Home

Moeder, onlangs ontving ik een brief waaruit ik begreep dat we zijn onterfd

Voorpublicatie De moeder van actrice en schrijver Yolanda Entius brak met haar kinderen. Dertig jaar nadien schreef Entius haar een lange brief. Dit is een (bewerkt) fragment uit haar nieuwe boek PS. Brief aan mijn moeder.

 Moeder,

Onlangs ontving ik een brief waaruit ik begreep dat we zijn onterfd. Hij was ondertekend door een notaris uit Montferland, maar het kwam me voor dat niet hij de afzender was, maar u. Mij bekroop het akelige gevoel dat u vanuit uw graf het woord tot ons richtte, een soort nagezonden mededeling, kil en zakelijk als ik van u gewend ben. En hoewel de inhoud ervan mij niet onbekend was, zo zwart-op-wit raakte het me.

Geloof me, het gaat me niet om het geld (en ik kan, mocht ik dat willen, aanspraak maken op de helft van mijn kindsdeel) maar om de gedachte. Ik besefte dat ik, in de maanden rondom uw dood, toch weer iets voor u was gaan voelen, waarna ik halfbewust was gaan denken dat u, op uw beurt, ook veranderd was. Ten onrechte, zo bleek. De brief kwam als een terechtwijzing. Hij vroeg om een reactie. Dat u altijd heeft gepersisteerd in uw vijandigheid mag hard zijn, dat ik zélf zo versteend ben vind ik onverdraaglijk en ongezond.

Yolanda Entius: PS. Brief aan mijn moeder. Nijgh & Van Ditmar. Verschijnt 12 mei.

Ik besloot u terug te schrijven maar kreeg het lange tijd niet voor elkaar. Niet omdat mijn woorden u niet zullen bereiken – dat zouden ze bij leven en welzijn ook niet hebben gedaan – maar omdat ik geen idee had hoe ik moest beginnen. Beste mama? Dat klinkt raar, als ik al meerdere mama’s had dan was u zeker niet de beste. Lieve? Lieve mama? Nee, lief kan ik u niet noemen, al heel lang niet meer, en mama eigenlijk ook al niet; het is me te intiem. Moeder dan, en niet je en jij, zoals we gewend zijn, maar u? Gezien de afstand wel zo toepasselijk, maar omdat we elkaar nooit hebben gevousvoyeerd ook heel onnatuurlijk. Marietje dan of Ria? Nee, dat riekt te veel naar vriendschap en zou voorbijgaan aan het feit dat u biologisch gezien wel degelijk mijn moeder bent. En daarmee is alles eigenlijk gezegd. Want hoewel elke verwijzing naar het moederschap me te veel is, kan ik er niet omheen: u bent mijn moeder en ik uw dochter.

Moeder dus, zonder adjectief, en u; het onnatuurlijke neem ik voor lief en bij nader inzien past het wel. Want als iets onze relatie kenmerkt is dat het wel: onnatuurlijk. Of beter misschien: tegennatuurlijk, de term die Ischa Meijer gebruikte toen híj aan zijn moeder schreef. Het zou niet kies zijn mezelf met hem te vergelijken, of zijn moeder met u – de dood van een zoon is nog geen Holocaust (en ook dat is ongepast: het ene verdriet afwegen tegen het andere) – maar de kinderen werden, net als wij (Do, Ilse en ik), uit het ouderlijke nest gewipt; moeder Meijer koos, net als u, radicaal voor haar man, ten koste van haar kinderen. Ik heb me altijd verwant gevoeld met Ischa, met het verschil dat hij wel degelijk van zijn moeder lijkt te houden. Hij haat; hij hunkert. Dat neigt toch wel naar liefde.

