De Mexicaan Juan Rulfo (1918-1986) wordt wel de vader van de moderne Latijns-Amerikaanse literatuur genoemd. Zijn roman Pedro Páramo (1955), nu in een nieuwe vertaling, maakte diepe indruk op schrijvers als Carlos Fuentes en Gabriel García Márquez.
De Mexicaan Juan Rulfo (1918-1986) wordt wel de vader van de moderne Latijns-Amerikaanse literatuur genoemd. Die eretitel heeft hij te danken aan een piepklein oeuvre, dat maar zo’n driehonderd pagina’s omvat: de verhalenbundel De vlakte in vlammen (1953) en de roman Pedro Páramo (1955). Met name dit laatste boek maakte diepe indruk op schrijvers als Carlos Fuentes en Gabriel García Márquez.
Márquez had al een paar romans en verhalenbundels geschreven toen hij in 1961 een exemplaar van Pedro Páramo cadeau kreeg van collega-schrijver Álvaro Mutis. Die zei toen tegen hem: ‘Daar kun je nog wat van leren!’ Dat was schertsend bedoeld, maar het klopte wel. Een jaar of tien later zou Márquez in Honderd jaar eenzaamheid doen wat Rulfo hem had voorgedaan in Pedro Páramo: zijn geboortestreek omtoveren tot een mythisch universum, een wereld waar de grenzen tussen leven en dood zijn vervaagd en waar tijd een fluïde dimensie is geworden.
Rulfo groeide op in Jalisco, de Mexicaanse staat die eerst de Mexicaanse Revolutie (1910-1917) over zich heen kreeg en daarna werd ontwricht door de Cristero-opstand (1926-1929), toen rechtse katholieken zich hevig verzetten tegen de nieuwe antiklerikale machthebbers. Om het geweld te ontvluchten trokken veel mensen van het platteland naar de stad of naar andere streken.
Deze leegloop vormt de historische achtergrond van Pedro Páramo, dat zich afspeelt in Comala, een door Rulfo verzonnen dorp. Letterlijk betekent Comala, aldus de schrijver, ‘plaats op hete kolen’. In de roman zelf laat hij een ezeldrijver uitleggen dat Comala ‘op de gloeiende sintels van de aarde (ligt), in de muil van de hel zelf.’
Aan het begin van het boek vertelt Juan Preciado dat zijn moeder hem naar Comala had gestuurd om verhaal te gaan halen bij zijn vader, de tirannieke grootgrondbezitter Pedro Páramo, die moeder en zoon in de steek had gelaten. ‘Je moet niet bij hem gaan bedelen, je moet eisen, eisen wat ons toekomt’, zo had zij haar zoon bevolen.
Maar zover komt het niet. Juan bereikt Comala wel, maar daar raakt zijn Vatersuche op de achtergrond en wordt zijn aandacht (en die van de lezer) opgeëist door de stemmen, geluiden en geruchten die overal te horen zijn en die je een verwarrend, unheimlich gevoel geven.
Juan vindt zijn vader niet, maar via andere stemmen, waaronder die van hemzelf, krijgt Pedro Páramo toch een smoel. Hij heeft veel trekken van de klassieke feodale potentaat die alles en iedereen als zijn bezit beschouwt. Toch is hij, net als alle andere ronddolende zielen in Comala, een tragische verliezer van het leven. Pedro Páramo wordt verteerd door verdriet omdat hij de liefde van zijn leven (Susana San Juan) niet kan bereiken, opgesloten als zij zit in haar waanwereld.
Rulfo schreef zijn prachtige, intrigerende roman in een kale, uitgebeende stijl, die medeverantwoordelijk is voor de beklemmende sfeer. Die stijl en sfeer komen niet helemaal tot hun recht in deze nieuwe vertaling van Jos den Bekker. Die ziet betekenisvolle herhalingen regelmatig over het hoofd en formuleert vaak net iets minder bondig dan Rulfo. Opvallend is ook het gebruik van al te vlotte formuleringen als ‘Flikker toch op, man!’ en ‘Wat krijgen we nou?’ Muizenissen, denkt u misschien. Maar bij Rulfo telt elk woord. García Márquez wist daar alles van.
Juan Rulfo: Pedro Páramo. Met een voorwoord van Gabriel García Márquez. Uit het Spaans vertaald door Jos den Bekker. Meulenhoff; 192 pagina’s; € 21,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant