nieuwsbriefNRC Europa
NRC Europa Het Europees Parlement vindt de EU-begroting te laag. Premier Jetten vindt hem veel te hoog. Tot zover hetzelfde liedje, elke begroting weer. De echte vraag is een andere: hoe lang blijft Den Haag hameren op het prijskaartje, nu er zoveel meer keuzes op het spel staan?
„Veel te gortig” en „completely unacceptable”. Zo omschreef premier Rob Jetten de Brusselse begrotingsplannen afgelopen week op de rode loper voor de EU-top in Cyprus, tegenover de Nederlandse en de internationale pers.
Oftewel: de schuttersputjes voor de begrotingsstrijd worden gegraven – en dan kun je als Nederland maar het beste star en streng overkomen.
Even voorspelbaar groef het Europees Parlement zich deze week in aan het andere uiterste van het strijdperk. Terwijl de Europese Commissie al inzet op een forse verhoging van de EU-begroting, wil het Europees Parlement daar nog eens 10 procent aan toevoegen. Hier gaan nu de meeste krantenkoppen over, en geruzie over de omvang, van 2.000 miljard euro.
Allereerst: de EU-begroting is de enige begroting waarvoor we zeven jaarbegrotingen bij elkaar optellen. Dat is de termijn waarvoor het meerjarig financieel kader, zoals de begroting formeel heet, wordt vastgelegd, maar het vertekent wel. Voor de Nederlandse begroting tellen we ook niet de komende vier jaar op die een kabinet nog hoopt te zitten. Delen we door zeven, dan komen we uit op 285 miljard euro per jaar: iets meer dan de helft van de Nederlandse begroting.
En dat terwijl er ook over de inhoudelijke keuzes bij de begroting voor de periode 2028-2034 heel veel te zeggen is. De Europese Commissie zint via deze begroting op een forse verbouwing van de EU. Een verbouwing die meer macht verplaatst naar de 13de verdieping van het Berlaymontgebouw – waar zich de werkkamer van Ursula von der Leyen bevindt – en die de relatie met de lidstaten grondig herziet.
De blauwdruk voor deze verbouwing is het coronaherstelfonds. Dat fonds was niet in alles een succes, maar de opzet ervan gaf Brussel veel meer macht om hervormingen vanuit de nationale hoofdsteden af te dwingen in ruil voor EU-geld. De Europese Commissie had ineens een stevig instrument in handen.
Het ultieme voorbeeld is het Hongarije van Viktor Orbán, dat vanwege Orbáns sloopwerk aan de rechtsstaat en gebrekkige hervormingen miljarden euro’s misliep. Dat was mede te danken aan Mark Rutte, die als premier bij de vorige begroting hard onderhandeld had voor die strenge eisen.
Bovendien stond het coronaherstelfonds de Brusselse beleidsmakers toe nieuwe onderwerpen aan te snijden. Zowel de hervormingen als het geld uit het herstelfonds draaien immers veelal om de grote uitdagingen van deze tijd: digitalisering, energie-infrastructuur, gedateerde arbeidsmarkt- en pensioenregels. Dat kon ineens nu Brussel direct met nationale regeringen onderhandelde, over de hoofden van regionale overheden en het Europees Parlement heen.
Het past goed in de visie van Von der Leyen op de Commissie: meer grote projecten, minder geld voor boeren in Frankrijk en rotondes in Spaanse provinciestadjes via allerlei verschillende potjes, zoals het cliché wil. Ook Nederland kan zich hier goed in vinden.
Je kunt al meteen uittekenen waar het grote verzet tegen deze plannen op gang kwam. Van boeren en regionale overheden (die subsidies zien verdwijnen) en het Europees Parlement (dat invloed verliest).
Gevestigde belangen, veel weerstand. Dit verklaart waarom de Commissie uiterst gespannen te werk is gegaan. Een eerste versie van de Grote Verbouwing lekte uit in de herfst van 2024, tot frustratie van het team van Von der Leyen, waarna een betrokken ambtenaar volgens bronnen werd overgeplaatst. Een handjevol rekenmeesters werkte de plannen vervolgens uit, verder kreeg vrijwel niemand iets te horen.
Het resultaat: de uiteindelijke presentatie van het Commissievoorstel, vorige zomer, mondde uit in paniekvoetbal. Er werd tot in de slotminuten onderhandeld. Woordvoerders kenden de details van het plan amper. Von der Leyens eigen slideshow toonde die dag een begroting waarvan de losse onderdelen niet tot 100 procent optelden. „Chaos”, oordeelde de Financial Times.
Sindsdien heeft Von der Leyen al een aantal concessies moeten doen, om de grieven van de boeren en de regio-overheden te kalmeren. Toch staat het bouwwerk nog grotendeels overeind. Maar de volgende aanvalsgolf dient zich aan, nu ook de landen die profiteren van de regio- en boerensubsidies zich gaan mengen in het debat. In juni moet EU-voorzitter Cyprus met een eerste tussenstand namens de landen komen, inclusief bandbreedtes voor de bedragen.
En de vraag is: gaan landen die wél gebaat zijn bij de grote verbouwing, zoals Nederland, straks de barricaden op? Of steken zij hun politieke kapitaal liever in het vechten voor een kleinere begroting en een kleinere Nederlandse bijdrage? De ervaring leert: niet alles kan.
In dat licht waren niet de woorden van Jetten, maar die van minister van Financiën Eelco Heinen een week eerder het interessantst om te onthouden. In een interview met het FD in Washington zei Heinen dat defensie, energie en andere uitdagingen vragen om een andere blik op zijn werk als schatkistbewaarder: „Onze rol wordt veel breder dan alleen het kijken door een budgettaire bril.”
De Europese begroting noemde Heinen niet bij naam, maar hij zei wel voorop te willen lopen bij het aansturen op hervormingen van de Europese economie. „Het vergt van mij dat ik niet in een hoekje blijf zitten om in de Frugal Four te mopperen op de anderen.”
Dat groepje van vaste begrotingscritici was al aan het uitdunnen. Denemarken heeft praktisch afscheid genomen van de vrekkige vier, Oostenrijk zit op het Brusselse strafbankje vanwege zijn begrotingstekort en oogt minder geloofwaardig. Heinen leek met zijn woorden in het FD het definitieve einde te bezegelen.
Nederland is daarmee nog lang niet akkoord met deze forse begroting. Jetten zal blijven aandringen op het schrappen van de meeste Europese belastingen. Hij zal een beperktere omvang eisen én om een extra korting op de Nederlandse bijdrage vragen. Mocht hij zelf al iets anders willen, dan hijgen de VVD en de Tweede Kamer wel in zijn nek. Aan die retoriek zal dus voorlopig niet veel veranderen.
Maar als de premier straks om zich heen kijkt en een grotere begroting moet verkopen, dient zich nu al een rode loper aan. Ja, kan Jetten zeggen als de onderhandelingen hun hoogtepunt bereiken, er komt wél een fors hogere begroting, maar nu met extra voorwaarden en eisen om de trage hervormers en de wannabe-autocraten aan te kunnen pakken.
Het is in feite exact het recept waarmee Rutte zijn handtekening onder de vorige EU-begroting zette. Maar dan kan het kabinet-Jetten niet te lang blijven hangen in de oude focus op enkel en alleen het prijskaartje.