Onze relatie daarentegen gaat zó tegen de natuur in, tegen wat ouders en kinderen van nature voor elkaar zouden voelen, dat ik toch wel aan de natuurlijkheid ervan ben gaan twijfelen. Ik ben het moederschap als een functie gaan beschouwen, een rol waarvoor u decennia terug al heeft bedankt en waar ik nooit aan ben begonnen. Onlangs, bij mijn toespraak op uw crematie, kreeg ik het woord domweg niet over mijn lippen. Moeder, had ik geschreven, mijn moeder, maar daar aangekomen stokte ik. Door er ons van te maken, ónze moeder – u bent immers niet alleen mijn moeder, maar ook die van Do en Ilse – en door aan u te denken als de moeder van Ilse, die geen moeite heeft met dat woord, lukte het. Het was van een mathematische logica, de uitkomst van een simpel sommetje: als Ilse zich uw dochter voelt dan bent u haar moeder. En als ik de zus van Ilse ben – en dat ben ik, daarvoor heb ik geen wiskunde nodig – dan ben ook ik uw dochter en u dus mijn moeder.

Op mijn bureau ligt een foto. Ik vond hem vlak voor uw dood in een van uw zorgvuldig gerangschikte albums. Het is juni 1963. U staat samen met Do en Ilse in een wei vol margrieten, ergens in de Alpen. Prachtig bent u. Onder een strak rood truitje, mouwloos, draagt u een cross your heart-bh – een woord uit lang vervlogen tijden dat me zomaar te binnen schiet. U heeft een lichtblauwe, katoenen broek aan. Uw donkere haar zit in een knot. Do en Ilse, kleuters nog, dragen tuinbroeken in de kleur van uw broek. Misschien heeft u alles uit hetzelfde lapje stof genaaid. Ze hebben uw hand vast – Do uw rechter, Ilse de linker – en houden hun kortgekapte koppies schuin tegen de zon. Waar ik uithang weet ik niet. Te klein, vermoed ik, voor een wandeling in de bergen. Of misschien lig ik, buiten beeld, in een lichtblauw hansopje op een kleedje in het gras.

Het is een vredig tafereel, een en al harmonie. En toch: de grote breuk, hij ís al in de maak, hier op de foto, al is daar niets van te zien. De zon schijnt. De hemel is blauw, net zo blauw als die katoenen broek van die mooie jonge vrouw en haar dochters. Geen vuiltje aan de lucht. Ware het niet dat het geluk in uw fotoalbum voorzien is van een opmerkelijke notitie in blauwe inkt. In de kantlijn staat iets over een ruzie, tussen u en papa. Die ruzie zou de laatste zijn geweest.

Een aanwijzing is het, een baken in de mist. Alsof er even iets oplicht in de grauwe nevel waarin u gevangen zit. Maar wat geeft het prijs? Over u, over papa en over waarom jullie ons, jullie kinderen, decennia na die foto zouden verbannen? Waar ging die ruzie over? Vond die plaats vóór of na het nemen van de foto? En waarom heeft u erbij gezet dat het de laatste was?

Zo’n dertig jaar zit er tussen het nemen van die foto en de dag, eind ’95, dat jullie ons uit jullie leven gooiden. Zo’n dertig jaar dus ook, besef ik met een schok, tussen toen en nu. Hoe kon het zover komen? De gebeurtenissen die tot de breuk hebben geleid kan ik wel zo’n beetje navertellen. Een bekend rijtje van aanleiding, oorzaak en gevolg dat ik als een boodschappenlijstje op kan dreunen: om te beginnen natuurlijk de angst voor papa – zijn razernij, zijn ongetemde drift, zijn tirannie – waar we allemaal, u en wij, onder gebukt gingen. En de stilte, dat aanvaarden, dat niet bewegen, dat domme buigen, dat ziekmakende zwijgen waartoe we werden verplicht. En dan heb ik dus niet over wat daarvóór gebeurde – al die dingen in je eigen, jonge leven die je niet meer weet of maar half bewust hebt meegemaakt – alsof je hebt zitten slapen bij de belangrijkste scènes uit de film.

