Het uitgangspunt van de Mussert-biografie van Auke Kok: zijn leven was ongemeen boeiend. De NSB-leider was niet de ultieme landverrader of een burgerman met een messiascomplex, zoals lang werd gedacht, maar een uiteindelijk verdoemd mens vol paradoxen.
schrijft over geschiedenis voor de Volkskrant en recenseert non-fictie.
Uiteindelijk blijft te gemakzuchtige geschiedschrijving niet onweersproken. Neem de wijze waarop NSB-leider Anton Adriaan Mussert (1894-1946) lange tijd in de historiografie over de Duitse bezetting heeft gefigureerd: als de voorganger van collaborateurs in alle soorten en maten. Als de ultieme landverrader. Als slippendrager van Adolf Hitler, aan wie in 1945 volkomen terecht het doodvonnis werd opgelegd.
Aan zo’n man – eendimensionaal in zijn verdorvenheid – moesten postuum vooral niet te veel woorden worden vuilgemaakt.
Na een paar decennia drong de ongemakkelijke vraag zich aan historici op of Mussert daarmee recht werd gedaan. Niet vanwege twijfels aan de funeste rol die hij voor en tijdens de oorlog heeft gespeeld, maar vanwege de paradoxen in zijn persoonlijkheid en zijn politieke leven.
Zeker: hij dweepte met Mussolini en met Hitler, maar hij bleef ook de kokette ‘burgerman’ die hij met zijn Führer-pose zo graag wilde maskeren.
Hij had dictatoriale trekken, maar was ook een twijfelaar die met medestanders overlegde alvorens beslissingen te nemen. Hij ageerde tegen Joodse plutocraten (na hen eerst enkele jaren te hebben genegeerd), maar zou nooit ‘een rassenmens’ worden. Hij boog mee met de Duitse machthebbers – in de ijdele hoop daarmee nog iets van de Nederlandse soevereiniteit te behouden – maar ging ook de confrontatie met hen aan. Hij ontleende hieraan de pretentie dat hij was voorgegaan in het ‘bovengronds verzet’ tegen de Duitsers, die hem inderdaad niet als een van hen beschouwden.
Meer in het algemeen kunnen durf en moed hem niet worden ontzegd. En dat waren kwalificaties waarop in dit verband lange tijd een taboe rustte. Pas in 1984 beschreef historicus Jan Meyers het leven van Mussert als de tragedie van een ijdele, zij het bekwame waterstaatsingenieur die in de waan was komen te verkeren dat hij zijn geliefde vaderland moest ontdoen van verdeeldheid, besluiteloosheid en andere kwalen die hij met de parlementaire democratie in verband bracht.
Het beeld van de burgerman met een messiascomplex raakte daarop dermate ingeburgerd dat de historici Robin te Slaa en Edwin Klijn in hun recente trilogie over de NSB graag de indruk wilden wegnemen dat Mussert een liberaal was die per ongeluk aan de verkeerde kant van de geschiedenis was terechtgekomen. Al ver voor de oorlog, meenden ze, kon hij als landverrader worden aangemerkt.
Voor zover van een richtingenstrijd rondom Mussert kan worden gesproken, voelt schrijver Auke Kok niet de behoefte zich daarin te mengen. In zijn boek Mussert – Reis naar het kwaad heeft hij zich slechts laten leiden door nieuwsgierigheid naar een leven dat, wat je ook van Mussert mag vinden, ongemeen boeiend is geweest.
Niet uitsluitend vanwege de bewogen tijden waarin de hoofdpersoon heeft geleefd, maar ook omdat die ‘brutaler, taliger en energieker’ was dan Kok had verwacht.
Grote verdienste van deze Mussert-biografie is dat de kennis van nu er geen slagschaduw over werpt. Je kunt als lezer begrip krijgen voor Musserts afkeer van de verzuiling omdat de openbare basisschool in Werkendam waarvan zijn vader hoofdonderwijzer was het aflegde tegen de christelijke scholen. Je kunt waardering krijgen voor zijn ijver en vindingrijkheid als hoofdingenieur bij de Provinciale Waterstaat in Utrecht, en voor de veelheid aan onderwerpen (tot aan het verplichte vak Grieks voor juristen aan toe) waarover hij zijn licht liet schijnen. Je kunt je verbazen over zijn liefdevolle huwelijk met een 18 jaar oudere tante en zijn gescharrel met een 29 jaar jonger achternichtje (waarmee hij zondigde tegen de kleinburgerlijke moraal die hem werd toegedicht).
Je kunt je, zoals ook veel tijdgenoten van Mussert hebben gedaan, afvragen wat deze man heeft bezield om een vak waarin hij uitblonk te verruilen voor een politieke loopbaan in gevaarlijke tijden. Je voelt de eigendunk die bezit van hem nam nadat hij, in 1927, met een buitenparlementaire actie het kanaalverdrag met België had getorpedeerd waarmee Nederland zijn nationale belangen zou hebben verkwanseld. Je staat versteld van de hardnekkigheid waarmee hij de aard van het naziregime miskende en van de goedgelovigheid waarmee hij Adolf Hitler benaderde.
Je leest met ongeloof dat hij in mei 1945 nog meende dat er misschien nog een toekomst voor hem als Kamerlid was weggelegd, zoals ook ‘collaborateurs’ in de Franse tijd hun loopbaan ongehinderd hadden kunnen voortzetten in het Koninkrijk der Nederlanden.
De onbevangen nieuwsgierigheid waarmee Kok de NSB-leider bejegent, gaat soms gepaard met een zekere mateloosheid (een euvel waaronder biografieën wel vaker lijden). Zo besteedt hij nodeloos veel aandacht aan het bezoek dat Mussert in 1935, na de voor de NSB zeer succesvol verlopen Statenverkiezingen, aan toenmalig Nederlands-Indië bracht. Kok acht deze episode zo relevant omdat ze Musserts radicalisering zou hebben ingeluid. Maar de onderbouwing van die these is wat pover.
Wel maakt Kok aannemelijk dat Mussert in Indië een funeste dosis zelfvertrouwen ontleende aan het aanzien dat hij er genoot, en – met name – aan het feit dat de (reactionaire) gouverneur-generaal Bonifacius de Jonge hem tweemaal heeft ontvangen (overigens zonder van zijn gast onder de indruk te raken).
Uiteindelijk verzoende Mussert zich met zijn lot toen hij besefte dat hij verdoemd was. Hij was toch wel een aangenaam mens, stelde een Haagse politieman vast na een verhoor van Mussert in de zomer van 1945 vast. Auke Kok lijkt hem met instemming te citeren.
Auke Kok: Mussert – Reis naar het kwaad. Hollands Diep; 480 pagina’s; € 35.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant