Home

In de rake graphic novel ‘Rufus’ beleeft een 5-jarige zoon de hartaanval van zijn vader

Het verhaal wordt verteld vanuit een vogelperspectief, of misschien zelfs vanuit een hemels perspectief, want in het boek gaat het over niets minder dan een bijna-doodervaring.

schrijft voor de Volkskrant over strips, graphic novels en beeldcultuur.

Op de allereerste bladzijde vliegt een blauwe reiger het verhaal binnen. Op de laatste, tussen hoge wolken, vliegt hij er weer uit.

Je kunt dus zeggen dat de graphic novel Rufus wordt verteld vanuit een vogelperspectief, of misschien zelfs vanuit een hemels perspectief, want in het boek gaat het over niets minder dan een bijna-doodervaring, over het angstige zweven tussen zijn en niet meer zijn.

In werkelijkheid is hij er nog, Frenk Meeuwsen, de schrijver en tekenaar van het autobiografische Rufus. Deze Amsterdammer is 61 jaar oud en werd op latere leeftijd vader, een gebeurtenis waarover hij enkele jaren geleden een ander stripboek publiceerde dat Jaar nul heette. Hij beschreef hierin hoe zijn alter ego Frenkel bedenkingen had over het late vaderschap, hoe spannend de bevalling was en hoe intens zijn paniekaanvallen toen waren.

Die paniek was echter klein bier vergeleken met wat hem overkomt als zijn zoontje Rufus alweer een jaar of 5 oud is. Frenkel loopt door een park waar drie knullen aan het basketballen zijn. Iets verderop liggen pizzadozen waaruit meeuwen de laatste restjes pikken. Het was blijkbaar te veel moeite om die in een vuilnisbak te gooien. Geërgerd stapt Frenkel op de jongens af om ze wat fatsoen bij te brengen, maar dan is hij opeens buiten adem en zakt op de grond.

Hartaanval, zoals de lezer later pas te weten komt, want Meeuwsen vertelt zijn verhaal niet-lineair en maakt veel gebruik van beeldmetaforen om de impact van de gebeurtenissen aan de lezer over te brengen.

Allereerst zijn daar de dieren, buiten de blauwe reiger uit de openingsscène en de pizza-etende meeuwen. Op de cover zwemt een zaaghaai voorbij (veilig in een tank van het aquarium in Artis), midden in het verhaal komt een walvis met scherpe tanden langs (weggezwommen uit Pinokkio), een reuzeninktvis speelt voor verpleegkundige en een blauwe speelgoedolifant schenkt Rufus troost als zijn vader in het ziekenhuis ligt.

Met hulp van al die dieren roept Meeuwsen de kinderlijke beleving van zijn zoon op, maar denk niet dat hij de ‘schattigheidskaart’ speelt. Er zitten pijnlijk sequenties in het boek, bijvoorbeeld als de jongen zijn afwezige vader zoekt in een lege keuken, onder een kast, achter een gordijn, naast de wasmachine. ‘Papa?’

Heel fraai is de vondst van de tuinslang: Meeuwsen trekt er acht bladzijden voor uit om Rufus in de tuin te laten spelen, waar hij zijn blote voetje op de tuinslang zet zodat de watertoevoer wordt afgeknepen. Die blokkade gaat naadloos over in de beknelde ader in het hart van zijn vader.

In zijn metaforische aanpak gaat Meeuwsen ver, zelfs zo ver dat hij er twee epische figuren bij haalt, niemand minder dan Evel Knievel, de motorrijdende stuntman uit Montana, en Jezus Christus die in het Meer van Galilea aan het vissen is.

Sterker nog: Evel Knievel sleurt de door een hartaanval getroffen Frenkel weg voor de poorten van de dood en rijdt met hem naar Onze Verlosser, in de hoop dat Hij een wonder verricht. Frenkel zegt tegen Hem: ‘Luister, ik ben een jonge vader! Nou ja, jong, maar ik bedoel… Ik moet leven! Jezus, snap je dat?’

Die snapt het: ‘Laat me kijken wat ik bij m’n ouweheer gedaan kan krijgen.’

Intussen, bij de gewone stervelingen op aarde, zit Rufus voor zijn zieke vader tekeningen te maken. Hij krast een rood hart met daarin ‘een afgebroken takje’, want zo stelt hij zich het medische probleem van zijn vader voor. De fantasie van de zoon is minder buitensporig als die van de vader, maar wel raak. Amen.

Frenk Meeuwsen: Rufus. Sherpa; 136 pagina’s; € 24,95.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next