Is daar op die vakantiedag iets gebeurd, hoe klein ook, wat je een plotpoint kan noemen, het begin van een verhaal dat in Hollywoodfilms met een zware basstem onder de trailer wordt gezet? Werd daar tussen de margrieten iets in gang gezet wat ertoe zou leiden dat u zich dertig jaar later wel van ons af móést keren? Want dat er iets noodzakelijks in uw handelen zat, ligt aan de basis van alle theorieën die ik in de loop der jaren heb ontwikkeld: het was geen keuze, maar nood. U kon domweg niet anders; er valt u niets te verwijten.

(…)

We moeten het over Andreas hebben, moeder. Ik heb er geen zin in, ik zeg het maar eerlijk, en loop er al maanden tegenaan te hikken, en alles wat erover te zeggen valt, heb ik net zo vaak herhaald als u het heeft verzwegen en verdraaid. Maar ik kan er in deze brief toch niet omheen: Andreas, dat opkontje naar de grote breuk. Of preciezer: we moeten het over uw versie daarvan hebben, want u heeft, ontdekte ik een jaar of tien geleden, de geschiedenis zo doelbewust herschreven dat ik me opnieuw genoodzaakt zie mij daartoe te verhouden.

Dat ik fout was, wist ik. Dat wil zeggen: ik ben me er altijd van bewust geweest dat ik de opstandige was, een bedreiging voor de status quo. Ik nam wat ik aantrof niet zomaar voor lief. Ik stelde vragen waarin u niets anders dan een aanval zag, een bestorming van de wereld die u, rond papa’s tirannie, had opgebouwd. Ik trapte daar een kier in en manoeuvreerde me een weg naar buiten. Ik werd de ander, een bedreiging, uw vijand.

Gaandeweg bent u alles wat ik deed stelselmatig gaan wantrouwen. En daar raakte ik, net zo gaandeweg, zó aan gewend dat ik er ook zelf (in zekere zin) in ging geloven. Ik was fout, ik had schuld. Niet dat ik ergens spijt van had, maar omdat ik de ogenschijnlijke rust verstoorde, hing dat om mij heen. Ik was de oorzaak van ellende. Het is in me gaan zitten als regen in een wollen vest dat niet helemaal droog is opgeborgen. Ik wás de luis in de pels en zou dat (ook buiten ons gezin) blijven. Ik kan het niet laten de onderste steen boven te krijgen, geheime agenda’s bloot te leggen, het tapijt waaronder rotzooi is geschoven weg te trekken. Daar ben ik niet trots op want ik handel niet vanuit een keuze, maar vanuit drift: ik kan niet anders. Als ik ook maar even vermoed dat iemand iets wegmoffelt, blijf ik, ook als het alleen maar averechts werkt, doorvragen. Ik drijf mensen in een hoek. Dat kan de bedoeling niet zijn, denk ik als het al te laat is en moet constateren dat ik er niets mee heb bereikt.

Ook u heb ik, nadat ik het huis uit was, alleen maar opgejaagd. Ik zei wat u niet wilde horen of weten en u sloeg mij van u af. Dat had ik dusdanig aanvaard dat het me niet meer raakte, en daarmee bedoel ik dat het me ook écht niet meer beroerde, wat meteen de vraag oproept of ik niet hard op weg was net zo koud en star te worden als u.

Pas toen ik in 2015, decennia na dato dus, uw reconstructie van de gebeurtenissen uit 1995 onder ogen kreeg, trof me dat, zoals heel veel later de brief van de notaris over onze onterving me zou treffen. Ik begreep dat u mij, ook in een conflict waarin ik slechts een bijrol vervulde, tot kwade genius had gebombardeerd. In een tekst die u in 2001 op uw Remington tikte, en waarvan ik in 2015 een kopie in handen kreeg, werkt u er stelselmatig naartoe een schuldige aan te wijzen.

Maar eerst de feiten. Laat ik beginnen met de gebeurtenissen waar u en ik het wel zo’n beetje over eens zijn en waarover ik dus kort kan zijn.

