Home

‘AI lijkt het recht toegankelijker te maken, maar die belofte wordt vaak niet ingelost’, zeggen onderzoekers

Cees Zweistra en Julie Hoppenbrouwers | universitair docent en promovenda Welke rol moet AI in de rechtszaal krijgen? Zweistra, universitair docent recht, ethiek en technologie, en Hoppenbrouwers, promovenda disruptieve technologieën in de juridische praktijk, onderzoeken deze vraag in hun boek Sneller & Beter? Het vraagstuk van technologie en AI in de rechtspraktijk.

Cees Zweistra en Julie Hoppenbrouwers.

Filosofen zijn ze op de eerste plaats, daarna pas juristen. Cees Zweistra, universitair docent recht, ethiek en technologie, waarschuwt de verslaggever maar vast. Hij is voor het interview is begonnen, al van wal gestoken over zijn favoriete filosoof: Martin Heidegger.

„Technologie is een manier van naar de wereld kijken. Een dwingend frame waarin alles verschijnt als iets wat nuttig moet zijn” – dat wist Heidegger in de jaren vijftig al. In zijn werkkamer aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit is het nog wachten op Julie Hoppenbrouwers, promovenda disruptieve technologieën in de juridische praktijk. Samen schreven zij het boek Sneller & Beter? Het vraagstuk van technologie en AI in de rechtspraktijk.

Uit voorlopig, nog niet gepubliceerd onderzoek uit 2025 van het Center for Law, AI & Design blijkt dat meer dan 90 procent van de ondervraagde juristen generatieve AI-systemen gebruikt, zoals Copilot, Harvey en CoCounsel, voor onder meer het structuren van ideeën en het schrijven van samenvattingen.

Waarom Heidegger?

Zweistra: „Martin Heidegger schreef in zijn De vraag naar de techniek (1954) dat een waterkrachtcentrale de Rijn verandert in iets wat in zichzelf geen waarde heeft, maar alleen nog een grondstof is.”

Dat lot, het verworden tot grondstof, zal juristen die AI gebruiken ook treffen, denkt Zweistra: „Net als bij de waterkrachtcentrale is AI geen neutraal instrument dat we voor een doel inzetten. Technologie, en in het bijzonder AI, verandert onze blik op de wereld, waardoor zowel natuur als mens steeds meer wordt geïnstrumentaliseerd. Vertaald naar de rechtspraktijk: juristen worden consumenten van systemen in plaats van zelfstandige beroepsbeoefenaars.”

Tegelijkertijd maakt AI de mens niet per se efficiënter, schrijven jullie. Hoe zit dat?

Hoppenbrouwers: „Je ziet het overal: in de rechtspraak, op conferenties, symposia en LinkedIn: het frame van het ‘innovatordilemma’. Het idee is dat je als organisatie goed moet zijn in het gebruiken van nieuwe technologieën. Als je dat niet doet, word je ingehaald door anderen. Een soort business-darwinisme.

„Onterecht; in de praktijk blijkt juist dat de efficiëntieverbetering helemaal niet vanzelfsprekend is, omdat gedrag zich aanpast. Neem het verschil tussen een tekstverwerker als Microsoft Word en een typemachine. Op een typemachine moet je bij een fout opnieuw beginnen, terwijl je in Word direct kunt aanpassen. Dat lijkt efficiënter, maar je ziet dat mensen meer tijd besteden aan het eindeloos aanpassen en herschrijven van teksten, waardoor ze uiteindelijk langer bezig zijn.”

Zweistra: „Wij stellen dat technologie geen simpel instrument is, maar paradoxaal werkt. Het middel waarmee je een probleem denkt op te lossen, kan een aanzuigende werking hebben. In onze master Law & Technology ontwikkelden studenten voor de gemeente Rotterdam een AI-tool voor versnelde afhandeling van WOZ-bezwaren. Gevolg: een sterke toename van bezwaren, mede doordat AI de drempel om die in te dienen verlaagt. De belofte is dat AI zal helpen om werkdruk te verminderen en achterstanden weg te nemen, maar in de praktijk blijkt het tegenovergestelde: er ontstaan nieuwe achterstanden.”

