De vader van Ian Buruma verbleef tijdens de Tweede Wereldoorlog twee jaar als dwangarbeider in Berlijn. De zoon weet een mensenleven later in Blijf in leven precies de juiste toon te treffen, zeker als het gaat om goed en fout in de nazitijd.
is recensent voor de Volkskrant.
De moeder van het jongetje Gerd Schneider, geboren uit een dronken slippertje met een Joodse man, was doodsbenauwd dat de nazi’s haar Mischling zouden ontdekken. Ze besloot een papegaai aan te schaffen die ze aanleerde om ‘Heil Hitler!’ te krijsen zodra hij een man in uniform zag.
Dat werkte voortreffelijk, totdat eind april 1945 plotseling een soldaat van het Rode Leger haar Berlijnse woning binnendrong. ‘Dat alle Duitsers nazi’s zijn wist ik al’, zei hij in gebroken Duits, ‘maar zelfs de vogels!’
Waarna hij zijn pistool pakte en het beestje aan flarden schoot.
Dat jongetje van toen emigreerde na de oorlog naar de Verenigde Staten waar hij hoogleraar Duitse literatuur werd. Hij was een van de (hoog)bejaarde getuigen die sinoloog, journalist en publicist Ian Buruma (1951) nog kon spreken voor zijn onlangs verschenen monografie Blijf in leven. Aan de hand van interviews, dagboeken, briefwisselingen en krantenknipsels schetst hij daarin een beeld van Berlijn in de jaren 1939-1945, ‘toen de catastrofe die de nazi’s in gang hadden gezet haar climax bereikte’.
Zijn aanpak doet denken aan die van de Duitse journalist Barbara Beuys, die in 2012 een minstens zo indrukwekkend boek schreef over de oorlogsjaren in Amsterdam, Leben mit dem Feind.
Aanleiding voor Buruma was de vondst van een bundeltje brieven die zijn vader naar huis schreef toen hij als jeugdige dwangarbeider twee jaar in Berlijn verbleef. Op het allerlaatste nippertje ontsnapte Buruma senior in 1945 aan executie door het Rode Leger – een gebeurtenis waaraan junior, beseft hij, zijn bestaan te danken heeft.
De zoon weet een mensenleven later precies de juiste toon te treffen, zeker als het gaat om goed en fout in de nazitijd, het precairste aller precaire thema’s. Fatsoenlijk blijven onder zo’n moorddadig regime, benadrukt hij voortdurend, was vrijwel onmogelijk. Met openlijk verzet tekende je destijds je eigen doodvonnis, wie maar een klein beetje meedeed raakte onherroepelijk bezoedeld.
Wie zelf nooit voor dergelijke dilemma’s heeft gestaan, vindt hij, past het niet om daarover te oordelen. ‘Niet iedereen is een held en zelfs helden zijn niet altijd moreel zuiver.’
Tegelijkertijd wordt hij niet moe erop te wijzen hoe vlekkeloos de Jodenvervolging (ook) in Berlijn verliep. Hoe weinig Joden het lukte om permanent onder te duiken. Hoe alomtegenwoordig verklikkers waren. Hoe soepeltjes de Berlijners wegkeken als ze getuige waren van antisemitisch geweld. Hoe onverschillig ze reageerden op berichten over de moordpartijen op Joden aan het oostfront.
‘Mensen die wilden weten wat er gaande was en hun ogen open en oren gespitst hielden’, schrijft hij, ‘wisten al hoe erg het was voordat het overduidelijk werd.’ Alleen waren daar maar bitter weinigen toe bereid.
Heel goed werkt dat enkele tijdgenoten telkens terugkeren in Buruma’s verhaal. De beroemde schrijver Erich Kästner bijvoorbeeld, wiens boeken in 1933 op de brandstapel waren beland. Anders dan talloze collega’s ging hij niet in exil. Hij pleegde geen verzet maar was zeker geen nazi. In zijn dagboek, waaruit Buruma dankbaar put, ontpopt hij zich tot ‘een melancholisch waarnemer van de corrumpering van het Berlijnse leven’.
Evenzogoed schreef hij in het diepste geheim het scenario van een grote speelfilm. Daarin verwerkte hij ‘subversieve elementen’ die de ‘intelligentere’ kijkers niet konden ontgaan, maar zette ook een droomwereld neer die het regime goed te pas kwam. Toen Hitler evenwel hoorde wie het script had geschreven ontstak hij in een van zijn befaamde driftbuien en verordonneerde dat Kästner nooit meer één letter mocht schrijven.
Uiteraard krijgen ook de wederwaardigheden van vader Buruma volop aandacht. Leo was een relatief geprivilegieerde dwangarbeider, concludeert zijn zoon, die buiten werkuren wandelingen maakte langs de Berlijnse meren, concertzaal en bioscoop bezocht, aanpapte met Oekraïense meisjes. Vermoedelijk om zijn familie in Nijmegen niet ongerust te maken zwijgt hij in zijn brieven veelal over narigheden.
Eén keer maar heeft hij het over Joden. Hij beschrijft hoe ontsnapte mededwangarbeiders na hun terugkeer klagen over Joden die ‘zelfs in de gevangenissen nog ’t hoogste woord hebben en van alles kunnen en hebben, wat anderen niet kunnen en hebben’. Buruma oppert dat zijn vader, die zeven jaar later een Joodse vrouw zou trouwen, last had van ‘een soort morele verblinding’.
Naarmate de oorlog zich voortsleept, neemt de beklemming in het boek toe. Rond 1943 begint tot de Berlijners heel, heel langzaam door te dringen dat Duitsland niet zal winnen. De nazipropaganda maakt een ommezwaai. De triomftoon wijkt voor oproepen tot offerbereidheid en waarschuwingen tegen ‘wat de barbaarse Russen in hun dorst naar wraak de Duitsers zouden aandoen’.
De bombardementen van geallieerde zijde verhevigen. Elke nacht kan voor de inwoners van Berlijn de laatste zijn. Ze nemen volgens Buruma niet langer afscheid van elkaar met de woorden ‘Heil Hitler’ of ‘Auf Wiedersehen’, maar met ‘Bleiben Sie übrig’, blijf in leven.
Vooral in wat achteraf bezien de laatste oorlogsmaanden zullen zijn slaan de nazi’s wild om zich heen. Het laatste flintertje beschaving verdwijnt. Voor de onnozelste weigering of overtreding eindigen ‘lafaards’ aan een lantaarnpaal. ‘Niemand durft te kijken’, schrijft de dappere verzetsvrouw Ruth Andreas-Friedrich in haar dagboek. ‘Er zijn zo veel lantaarnpalen in Berlijn, duizenden.’
Tegen het einde verliest zelfs Buruma zijn doorgaans kalme verteltoon. Nog op 27 maart 1945, terwijl Berlijn totaal in puin ligt, vertrekt er een Jodentransport van het Anhalter Bahnhof. ‘In de verwoeste stad’, schrijft hij fijntjes, ‘waren sommige routineprocedures te belangrijk om te laten sloffen.’
Niet veel later is de capitulatie. De bombardementen stoppen, een oorverdovende stilte daalt neer over de stad.
En er gebeurt nog iets wonderlijks, herinnert een van Buruma’s geïnterviewden zich. ‘Van het ene op het andere moment veranderden de fascistische moordenaars en criminelen in goede, respectabele democraten. En iedereen had Joden geholpen.’
Ian Buruma: Blijf in leven. Uit het Engels vertaald door Alexander van Kesteren. Prometheus; 384 pagina’s; € 35.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant