verdacht veel, kortom, op schoolkinderen.

Tweede Wereldoorlog

Rond het uitbreken van de oorlog ging het mis voor Plum.

Opgelicht door zijn boekhouder zag hij zich gedwongen om te vluchten voor de Britse fiscus. Eenmaal in Europa brak de Tweede Wereldoorlog uit, en de schrijver belandde zelfs in een Duits ge­van­ge­nen­kamp in Zuid-Polen.

Hij vermagerde flink, medegevangenen pleegden zelfmoord, maar hij bleef onverstoorbaar kwinkslagen uit zijn mouw schudden: ‘Als dit Opper-Silezië is’, schreef hij, ‘sta ik niet te springen om Neder-Silezië te bezoeken.’ Een van zijn betere grappen. Waar haalde hij dat goede humeur vandaan?

Uit zijn schooltijd, die hij altijd bij zich droeg. In elk boek zien we de wereld die hij zich bij zijn aristocratische vriendjes had voorgesteld: grote tuinen, oneindig veel mooie zomers. Alleen maar kleine problemen, die ook nog eens altijd worden opgelost door een vaderlijke butler of oom. Een fantasie van de ideale kindertijd.

‘Soms heb ik het gevoel’, schreef Wodehouse in 1933, ‘dat ik aan infantilisme lijd. Mentaal ben ik nog precies hetzelfde als toen op school. Al mijn ideeën en idealen zijn nog steeds dezelfde.’

George Orwell merkte op dat Wodehouse in zijn hele oeuvre niet één double-entendre of schunnige grap heeft opgenomen, ‘een verbazingwekkend offer voor een komisch schrijver’.

Bij Wodehouse zien we hooguit kalverliefde, zoals op het schoolplein, en Bertie Wooster vindt meisjes stom, als een kleuterjongetje: een terugkerend probleem is dat hij steeds tegen zijn zin in verloofd raakt, een catastrofe waar hij zich uit moet zien te redden. Verliefd is hij nooit.

Het is niet vreemd dat Wodehouse zich geheel aan zijn fantasiekindertijd vastklampte. Want zijn stiff upper lip in het Poolse nazikamp was de Britten niet stijf genoeg, toen Plum vanuit zijn gevangenschap een paar Duitse radio-uitzendingen maakte die in Engeland ten onrechte werden beschouwd als een teken van collaboratie.

Ze hadden, in tijden van opgepompt patriottisme, liever gezien dat Wodehouse een statig Britse dood was gestorven in Silezië. Na de oorlog dreigde zelfs een arrestatie, dus vertrok de schrijver van ellende maar naar de VS. Hij zou zijn geliefde Engeland nooit meer zien, ondanks het feit dat de MI5 zijn naam uiteindelijk volledig zuiverde.

Voor de tweede keer was hij gescheiden van zijn chums, deze keer definitief. Zijn nostalgie werd nog intenser, zijn middle class verlangen naar die rijkeluiszoontjes van zijn jeugd. De idylle Engeland werd definitief in 1925 bevroren, en nog decennia uitgestort over Amerikaans schrijfpapier.

Helende bron

‘Wanneer hij ziek is, wil elke man zijn moeder’, opent Philip Roths De anatomische les.

Hoofdpersoon Zuckerman heeft zijn moeder niet bij zich, dus hij ‘behelpt zich met vier andere vrouwen’.

Wodehouse gaat verder: hij geeft zijn lezer niet alleen vader- of moederfiguren, maar een hele kindertijd, het kind in de lezer zelf. De rust en schoonheid van Plums boeken, zegt Fry, is zo diep dat zelfs de meest turbulente geest ervan tot rust komt. ‘Zodra je uit die helende bron hebt gedronken, zul je keer op keer terugkomen.’

Christopher Hitchens keerde tot op het laatst terug: drie dagen voor zijn dood zag Buckley opnieuw een Wodehouse-boek op zijn schoot liggen.

Toen ik begon met luisteren naar The P.G. Wodehouse Collection kon ik nog geen vijf seconden naar de binnenkant van mijn ogen kijken zonder van de zenuwen op te springen. En echt waar, na bijna tachtig uur in die zachtaardige wereld was ik rustiger, vriendelijker en vrolijker.

We volgen hem graag naar die sprookjeswereld, wij zieken. Ik hoop dat ik helemaal beter ben. Maar zo niet, weet ik dat ik de tuinen van Blandings Castle en Steeple Bumpleigh altijd op me wachten.

Wodehouse leert: problemen worden opgelost, en gingen eigenlijk sowieso al nergens over. Keep calm and carry on.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next