In Witte rivier voert McGuire de lezer naar 1766, naar het noorden van wat nu Canada is. Daar wordt een goudexpeditie opgetuigd. Gaandeweg wordt duidelijk dat die niet onder een gunstig gesternte plaatsvindt.
schrijft voor de Volkskrant over boeken, met name uit het Engelse taalgebied.
Tien jaar geleden trad de Britse auteur Ian McGuire uit de relatieve anonimiteit met zijn tweede roman Het noordwater, die de longlist van de Booker Prize haalde.
Het boek speelt zich af in de nadagen van de walvisindustrie in het Engelse Hull en maakte onder meer indruk door de overtuigende wijze waarop de auteur de rauwe 19de-eeuwse werkelijkheid tot leven bracht in een verhaal dat ten diepste ging over intermenselijke verhoudingen.
Ook McGuires derde roman, De weigeraar, is gesitueerd in de 19de eeuw. De kern van het boek werd gevormd door de historische confrontatie tussen Ierse nationalisten en de politie van Manchester in 1867, en net als in Het noordwater wordt fysiek geweld bepaald niet uit de weg gegaan. De boeken gaven McGuire, docent aan de Universiteit van Manchester, de reputatie van een historistisch romancier wiens werk wordt gekenmerkt door een ‘shakespeariaanse bodycount’.
In zijn nieuwe boek, Witte rivier, voert McGuire de lezer naar 1766, naar het noorden van wat nu Canada is, waar de Britse Hudson’s Bay Company zich in de beste koloniale traditie gretig op de pelshandel richt.
Maar zoals we uit later gesitueerde literaire werken weten (Jack London!) is in het hoge noorden van Canada meer te vinden dan bevers, vossen, beren en hun pelzen. Dat blijkt op de eerste bladzijde van Witte rivier, als een sjofele pelshandelaar zich bij de factoor (zaakwaarnemer) van het Hudson’s Bay-fort Prince of Wales meldt met een stuk gesteente waardoor een duidelijke goudader loopt. Er ligt rijkdom te wachten in het Hoge Noorden, en tegen een billijke vergoeding vertelt hij waar.
De gebeurtenis doet de goudkoorts toeslaan in het fort, en de factoor rust een kleine expeditie uit, bestaande uit drie Engelsen en vier ‘Noordelijke Indianen’ van de Dene-stam, met als doel zoveel mogelijk goud te vergaren. Het hoofdkwartier in Londen zal niet van de resultaten op de hoogte worden gesteld. Het goud is voor de factoor en zijn rechterhand, de andere expeditieleden worden afgescheept met een kleine vergoeding.
Eigenlijk heeft de lezer al vanaf dit moment de overtuiging dat de expeditie, die zal voeren naar het door ‘Esquimaux’ bewoonde toendragebied de Barrens, zich niet onder een gunstig gesternte zal voltrekken. De gebeurtenissen die volgen bevestigen dit, om te beginnen wanneer we een duidelijker beeld krijgen van de diverse deelnemers.
Leider van de groep is onderfactoor John Shaw: groot, sterk, bruut en fanatiek, een (welbeschouwd wat al te) nadrukkelijke belichaming van het westerse imperialisme. Hij wordt geëscorteerd door de jeugdige Abel Walker (neef van de baas) en Tom Hearn, het meest complexe en interessante personage van de roman.
Hearn besloot als jongeling, tot woede van zijn vader, te kiezen voor een religieuze loopbaan, raakte zijn geloof kwijt na de plotselinge en onverteerbare dood van zijn moeder en zus en werd vervolgens stuurman op een walvisvaarder. Hij maakt deel uit van de expeditie omdat hij de taal van de lokale bevolking spreekt en hij in de winter toch niet kan uitvaren. Voor Hearn is de expeditie een mogelijkheid zich te bevrijden van het gevoel van stagnatie en desillusie, waaronder hij gebukt gaat.
De vier ‘Indianen’ zijn old hand Desanthi, zijn weerspannige pleegzoon Nabayah en hun lijdzame echtgenotes Pawpitch en Keasik. Zij gaan mee om als gids te dienen, voor eten te zorgen en de sleden te trekken.
Hearn is tot op zekere hoogte het ‘geweten’ van de roman. Maar slechts tot op zekere hoogte. Want Witte rivier is doortrokken van de overtuiging dat, om met Willem Frederik Hermans te spreken, de moraal slechts een werkhypothese is van tijdelijke duur.
McGuire heeft er, moedig en niet zonder risico, voor gekozen zijn roman afwisselend te vertellen vanuit de perspectieven van alle belangrijke personages. Dat risico zit hem in het feit dat er vrijwel geen bronnen bestaan die ons een betrouwbare indruk geven van het innerlijk, het denken van de lokale bevolking.
In Witte rivier laat McGuire die manier van denken, ondanks de evidente cultuurverschillen, niet wezenlijk afwijken van die van de Engelsen. Zo worden ze meer dan de eendimensionale figuranten die ze in veel westerse literatuur zijn. Maar de lezer hoort het gemor over culturele toe-eigening al op de achtergrond.
De veelstemmigheid van de roman maakt vanaf de eerste bladzijden de diversiteit van motieven, belangen en behoeften van de zeven expeditieleden duidelijk. We lezen hoe idealen botsen met opportunisme, voornemens met zwakheden, daadkracht met overmacht. Door gebeurtenissen te beschrijven vanuit het ene perspectief, vervolgens een stap terug te doen in de tijd en een ander personage dezelfde (maar tegelijk net iets andere) gebeurtenissen te laten beleven, bouwt McGuire niet alleen bekwaam een steeds toenemende spanning op, maar schetst hij ook de eenzaamheid van het individu in een vijandige, ongrijpbare werkelijkheid.
Witte rivier is een historische thriller. Maar ook een inktzwart manifest over het menselijk tekort.
Ian McGuire: Witte rivier. Uit het Engels vertaald door Rogier van Kappel. De Bezige Bij; 320 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant