Home

Natuurbrand in ’t Harde treft vooral reptielen, amfibieën en kleine dieren. ‘Een vossenjong in een hol kon geen kant op’

Fauna Natuurverenigingen vrezen dat kikkers, padden en slangen de brand van vorige week op het defensieterrein in ’t Harde niet hebben overleefd. En „zelfs als de dieren het hebben overleefd, hebben ze alsnog een probleem: hun voedsel is verdwenen”.

Zandhagadis op de Edese Heide na een eerdere brand in 2025.

Hij hoopt dat bruine kikkers en gewone padden vorige week diep konden wegduiken in een ven of poel, toen de natuurbrand uitbrak. Maar Christ-Jan Nederlof, lid van natuurvereniging KNNV, vreest het ergste. De brand die woedde op het defensieterrein in ’t Harde is „een regelrechte ramp voor alle populaties amfibieën en reptielen”, zegt hij. „De gewone pad is een nachtdier en zat overdag waarschijnlijk tussen de vegetatie of in ondiepe holen. Die heeft het vermoedelijk niet overleefd.”

Nederlof, een zelfverklaarde „reptielengek” die het terrein afgelopen jaren meermaals onder begeleiding bezocht voor onderzoek met de stichting Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON), maakt zich ook zorgen om de adder en de gladde slang. Die staan op de Rode Lijst als kwetsbaar aangemerkt. En het is juist paringstijd voor reptielen: ze zijn dan actiever, minder schuw en vaker aan het oppervlak. „En zelfs als de dieren het hebben overleefd, hebben ze alsnog een probleem: hun voedsel is verdwenen en ze worden gedwongen uit te wijken naar ongeschonden gebieden.”

En dankzij eerdere natuurbranden is bekend dat zelfs daarna het gevaar nog niet is geweken, zegt Nederlof. „Ook ná de brand vallen nog slachtoffers onder de reptielen.” Zo bleek na de natuurbrand op de Edese Hei vorig jaar dat een deel van de zandhagedissen het vuur had overleefd, maar rond deze tijd van het jaar kleuren de mannetjes felgroen, waardoor ze extra opvallen. In een zwartgeblakerd landschap waren ze makkelijke prooien voor roofvogels.

Het zal jaren duren voordat het natuurgebied weer is begroeid met voldoende gevarieerde vegetatie, „een must voor de temperatuurregulatie van reptielen”. En voor weer genoeg voedsel is te vinden. Reptielen zoals de adder en de gladde slang keren volgens Nederlof bovendien niet snel terug. Als ze al terugkeren: „Deze soorten leggen doorgaans geen grote afstanden af. Een verdwenen populatie herstelt zich niet vanzelf. De omliggende wegen vormen bovendien een vrijwel onneembare barrière. En voor de eventuele restpopulatie is het risico op inteelt sterk toegenomen.”

Ook de insecten werden zwaar getroffen. Met die groep ging het volgens Nederlof „sowieso al slecht” de afgelopen jaren. „Een deel aan de randen van het gebied zal het hebben overleefd, maar veel insecten – zeker spinnen – hadden geen schijn van kans.”

Luchtfoto van het militair oefenterrein na de natuurbrand.

Een dode veldmuis na de brand op de Edese Heide in 2025.

Schade voor vogels lijkt beperkt

Dik Bos, van de Vogelbeschermingswacht Noord-Veluwe, maakt zich minder zorgen – ondanks dat het broedseizoen in volle gang is. „Voor vogels valt de schade van een brand meestal mee. Ze kunnen wegvliegen. Nesten die verloren gaan, worden vaak opnieuw gebouwd, waarna een nieuw broedsel volgt.”

Voorwaarde is wel dat soorten als boompiepers, boomleeuweriken en veldleeuweriken een nieuw leefgebied vinden. Bos wijst erop dat in het gebied ook grauwe klauwieren broeden, een soort die op de Rode Lijst als bedreigd is aangegeven. Die vogels zijn momenteel nog niet terug in Nederland. „Ze arriveren de komende dagen. Het is goed mogelijk dat het gebied dit jaar minder geschikt is. Deze soort is behoorlijk honkvast, dus dat kan ten koste gaan van het broedsucces.”

Ook over grotere zoogdieren maken de twee zich minder zorgen. Nederlof verwacht dat soorten als edelherten, reeën, wilde zwijnen, vossen en wolven de brand grotendeels konden ontvluchten. Nederlof, ook opgeleid als natuurgids, noemt deze dieren alert, dus die waren mogelijk al uit de buurt vanwege militaire oefeningen. „Voor deze soorten betekent de brand vooral verlies van leefgebied en voedsel. Bovendien kunnen ze door de stress gedesoriënteerd raken.”

Kwetsbaarder zijn de jongste en oudste dieren. „Vossen werpen eind maart, begin april. Als hun jongen nog in het hol zaten, konden ze geen kant op.” Voor kleinere zoogdieren, zoals muizen, zijn de overlevingskansen volgens hem uiterst klein, tenzij ze diep genoeg onder de grond konden schuilen.

Actief schietterrein

De impact van de brand op de fauna op het defensieterrein in ’t Harde wordt pas precies duidelijk als zichtbaar wordt wat van het gebied is overgebleven, zeggen de twee. Daarbij is het niet toegankelijk voor publiek en natuurorganisaties, omdat het een actief schietterrein is.

Hoe snel het gebied zich herstelt? Bos verwacht dat dit per landschapstype verschilt. „Het schietterrein bestaat voor een groot deel uit heide. Die zal zich vermoedelijk redelijk herstellen, waardoor het gebied in de toekomst weer geschikt kan worden voor vogels.”

Natuur en milieu

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next