Home

Het transport van Auschwitz naar Liebau was voor de Nederlandse ‘kampzusjes’ de weg naar het leven

Na een allesbepalende selectie in Auschwitz werd een groep van 51 Nederlandse vrouwen naar werkkamp Liebau overgebracht. Bijna allemaal overleefden ze de oorlog. Kelvin Wilson schrijft een boek over de Liebau-vrouwen, gebaseerd op getuigenissen, dagboeken en niet eerder vertoonde foto’s.

De schurftbarak van concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau was een troosteloze plek in een onherbergzaam landschap. Gevangenen lagen er te creperen, de ratten liepen zo vaak over de bedden dat niemand er nog acht op sloeg, en er kon ieder moment een SS’er binnenstappen die de zwaksten met één handgebaar naar de gaskamer dirigeerde.

De 23-jarige Ronnie van Cleef lag er al een paar weken toen een vriendelijke Hongaars-Joodse arts aan haar bed verscheen. Er kwam weer een selectie aan, vertelde ze. Ronnie kon hier maar beter vertrekken. Waarom probeerde ze niet te ontsnappen naar de Nederlandse barak?

Ronnie nam het advies ter harte, zegt ze in een naoorlogs interview. Daarmee liet ze de twee zusjes achter met wie ze begin september vanuit kamp Westerbork in Auschwitz-Birkenau was aangekomen. Anne en Margot Frank waren er slecht aan toe. ‘Vlekkerig en met zweren van de schurft.’

Ronnie rende over het kampterrein naar de barak met haar vriendinnen. Bloeme Emden liep haar tegemoet. ‘Ze had een colbertje aan, deed dat uit en gaf het aan mij’, zegt Ronnie in hetzelfde interview. ‘Daar was ik zó blij mee!’

Een paar dagen na Ronnies ontsnapping kwam er alsnog een selectie en moesten de vrouwen uit de Nederlandse barak in een rij staan, om vervolgens naakt langs SS-arts Josef Mengele te lopen. Wie gezond genoeg oogde, mocht doorlopen. Anne Frank en haar zus bleven in Auschwitz achter. Zij zouden later worden gedeporteerd naar Bergen-Belsen, waar ze stierven aan tyfus.

Op donderdag 27 oktober 1944 bracht een trein Ronnie, Bloeme en circa driehonderd andere Joodse vrouwen naar Liebau, waar een vrouwenwerkkamp was opgezet. Voor vrijwel alle 51 Nederlandse vrouwen uit dit transport werd het de weg naar het leven, en uiteindelijk de vrijheid.

Schrijven als een illustrator

Kelvin Wilson had nog nooit van Liebau gehoord, toen hij drie jaar geleden werd gebeld door rabbijn Raphael Evers. Bloeme Emden, de moeder van de rabbijn, was bevriend geweest met de hoofdpersoon uit een verhaal waaraan Wilson werkte. Ze waren ‘kampzusjes’ geweest, vertelde Evers, en hij noemde de naam van Liebau, het kamp waar ze samen hadden vastgezeten.

‘Kampzusjes’: dat woord intrigeerde Wilson mateloos. Hij begon boeken te lezen en voorzichtig wat onderzoek te doen. Zijn enthousiasme groeide toen hij een lijst vond met daarop de namen van de Nederlands vrouwen die tussen oktober 1944 en maart 1945 werkzaam waren geweest in de sneeuwkettingenfabriek naast kamp Liebau. Hij slaagde erin de vaak fout gespelde namen te ontcijferen. Van alle vrouwen zocht hij de geschiedenis uit.

In zijn historische dijkwoning in Ridderkerk praat Wilson urenlang onafgebroken over het project dat hem niet meer loslaat. Hij vertelt hoe de vrouwen op 3 september 1944 samen vertrokken uit kamp Westerbork, in dezelfde trein als Anne Frank, haar familie en meer dan duizend andere Joodse gevangenen. Over de zeven gruwelijke weken in Auschwitz-Birkenau, waarna ze werden doorgestuurd naar Liebau. En hoe 49 van de 51 Nederlandse vrouwen dat kamp overleefden.