De situatie is in 1995 als volgt. Ik ben alweer zeventien jaar de deur uit. Tussen ons – u en papa en mij – gaat het zozo. Ruzie is er niet, maar we zien elkaar zelden. De betrekkingen tussen jullie en Do en Henk zijn misschien wel goed te noemen. Jullie zien hen met enige regelmaat, ze wonen in de buurt. Het is november: nog een week en jullie gaan traditiegetrouw met Do en Henk en de kinderen Sinterklaas vieren. Maar dan kom ik, of beter: dan komt Ilse, en in haar kielzog ik. Ilse is opnieuw zwaar psychotisch. Ze is opgenomen in een instelling, Schakenbosch als ik me goed herinner. Bij het opruimen van haar flat heb ik iets gezien wat me meer zorgen baart dan de berg afval die tot aan mijn navel reikt of haar aan gort geslagen meubeltjes: de naam van Andreas, onze oppas uit Den Haag, in chocoladeletters op het behang.

Dat daaronder ook de naam van papa staat, zeg ik er – als ik u spreek in de stationsrestauratie van Gouda – niet bij. Wél vertel ik dat Andreas ons seksueel misbruikte. Dat gebeurde in de Convivastraat, maar ook op de camping in Zevenhuizen en Duinrell. Hoe ik weet dat ook Ilse en Do misbruikt zijn weet ik niet, maar in mijn herinnering was ik een jaar of vier, Ilse zes en Do acht. Andreas moet een jaar of achttien zijn geweest; hij reed motor. Veel heb ík er niet aan overgehouden, zeg ik er nog bij, maar ik weet niet precies wat hij bij Ilse uitspookte en al helemaal niet wat voor impact het op haar heeft gehad.

Ik zie u schrikken en raad u aan naar Do te gaan. Dit is niet iets wat een moeder in haar eentje moet verstouwen en met mij kunt u niet praten. Met mij is dat immers meteen iets raars. (Vertwijfeld vroeg u me ooit wat ik toch bedoelde als ik het over praten had. ‘Bedoel je zoiets als wat Greet Hofmans doet?’ Ik moest het navragen, had nog nooit van Hofmans gehoord en toen ik begreep dat u praten verwarde met handopleggen en gebedsgenezing, wist ik niet of ik moest lachen, kwaad worden, of janken.) Later die dag belt u Do. Do op haar beurt vindt dat u het tegen papa moet zeggen, al was het maar omdat jullie nog altijd contact met Andreas hebben; hij is als een zoon voor jullie, vooral voor papa.

Jullie eigen zoon stierf toen hij nog geen zes weken was. Er zijn geen foto’s van hem, geen bewaarde rompertjes of sokjes, geen rammelaar, geen mutsje, niets. En ik wist, tot voor kort, niet eens of hij een grafje kreeg (na uw dood vond ik in een van uw fotoalbums een foto van een gedenksteen in Den Haag). U heeft nooit over hem kunnen of willen praten – niet met mij, Do of Ilse, niet met papa, niet met tante Toos, uw zus. Alleen al bij het noemen van zijn naam verstijfde u, en zelfs nu aarzel ik hem te noemen, maar ik kan niet om hem heen: Vincent, jullie eerste kind, ‘gestikt in de lakentjes’ zoals dat toen heette.

Andreas, de buurjongen met zijn glimmende motor, nam – zo ben ik dat gaan zien – zijn plaats in. Hij werd jullie vriend, de enige, en is dat al die tijd gebleven. Dat is zowel een reden om het papa wél als om het hem niet te zeggen. U besluit te zwijgen, waarop Do laat weten het papa dan wel zélf te vertellen.

Zij en Henk stappen in de auto. Bij jullie aangekomen staat u haar in de deuropening op te wachten. „Het is al niet meer nodig”, zegt u, „ik heb het hem zelf verteld.” De rest is, zoals dat dan heet, geschiedenis. Met de moed der wanhoop klampt u zich vast aan wat nog rest van de regie, maar het is te laat. Een heel levenswerk zal uit uw handen glippen.

Papa is laaiend, niet op Andreas, maar op ons. En omdat het Do is die daar in de woonkamer staat, krijgt zij de volle laag. Waarom we dat niet eerder hebben verteld? En zou Do het er niet zelf naar hebben gemaakt? En dan wordt Do kwaad. Na al die jaren komt ook Do, de voorbeeldige dochter, moeder van jullie kleinkinderen, als laatste in de rij in opstand. Zelfs Henk doet een duit in het zakje. „Als het mijn dochters betrof dan wist ik het wel”, zegt hij (schrijft u). „Ik ging nog vanavond naar Andreas toe en zou hem eens flink de waarheid vertellen. Ik zou als vader voor mijn dochters opkomen.” Do scheldt papa uit, noemt hem een klootzak, of iets van die strekking. Dat laat hij niet over zijn kant gaan. Papa eist excuses. Komen die er niet dan is het uit, maar het kan ook andersom zijn geweest: dat Do zelf excuses eiste voor de insinuatie dat ze als achtjarige een „te kort rokje” zou hebben gedragen. Dat is haar in het verkeerde keelgat geschoten. Hoe het ook zij – ik was er niet bij natuurlijk; ik heb het uit de tweede hand, die van Do, en het is meer dan dertig jaar geleden dat ze me dit vertelde – in beide versies komt het erop neer dat Do en Henk woedend jullie huis verlaten en dat er excuses worden geëist die niet worden gemaakt en dat Sinterklaas dat jaar niet doorgaat.

Het zal niet meer goedkomen tussen jullie. Do en papa komen geen van beiden op hun woorden terug. Papa verbiedt u de omgang met uw oudste dochter, en in de slipstream van de breuk glippen Ilse en ik domweg mee. We zullen papa nooit meer zien, zelfs niet in zijn kist, u en de familie zullen zijn dood voor ons verzwijgen. Tot zover de feiten.

In uw reconstructie van zes jaar na dato – en die ik jaren nadien onder ogen krijg – heeft u alle begrip voor papa’s handelen. Wat u niet begrijpt is wat, of beter wie, Do ertoe heeft bewogen haar poot stijf te houden, want daar ligt de kern van uw probleem: ook Do heeft nu haar tanden laten zien. Dat ze uit eigen beweging handelt komt niet bij u op. Iemand moet haar daartoe hebben aangezet. Papa verdenkt Henk, ú weet vrijwel zeker dat ik het ben. Overal doem ik op als de bron van het kwaad, papa en Andreas worden uit de wind gehouden.

Do is dan en dan bij mij langsgeweest in Amsterdam, en vlak voor ze definitief „die harteloze beslissing neemt”, zoals u het afblazen van het sinterklaasfeest noemt, heeft ze mij aan de lijn gehad. En is het niet opvallend dat Do formuleringen gebruikt die ook ik zou hebben gebezigd? Als een volleerd propagandaschrijver bedient u zich van het magische mechaniek van afzwakken, herformuleren en wegwuiven. Over Ilse ondertussen vrijwel geen woord.

„DECEMBER-WOORDEN 1995” zet u in kapitalen boven uw verslag daarvan uit 2001. Op verzoek van papa die in het ziekenhuis ligt zet u de gebeurtenissen nog eens voor hem op een rijtje, schrijft u in de eerste alinea. Of dat waar is valt te betwijfelen. Zo heeft u het louter over ‘Aad’ waar, als uw schrijven daadwerkelijk voor hem geweest was, ‘je’ beter op zijn plaats zou zijn. Door telkens te benadrukken dat uw verslag bedoeld is voor uw zieke man – u wilt „zijn geheugen opfrissen” – werpt u juist de vraag op voor wie u dit verslag nou eigenlijk schrijft.

