Home

Met ‘Het welbevinden’ wil Ulla Lenze iets zeggen over de soms niet te begrijpen band tussen vrouwen

De roman lijkt aan te sluiten bij de recente feministische aandacht voor mystiek denken en het zogenaamd onverklaarbare. Maar wat is precies dat vrouwelijke welbevinden?

Vanessa, millennial, zoekt tijdens de covidcrisis een nieuw appartement in Berlijn. Daarvoor komt ze in het praktisch verlaten sanatorium Beelitz, zo’n twintig kilometer ten zuidwesten van Potsdam, dat op het punt staat door een gebiedsontwikkelaar te worden omgevormd tot ‘Creative Village’.

Toeval: Vanessa’s oma heeft over deze plek geschreven.

Met dat gegeven begint Ulla Lenzes Het welbevinden als tijdsportret en satire ineen. Vanessa luistert naar ‘sferisch gebonk, electronic ambient’ op haar koptelefoon en wordt opgebeld door een literatuurwetenschapper die bezig is met het werk van haar oma. Terwijl Vanessa over een paar weken haar huis uit moet, komt de academicus ‘aanzetten met ‘ruimtes ontsluiten met onze vrouwelijkheid’’.

In de S-Bahn terug naar Berlijn is reclame voor een meditatieapp te zien, terwijl Vanessa zich afvraagt: ‘Moeten we soms kalm blijven terwijl we op straat worden gezet, we onze banen verliezen? Hé, ik mag dan binnenkort geen huis meer hebben, maar mensen, één keer diep in- en uitademen en ik sta tenminste in mijn kracht. Nee natuurlijk niet, ze beloven je geen woning, maar wel de balans en power waarmee je net zo’n eikel kunt worden als je huisbaas.’

Naast Vanessa’s verhaal komen nog twee verhalen te staan, die zich in 1907 en 1967 afspelen. In beide staat Vanessa’s oma, Johanna Schellmann, centraal. In 1907 staat ze op het punt te beginnen aan De pronkkamer, haar bekendste en bestverkopende roman, terwijl ze bevriend raakt met een vrouw genaamd Anna Brenner.

In 1967 probeert Schellmann, oud, klaarblijkelijk dementerend, nog een laatste boek te schrijven: een autobiografisch geschrift over de tijd die ze met Anna doorbracht. Dat geschrift, zo wordt al snel duidelijk, is zo ongeveer de 1907-verhaallijn. Het verhaal in het verhaal.

Waren ze wellicht queer?

Met die gegevens wil de Duitse auteur Ulla Lenze (1973), van wie eerder De drie levens van Josef Klein in het Nederlands verscheen, iets zeggen over de niet altijd bekende of te begrijpen banden tussen vrouwen.

Johanna ziet zichzelf als jongste loot van een langere rij vrouwen (zo ziet ze ‘zoals zo vaak de laatste tijd, de gelijkenis met de smalle hand van haar moeder’) terwijl er in de literatuur voor al die vrouwen juist geen plek is. Vanessa heeft op haar beurt haar oma niet gekend en leert steeds meer over haar. En wat speelde er tussen Johanna en Anna: waren ze vriendinnen of was er meer aan de hand – waren ze, wellicht, queer?

Het personage Anna is in nevelen gehuld: een mystieke, mogelijk paranormaal begaafde vrouw, die zegt ooit gestorven te zijn en daarna vrij van zonde de waarheid kan verkondigen. Al vrij snel blijkt ze kort na de ontmoeting met Schellmann weer van het toneel te zijn verdwenen, mogelijk na een conflict met Schellmanns man Clemens. Wat is er gebeurd? En wie kan daarvan verslag doen?

Hiervoor is de verhaallijn in 1907 cruciaal. Daarmee maakt Lenze het haar lezers nog best lastig. Deze hoofdstukken schuwen het cliché niet en benoemen vaak zaken die ook wel duidelijk waren geweest als ze niet zo expliciet werden benoemd: ‘Ze probeerde zich steeds aan te passen aan een ideaal dat ze zich eigen had gemaakt door het lezen van andere boeken. Maar hoe kon dat de weg zijn, haar eigen weg?’

Op andere momenten is het proza verwarrend. Zo laat smeltende sneeuw ‘een modderige laag bladeren’ achter: ongetwijfeld lagen de bladeren al op de grond, maar door de schrijfstijl lijken die met de sneeuw gevallen te zijn.

Stroef proza

Maar: dat de zinnen stroef lopen is geen verrassing. Het blijkt al snel dat de gebeurtenissen uit 1907 tot ons komen in de vorm van het door Schellmann in 1967 geschreven manuscript (dat, inderdaad, Vanessa intussen in handen heeft). In dat laatste jaar van haar leven was Schellmann aan het dementeren – vandaar het stroeve proza.

Je kunt zeggen dat vorm en inhoud elkaar versterken, een makkelijke leeservaring levert dat niet op.

Uiteindelijk lijkt Het welbevinden aan te willen sluiten bij de recente feministische aandacht voor mystiek denken en het zogenaamd onverklaarbare. Bij auteurs als Olga Ravn en Bregje Hofstede zien we een interesse in hekserij, bij Lenzes Anna gaat het om occultisme.

Anna wordt al snel onderwerp van academisch onderzoek, waarbij mannelijke hoogleraren haar gedrag en situatie proberen te verklaren. Waar Anna haar ‘gaven’ beschouwt als ‘een geschenk van God’, zien de wetenschappers ze als ‘slechts geëxternaliseerde hysterische aanvallen van individuen die gestoord zijn in hun ik-bewustzijn’. Natuurlijk belandt Anna daardoor onder mannelijk, wetenschappelijk toezicht.

In het heden ontkomt Vanessa ook niet aan de gevolgen van de verhalen die ze ontdekt heeft. Ze eindigt de roman met een verlangen niet te willen functioneren: ‘Ze wilde helemaal niets moeten willen.’

De vraag naar de titel van de roman resteert: wat is dat precies, het vrouwelijke welbevinden?

Ulla Lenze: Het welbevinden. Uit het Duits vertaald door Goverdien Hauth-Grubben. Meridiaan Uitgevers; 349 pagina’s; € 26,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next