Wilson is als illustrator gespecialiseerd in archeologie. Hij werkt voor binnen- en buitenlandse musea en uitgeverijen. Zijn illustraties zijn historisch verantwoord, elk detail moet kloppen. Datzelfde perfectionisme en diezelfde microscopische blik zet hij nu in bij zijn onderzoek naar Liebau.

‘Kijk, in deze barakken sliepen de Nederlandse vrouwen’, zegt hij boven een luchtfoto van het kamp. ‘En hier is de latrine. Je ziet de voetsporen in de sneeuw.’

Drie jaar lang deed hij onderzoek. De eerste bulk aan informatie vond hij in de archieven, overal ter wereld. Door de jaren heen won hij het vertrouwen van de families van de vrouwen. Hij gaf kinderen en kleinkinderen antwoorden op vragen waarmee ze al hun hele leven rondliepen, omdat veel vrouwen zelf altijd hadden gezwegen. In ruil daarvoor boden familieleden hem het mooiste wat een chroniqueur kan krijgen: nooit gepubliceerde dagboeken, tientallen cabaretteksten en – voor zover bekend – de enige foto’s die ooit van het kamp zijn opgedoken.

Wilson kreeg tal van onbekende historische details boven tafel. Zo vond hij nieuwe informatie over de maanden dat de vrouwen in Westerbork en Auschwitz gevangen zaten, samen met de familie Frank. Over het werk in de sloperij bijvoorbeeld, waar ze dag na dag batterijen uit elkaar moesten halen om de grondstoffen terug te winnen. Die klus bleek zinloos, verzonnen door nota bene een goede Duitse fabrieksdirecteur, achterhaalde Wilson, die zo hoopte dat de Joden langer in Westerbork konden blijven. ‘Dat is voor ons een onbekend gegeven’, mailt Guido Abuys, de conservator van Herinneringscentrum Kamp Westerbork.

Uiteindelijk hoopt Wilson een boek te publiceren met zijn bevindingen. Hij is nu anderhalf jaar aan het schrijven. Met de Volkskrant deelt hij alvast zijn onvoltooide manuscript en een deel van het bronmateriaal. Dit is het verhaal van de vrouwen die naar Liebau gingen.

Liebau

Ronnie droeg een molton onderbroek, met daaroverheen een satijnen avondjapon en een lilakleurig mantelpak. Het waren de kleren van onbekende gevangenen, eerder in Auschwitz vergast.

De vrouwen kregen burgerkleding om geen argwaan te wekken, schrijft Ronnie na de oorlog in een document dat nu in de archieven van Herinneringscentrum Kamp Westerbork ligt. ‘Omdat we in aanraking zouden komen met civilisten, en de indruk moesten geven dat we het zo slecht nog niet hadden.’ Achteraf – in Auschwitz lachten ze nooit – hadden ze er veel plezier om gehad. ‘Niemand had iets passends gekregen. Het was of te groot of te klein. Sommige oudere vrouwen droegen veel te korte kinderjurkjes.’

De veewagons reden een paar honderd kilometer westwaarts. Toen de driehonderd vrouwen een dag later uitstapten, verbaasden ze zich over het pittoreske landschap, met aan alle kanten heuvels vol dennenbossen.

‘In Birkenau groeide niets, geen bomen, helemaal niets’, schrijft oud-gevangene Anita Roos later in haar autobiografie. ‘Ik had altijd het gevoel dat de Duitsers alles probeerden te vernietigen, niet alleen mensen, maar alles wat leefde en groeide op deze aarde.’

Vanaf het station van Liebau – het huidige Lubawka – liepen ze in colonne naar het kampterrein. Frauenarbeitslager Liebau was pas een paar maanden eerder opgetuigd, als subkamp van concentratiekamp Groß-Rosen, 50 kilometer noordwaarts. De nazi’s huisvestten er dwangarbeiders die moesten werken in de oorlogsindustrie.

De eerste indruk was overweldigend. In een kantine stonden lange picknicktafels vol eten. Er waren aardappelen met roomkaas, er was soep met groenten en vlees. De vrouwen, die lang niet hadden gegeten, laafden zich eraan.

Na afloop, op weg naar de barak waar ze de nacht zouden doorbrengen, passeerden ze voor het eerst in lange tijd een spiegel. Ze schrokken van hun eigen verschijning. ‘Ik kon me niet voorstellen dat dit lange, dunne gezicht en het kale hoofd van mij waren’, noteert Anita Roos. ‘Er werd heel wat geplaagd over wie er aan een schoonheidswedstrijd mocht meedoen. We konden het er niet over eens worden of grote oren dan een voordeel of een beletsel zouden zijn.’

Sabotage

De copieuze maaltijd bleek eenmalig, het leven was ook in Liebau zwaar. Elke ochtend werden de vrouwen vroeg gewekt, na het ochtendappel wachtte een lange werkdag. In de Nordland Schneekettenfabrik moesten ze sneeuwkettingen produceren voor het Duitse leger.

Militair gezien stonden de nazi’s er niet goed voor. In juni waren de geallieerden in Normandië aan land gegaan, Parijs was inmiddels bevrijd en de geallieerde troepen rukten op via België naar Nederland. In het oosten drukte het Rode Leger de Duitsers terug. Maar die gaven nog niet op. Daarom werden ook de vrouwen in Liebau aan het werk gezet.

In de fabriek stonden de vrouwen aan lange tafels, waar ze staafjes staal met een machine tot kettingschakels bogen. De kettingen die zo ontstonden, gingen naar een tweede groep vrouwen, die de schakels moesten dichtlassen. Er volgde een controle, waarna Duitse arbeiders verderop in de fabriek de kettingen verwarmden en daarna in een bad onderdompelden, om ze te laten harden.

Tussen de middag aten ze vaak ‘stromatrassensoep’, zoals de Nederlandse vrouwen het noemden: dunne soep met gedroogde groenten. Soep die smaakte als de stromatrassen waarop ze sliepen. Alleen op zondag kregen ze meer: gekookte aardappelen, een beetje vlees, een stukje kaas.

Van de mannen die met hen in de fabriek werkten, vingen ze flarden van het laatste nieuws op, sprankjes hoop over een nederlaag die aanstaande was. Misschien konden ze daaraan bijdragen door de sneeuwkettingen te verprutsen? In hun barakken smeedden ze sabotageplannen. Schetsen daarvan, met ringetjes die niet goed aansloten, zijn terug te vinden in de oorlogsherinneringen van Annie Cohen, die nu in het Yad Vashem-museum liggen.

Ook Ronnie van Cleef schrijft er na de oorlog over. ‘Hoe dikwijls hebben we de kettingen niet naar de lasafdeling gestuurd, maar naar de verpakkingsafdeling. Ze werden dan verzonden en bleken later niet bruikbaar te zijn. De zending kwam dan weer naar de fabriek terug. In zo’n geval kregen wij dan strafappel, waar ons dan werd medegedeeld dat we gesaboteerd hadden, en bij een volgende keer doodgeschoten zouden worden.’

Het bleef bij dreigementen.

Cabaret

De eerste maanden van 1945 waren ongemeen koud, voor het kacheltje in de barak ontbrak vaak brandstof. De honger knaagde, de gevangenen werden ziek. Met cabaret probeerden de vrouwen de moed erin te houden.

Op zondag 10 december 1944 vond in een van de Nederlandse slaapvertrekken de eerste geheime voorstelling plaats. Het publiek zat op de bovenste stapelbedden, de benen bungelend over de rand, benieuwd naar wat komen ging. Een van de vrouwen stond op de uitkijk om te waarschuwen voor naderende SS’ers.

Het plan voor de opvoeringen was van Ronnie van Cleef en Beppie Schellevis gekomen. Via via kreeg Wilson tientallen teksten in zijn bezit. Uniek materiaal, dat een beeld geeft van het leven in het kamp.