Al na een paar alinea’s dringt zich de gedachte op dat u zich aan het verdedigen bent: u heeft met uw versie van het verhaal de waarheid in pacht, vergissen is uitgesloten. U put niet alleen uit uw geheugen waarin alles „staat gegrift” maar ook uit uw agenda’s waarin u destijds een en ander heeft beschreven.

Hier moet ik even stilstaan bij het feit dat ik wekenlang naar uw tekst op zoek ben geweest. Ik kon hem niet meer terugvinden. Niet op papier, niet in mijn computer. Ik wist dat hij bestond maar hij was foetsie. Aanvankelijk vervloekte ik mezelf omdat ik uitgerekend dit was kwijtgeraakt. Later begon ik te twijfelen. Bestond er wel zo’n document? Had ik de tekst, en vooral wat ik me van de inhoud ervan herinnerde, verzonnen? Het geheugen is onbetrouwbaar, zelfs als de dingen in „je geheugen staan gegrift”. Soms draait dat geheugen je een loer, soms ook geef je zelf een draai aan de dingen, door ze te herbenoemen of door er iets anders overheen te krassen dat het origineel gaat overstemmen: een oorlog wordt een politionele actie of een militaire operatie, je noemt de man die zijn land verdedigt een agressor en dictator, wetenschap is een mening, jóúw mening is de stem van het volk en wie sterk of rijk is heeft gelijk; het is van alle tijden.

Kon het zijn dat ik u ervan was gaan verdenken mij als zondebok te zien en had ik van mijn verdenking een feit gemaakt door het aan een document te koppelen waarin het allemaal zwart-op-wit stond? Deed ik, kortom, wat ik u verweet? Reden te meer om door te zoeken. En toen ik die tekst, goddank, dan uiteindelijk had teruggevonden, was het me een mirakel hoe die in mijn bezit kon zijn gekomen. Tot ik mijn mailbox doorspitte en een bericht tegenkwam van Nadine, die hem blijkbaar in november 2015 voor me had gescand nadat haar moeder – tante Toos, uw zus – hem bij een of andere opruimactie was tegengekomen.

In 2008, zeven jaar na het schrijven van uw verslag, en ruim een jaar na papa’s dood, maar vooral ook vlak voor u weer contact zocht met Do, zou u die tekst aan tante Toos hebben gegeven, met de boodschap dat zij zo zou weten wat u uw kinderen zou willen vertellen. Waarom u dat dan niet rechtstreeks zelf aan ons vertelde is even raadselachtig als kenmerkend. Het antwoord ligt in uw tekst. Daaruit spreekt niet de behoefte om papa’s geheugen op te frissen, noch de wil om ons, uw kinderen, iets te vertellen wat wij nog niet wisten, maar de wil om u te rechtvaardigen.

U begint uw verhaal met een resumé van wat ik in die stationsrestauratie over Andreas vertelde. Eerst wordt het u „zwart voor de ogen”, maar nog in dezelfde zin vermeldt u dat er „geen sprake bleek te zijn van verkrachting maar noem het doktertje spelen, vader en moedertje spelen, of nieuwsgierigheid”. Volkomen onschuldig dus. U belt Do en vertelt over het „schokkende verhaal” dat u van mij heeft gehoord. Kinderlijke nieuwsgierigheid is nu toch ineens weer schokkend, maar een zin later alweer niet meer dan een spelletje.

In de alinea die volgt gaat u uitleggen dat van seksueel misbruik geen sprake was. „Do heeft mij verteld dat het erop neerkwam dat Andreas haar hielp bij haar huiswerk. Daartoe ging zij naar beneden. Van het een kwam het ander. Het heeft ongeveer drie jaar geduurd, en toen wilde zij niet meer en is ze ermee gestopt. Dat laatste vertelde ze mij letterlijk. Het is dus overduidelijk dat van Andreas geen enkele drang of dreiging is uitgegaan. Zij zocht hem op, het initiatief ging van haar uit.”

Ook in mijn geval moet het initiatief van mij zijn uitgegaan. U schrijft: „Dat Yolanda het van Do en Ilse wist levert voor mij de theorie op dat zij hen heeft bespied en haar stopwoordje indachtig als peuter: ‘ik ook’ heeft toegepast.”

Nadat u overtuigend heeft aangetoond dat wat er gebeurde door ons in gang is gezet geeft u een beschrijving van Andreas zoals u hem leerde kennen, „een nakomertje, spelend met zijn treintjes, geen donjuan, een sneu knaapje dat nooit seksuele voorlichting had gehad (…) geen vriendjes had, alleen die buurmeisjes, die ook nieuwsgierig waren”. U reduceert Andreas, die oud genoeg was om motor te rijden en onze oppas te zijn, tot een kind dat heel onschuldig met zijn buurmeisjes speelde. „Dat kinderen doktertje spelen is van alle tijden”, schrijft u. „Welk leeftijdsverschil toelaatbaar is, weet ik niet, is ook wel afhankelijk van de ontwikkeling van het kind. Dat ik nooit enig vermoeden heb gehad, verwijt ik mezelf niet. Het bestond wel, ook in mijn jeugd, alleen was men er niet zo open over, en er derhalve minder alert erop.”

En zo zuivert u in overdachte woorden na Andreas ook uzelf – mocht er eventueel tóch iets laakbaars zijn gebeurd – van iedere blaam. Dat het niets voorstelde zal ook Ans, Andreas’ toenmalige vrouw, bevestigen. In januari zoekt u Andreas op. U confronteert hem, zoals u het noemt. Hij ontkent niet, maar verklaart zich niet te hebben gerealiseerd dat er iemand „moeilijkheden mee zou kunnen hebben”. Hij besluit, ook al laat u hem „de mogelijkheid het voor Ans te verzwijgen” (waarom eigenlijk zou je onschuldige kinderspelletjes willen verzwijgen?) zijn vrouw in te lichten. De volgende dag belt Ans u op en stelt u gerust: „Ze verzekerde me dat ze er niet moeilijk over deed.”

Nog maar weer eens het bewijs dat er al met al niet veel aan de hand was, zelfs Ans ziet er geen kwaad in. Dat het niet de vraag is wat Ans erin ziet, maar wat wij en vooral Ilse erin zagen, lijkt u volledig te ontgaan. U denkt alleen nog aan die pakjesavond die niet door dreigt te gaan „waarna de schade”, zo laat u Do dreigend weten, „onherstelbaar” zou zijn. „Dat wil je toch niet?”

Waarom ben ik vergeten, maar een paar weken na de ruzie met Do belt u mij, vanuit een cel; bellen mag niet, papa heeft ieder contact met ons verboden. Als ik voorstel om naar u toe te komen, drukt u me op het hart dat niet te doen. Papa zal me wat aandoen. Als ik zeg dat ik niet bang meer voor hem ben, neemt u daar geen genoegen mee. „Jij weet niet waartoe hij in staat is.” „Waartoe dan?” vraag ik. U geeft geen antwoord. „GEHERSENSPOELD” heb ik u, zo lees ik in uw verslag van dat gesprek, u bent er „KAPOT VAN” – de kapitalen zijn van u.

De dag waarop de finale ontknoping plaatsvindt is een dag die u, tijdens het schrijven van uw decemberwoorden, „voor de zesde maal herbeleeft”. Definitief blaast Do de boel af omdat het „toch niet gezellig kan worden”. U noemt het een „zwarte bladzijde” in uw bestaan, „zoals 24 juli 1956” – de dag waarop Vincent stierf. U vergelijkt een feestje dat niet doorgaat met de dood van uw zoon. En nee, zomin als u gaat over de impact van Andreas’ seksuele escapades op uw kinderen, zomin ga ik over de gevoelens die u bij het afgelasten van pakjesavond had, maar komaan! Vincents dood was een ramp die u overkwám. Dát vergelijken met een sinterklaasfeestje dat niet doorgaat omdat papa „wel kan spreken, maar niet praten” zoals u tegen Henk zou hebben gezegd, en niet „in staat is tot excuses” en vooral ook omdat u pal achter hem blijft staan. U gunt papa zijn onvermogen – het ligt niet aan hém, hij kán het gewoon niet – terwijl u van Do het onmogelijke eist. Aan mij nu de taak u uw onvermogen om daarop te reflecteren te gunnen. Ik kan het niet.