Op die eerste avond zong een van de vrouwen een lied voor Henny Leefsma, die een paar dagen later haar 17de verjaardag zou vieren:

’k Mag wel zeggen, namens allen wens ik jou nog menig jaar
Met veel kinderen, zelfs tientallen, speel jij het voor elkaar
Blijf gezond, dik en rond, altijd fris van geest, zo je steeds bent geweest
Gaat blij van zin verder ’t leven in – en blijf nog jaren lang mijn vriendin

Daarna vierden ze samen stiekem de eerste dag van Chanoeka, het lichtjesfeest. Thuis zouden ze dan de menora, de traditionele zevenarmige kandelaar, hebben aangestoken. Hier, ver van huis, verraste Annie Cohen de vrouwen in de barak met een zelfgemaakt exemplaar, gefabriceerd van ijzerdraad dat ze onder haar jurk uit de fabriek had meegenomen. ‘Ik haalde olie uit de machine en zo kon ik onze menora aansteken’, schrijft ze later.

Het cabaret bood houvast en afleiding: als er even een momentje zonder toezicht was – in de fabriek, in het washok of in de latrine – schreven de vrouwen nieuwe teksten. ‘Veel gedichten werden tijdens het appel geboren, als we enige uren onbeweeglijk moesten staan’, herinnert Ronnie van Cleef zich na de oorlog. ‘Dan hield ik elke zin krampachtig vast, schreef het met mijn ogen op in de lucht, totdat ik het uit mijn hoofd kende, om het later in de barak vlug neer te schrijven op een stuk karton.’

In de eerste maanden van 1945 schreef ze een operette, die ze met z’n zessen opvoerden. Ze zongen over de dood van Hitler en over de bevrijding. Ook die tekst is bewaard gebleven.

O jongens wat een gein, het is een Pullmantrein
Met kussens op de banken en nooit meer houten planken
Mijn bips weet zich geen raad, je voelt niet dat je gaat
Een nieuwe toekomst bouwen, het is nog niet te laat

We rijden en glijden, het lijkt zowaar een droom
Wie zal er op het station wachten
Hoe zal het eruitzien, ons eigen land en home
Ons lief Amsterdam met zijn oude grachten

Tijdens de opvoering werd gehuild, schrijft Ronnie na de oorlog. ‘Omdat het eigenlijk te mooi was om waar te zijn. ‘Jij maakt ons allemaal gek’, zeiden ze dan.’

Zwanger

Of Lea Hagenaar wist dat ze vier maanden in verwachting was toen ze in Liebau aankwam, is twijfelachtig. De vrouwen waren er allemaal zo slecht aan toe dat geen van hen nog menstrueerde. Dat ze een kind droeg, kwam uit bij een inwendig onderzoek, waaraan ze allemaal regelmatig werden onderworpen. ‘We moesten met onze onderbroek in de hand op controle komen’, schreef Inge Kamp na de oorlog. ‘Vervolgens werd je op een keukentafel gelegd, je moest je benen spreiden en je knieën optillen.’

Op de ochtend van 12 maart 1945 stond opeens Josef Mengele in het kamp, de beruchte SS-arts, de ‘engel des doods’, die de vrouwen nog kenden uit Auschwitz. Mengele was in januari vertrokken uit Auschwitz, dat door de Russen was bevrijd. Hij voerde nu inspecties uit in andere concentratiekampen.

Tal van oud-gevangenen getuigden na de oorlog over het bezoek. Velen waren ziek, en doodsbang dat Mengele hen alsnog kwam halen. ‘We beefden allemaal van angst’, schrijft Liebau-gevangene Inge Kamp in haar memoires.

Mengele liet de zieken met rust. Hij nam alleen Lea mee, tot groot verdriet van de vrouwen die achterbleven en vreesden voor haar lot. Hij bracht haar naar concentratiekamp Zittau, 100 kilometer westwaarts. Daar kwam ze, na maanden van extreme ontberingen, in een onwaarschijnlijke wereld terecht. Terwijl de nazi’s in andere kampen pasgeboren baby’s meteen vermoordden, was hier, op de zolder van het centrale gebouw, een provisorische kraamkliniek ingericht. Begin april 1945 beviel ze van een zoon.

‘Er zijn daar aan het einde van de oorlog tien vrouwen bevallen’, zegt Wilson, die sprak met de dochter van een Tsjechische vrouw die in diezelfde nazikraamkliniek een kind kreeg. ‘Veel kinderen hebben het overleefd.’ Dat was te danken aan de dokter, verklaarden twee oud-gevangenen vlak na de oorlog. De Hongaars-Joodse arts die aan het hoofd stond van de kraamkliniek slaagde erin om in de laatste oorlogsweken de jonge moeders te beschermen.

Wilson spoorde de baby van Lea op. Twee jaar geleden sprak hij een uur lang met hem door de telefoon. De man vertelde dat Lea getraumatiseerd uit de oorlog was gekomen. ‘Het gesprek was vriendelijk en heel emotioneel’, zegt Wilson. ‘Het raakte hem zo diep, dat hij het bij dat ene gesprek wilde laten.’

Een witte schoudertas

De Russische officier die op woensdag 9 mei 1945 van zijn motor stapte en het kamp binnenliep, vroeg de vijfhonderd vrouwen in het kamp om bij elkaar te gaan staan. Toen klonk zijn stem. ‘Shvester!’, zei hij, in het Jiddisch. ‘Zusters!’

Hun bevrijder bleek een Russische Jood. En zij waren de eerste Joden in heel Polen die hij levend aantrof, zei hij in tranen. ‘Shalom aleichem’, sprak hij: vrede zij met u. Elke getuige, van welke nationaliteit dan ook, noemde na de oorlog dat moment een hoogtepunt, zegt Wilson: de Rus die hun taal sprak en hen in het Jiddisch troostte.

De dag ervoor waren de SS’ers uit kamp Liebau vertrokken. ‘Als een klein kind ben ik naar buiten gewandeld en wijdbeens midden op de weg gaan staan’, schreef Ronnie van Cleef op een stukje karton dat ze in het kamp had bemachtigd. ‘Ik heb mijn handen omhoog geheven in de stralende meizon en gedankt.’

Op die bevrijdingsdag trokken veel vrouwen eropuit om in de verlaten naburige villa’s te gaan plunderen, schrijft Beppie Schellevis jaren na de oorlog, als ze op advies van haar huisarts haar herinneringen noteert. Ze zag Ronnie terugkomen achter een kinderwagen, met witte handschoenen aan en een witte tas om haar schouders. ‘Wat moet je dáár nou mee’, had Beppie geroepen.

Kelvin Wilson beschikt over vijf kleine foto’s van het kamp, genomen vlak na de bevrijding. Hij kreeg ze van een kleindochter van oud-gevangene Clara Gans, die ze had aangetroffen in haar nalatenschap. ‘In de fabriek waar de vrouwen werkten, liepen Hollandse jongens rond, dwangarbeiders’, vertelt Wilson. ‘Een van hen had een camera, hij heeft mogelijk de foto’s gemaakt.’

Het zijn unieke beelden, zegt Dorota Sula, onderzoeker bij het Groß-Rosen-museum in Polen. ‘Ik heb nog nooit foto’s van het subkamp in Liebau gezien, niet voor en niet na de bevrijding.’

Ook Niod-historicus Erik Somers, samensteller van vele historische fotoboeken over de Tweede Wereldoorlog, kent geen beelden uit het kamp. ‘Deze foto’s zie ik nu voor het eerst en ik vind ze zeer zeker bijzonder.’

Op een van de foto’s zit een groep Nederlandse vrouwen voor de deur van hun barak te eten. Ze dragen de kleding die ze uit de huizen in de omgeving hebben meegenomen. Naast Ronnie van Cleef staat een paar onpraktische pumps. Alleen de witte schoudertas neemt ze mee als ze in de ochtend van 18 mei met de andere vrouwen aan de lange reis huiswaarts begint. Op de foto die voor de geopende poort is genomen, vangt haar tas het vroege ochtendlicht.