Het wás geen natuurramp, moeder. Er was vrijwel niets voor nodig om het schip vol pakjes de haven binnen te loodsen. Tenzij die natuurramp papa was. De storm waarvoor u telkens weer ging liggen, vaak nog voor die was opgestoken. En u eiste van al uw dierbaren, wilden ze u dierbaar blijven, dat zij hetzelfde deden. Dat zelfs Do niet meer ging liggen, kon u niet geloven. Dat moest door een ander komen: mij, Yolanda.

„Vele malen herhaalde Do: ‘Je hebt je kinderen in de steek gelaten. Je zult moeten kiezen, mam.’ Dit moet van Yolanda afgekomen zijn. (…) Ik heb Do geantwoord dat ik 40 jaar geleden gekozen heb en dat ik daarbij blijf.”

U was een weg ingeslagen die nog maar één kant op ging. Had u in de spiegel gekeken dan had u achter zich een terugweg gezien, een pad dat uit één woord bestond: sorry. Stilletjes naar de andere kant van het land verhuizen was blijkbaar makkelijker.

Terborg werd jullie bestemming. Weg van Ilse en mij, en weg van Do en haar gezin.

„Geen kinderen”, vulde u in toen u zich liet inschrijven bij de gemeente Oude IJsselstreek. En toen u in 2011, vier jaar na papa’s overlijden, bewindvoering aanvroeg, liet u de kolom onder het kopje ‘kinderen’ leeg. Dat was niet omdat uw geheugen al was weggevallen en ook niet omdat u ons in geen jaren meer gezien had. Er was mondjesmaat maar wel degelijk weer contact. En toch vulde u niets in onder dat kopje waarin naar kinderen werd gevraagd. Administratief veegde u ons zomaar van de kaart.

Over dit boek PS. Brief aan mijn moeder

Een jaar nadat haar tirannieke vader was gestorven, begon actrice en schrijver Yolanda Entius (64) aan een roman over het gezin waarin ze was opgegroeid, Het kabinet van de familie Staal (2011). Ze dacht dat ze haar ouders, die in 1995 met hun kinderen hadden gebroken, daarmee van zich had afgeschreven. Tot ze na de dood van haar moeder in 2023 hoorde dat zij en haar zussen onterfd waren.

Omdat de executeur die de uitvaart zou regelen daarvoor niet zijn vakantieadres wilde verlaten, had zij dat op zich genomen. Al tientallen jaren had ze geen gevoelens meer gehad voor haar moeder. „En daar had ik me mee verzoend”, zegt ze. „ Maar door in te bedenken hoe ze het gehad zou willen hebben, door het mooi te laten verlopen, begon ik me weer een beetje een dochter te voelen, en daar was ik best blij mee.” Het testament deed haar beseffen dat die hernieuwde band alleen in haar eigen hoofd bestond. En met dat besef ontstond net als na de dood van haar vader de noodzaak erover te schrijven. „Het moest gewoon opgeschreven worden.”

In PS. Brief aan mijn moeder beschrijft ze die breuk, wat daaraan voorafging, de laatste jaren van haar moeder en probeert ze te begrijpen waarom ze was hoe ze was. Dat de titel lijkt op Ischa Meijers Brief aan mijn moeder (1974) is geen toeval. „Ook hij had een moeder die zich tegen haar kinderen keerde, maar heel volgzaam was tegenover haar echtgenoot.”

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next