Kampzusjes

‘Geluncht met lepel vork en mes. Sensatie. Radio Oranje. Tranen.’ Het was 31 mei 1945, Julie Verdoner was twee weken onderweg naar huis toen ze in haar dagboekje summier haar belevenissen noteerde. De vrouwen waren in losse groepjes aan de reis naar Nederland begonnen: 900 kilometer westwaarts, van dorp naar dorp, lopend, met de auto, met de trein.

Wilson kan hun tochten van dag tot dag reconstrueren: van een aantal nabestaanden kreeg hij de dagboekjes van de terugreis, die een uniek beeld geven van die eerste chaotische en surrealistische weken na de bevrijding. ‘Spoorwegen zijn opgeblazen, kapotte tanks langs de weg, vliegtuigen, huizen die helemaal stukgeschoten zijn en geen levend wezen te zien’, schreef Lenie de Jong op 25 mei. Een paar dagen later danste ze met een Russische soldaat op de maten van een jazznummer dat een van de andere vrouwen op de piano ten gehore bracht.

Het moment waarop ze, na weken, de Nederlandse grens passeerden, was emotioneel. ‘Onder hevig gejuich komen we eindelijk Holland binnen. Het is een ogenblik om niet te vergeten. Mensen hebben hun huizen versierd met vlaggen en bloemen’, noteerde Lenie de Jong in haar dagboek. Julie Verdoner was in tranen bij de aanblik van de Nederlandse vlag, schreef ze. ‘Hartelijke ontvangst met zes dikke boterhammen, worst en echte koffie.’

Een grote groep vrouwen bereikte Nederland via Praag, vanwaar ze per trein verder konden reizen. Omdat een Nederlandse reddingsmissie ontbrak, moesten de vrouwen voor hun uitreisdocumenten uitwijken naar de Zweedse ambassade. Wilson bemachtigde van acht van hen de pasfoto’s die daar op verzoek van de ambassade zijn gemaakt. Ze hadden ervoor moeten betalen, las hij in hun dagboeken. ‘Sommige vrouwen hadden geen geld en moesten eerst op straat bedelen.’

De zachte lens van de fotograaf verhult de doorstane ellende, zegt Wilson. Het is de holle blik in hun ogen die verraadt wat ze hebben meegemaakt. Toen Bloeme Emden eind juni thuiskwam in Amsterdam en aanbelde bij haar verloofde, herkende hij haar niet meer.

Kachel van karton

Van alle Liebau-gevangenen achterhaalde Wilson hoe het ze in hun verdere leven verging. De meesten zwegen, hielden afstand. ‘Een zoon van Henny Leefsma vertelde me dat de vrolijkheid van zijn moeder eigenlijk toneelspel was’, zegt Wilson. ‘Zodra de gasten de deur uit waren, was ze een depressief vogeltje.’

Een aantal Liebau-vrouwen hield levenslang contact. Bloeme, de moeder van rabbijn Evers, sprak altijd over haar ‘kampzusjes’. In 1990 kwamen vijf van hen bijeen in Israël, om 45 jaar bevrijding te vieren. Op de foto die Wilson van een familielid kreeg, zitten ze lachend in een tuin, rondom een kacheltje van karton. Het is een replica van het kacheltje uit de Liebau-barakken, nagemaakt door Annie Cohen, die in het kamp ook de menora had geknutseld.

Het is een beeld dat zo veel veerkracht uitstraalt, zegt Wilson. Aan het familielid dat hem de foto gaf, vroeg hij wat die twee bolletjes op de kachel waren. Antwoord: ‘Dat zijn de aardappelen die ze hebben gestolen in de kampkeuken. Die zijn ze aan het roosteren.’

Kelvin Wilson (1969, Newcastle upon Tyne, Engeland) studeerde aan de kunstacademie in Rotterdam. Zijn werk als archeologisch reconstructietekenaar was onder meer te zien in het British Museum en het Rijksmuseum van Oudheden. Sinds 2023 doet hij onderzoek naar de Nederlandse vrouwen in kamp Liebau. Hij werkt aan een boek, dat hij in 2027 hoopt te publiceren.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next