Is het niet juist positief dat AI de drempel verlaagt en meer mensen toegang krijgen tot het recht?

Hoppenbrouwers: „AI lijkt het recht toegankelijker te maken: mensen kunnen sneller bezwaarschriften en processtukken opstellen. Maar die belofte wordt vaak niet ingelost. In de praktijk zijn die stukken minder goed dan ze lijken, en moeten bronnen uitgebreider gecontroleerd worden, waardoor zowel de wederpartij als de rechter extra werk krijgt.

„De rechter heeft inmiddels aangegeven dat dit zelfs kan neerkomen op misbruik van procesrecht, omdat je met behulp van een tool extra werk bij anderen neerlegt. De vraag is dus of AI wel het juiste middel is om de toegang tot het recht te verbeteren.”

Zijn dit niet vooral gebruiksproblemen, en kan AI bij correct gebruik wel nuttig zijn, bijvoorbeeld voor routinetaken?

Hoppenbrouwers: „Het idee dat problemen met AI vooral komen door verkeerd gebruik, of vanzelf verdwijnen naarmate de technologie beter wordt, is precies de opvatting die wij bekritiseren. Bij de opkomst van social media zag je hetzelfde: we dachten dat problemen zoals verslaving zouden verdwijnen als we er beter mee leerden omgaan. Dat is niet gebeurd.

In Nederland wordt slechts zo’n 6 procent van de uitspraken gepubliceerd, veel ander relevant materiaal wordt beschermd door het auteursrecht, vertelt Zweistra. „Veel juridische-techondernemers pleiten ervoor om meer te publiceren, zodat ze dat in hun modellen kunnen gebruiken. Maar wij brengen daartegenin: niet de de omvang van jurisprudentie, maar de selectie is belangrijk. Dáár gaat het om.”

Jullie schrijven dat AI de onafhankelijkheid van juristen onder druk kan zetten. Hoe gebeurt dat?

Zweistra: „In de rechtspraak zie je al langer dat afhankelijkheid van technologie een probleem kan zijn. Neem het KEI-project, een groot digitaliseringsprogramma dat de rechtspraak in financiële problemen bracht en uiteindelijk in 2018 strandde. Een van de oorzaken was dat leverancier Oracle een cruciaal onderdeel niet meer kon of wilde leveren. Daarmee viel het hele project stil.”

„Dat laat zien hoe kwetsbaar je bent als je niet beschikt over je eigen IT-infrastructuur. Die vraag naar strategische autonomie speelt dus al langer binnen de rechtspraak. Je ziet nu dat daar meer aandacht voor is: de rechtspraak werkt aan een eigen taalmodel en in haar AI-strategie is opgenomen dat de rechtspraak zelf controle moet houden over zowel de technologie als de onderliggende infrastructuur.”

„Tegelijkertijd geldt dat veel minder voor het juridisch werk in het bedrijfsleven. Daar worden volop commerciële taalmodellen gebruikt, vaak van grote buitenlandse partijen. Juist daar speelt die afhankelijkheid van de modellen misschien nog wel sterker.”

Een recept hoe je om moet gaan met AI geven de auteurs in het boek niet. Wel stellen ze: AI is een selectief te gebruiken hulpmiddel, en de rechtspraktijk heeft het eigenlijk niet nodig. Zweistra wil zelfs zover gaan dat juristen door te veel gebruik de betekenis uit hun vak halen: „Als je kijkt naar het ‘materiaal’ waarmee juristen werken, het cement en de stenen van hun vak, dan zijn dat teksten. Door teksten te verzamelen en die in specifieke contexten te lezen, creëren juristen nieuwe betekenis.”

Kunstmatige intelligentie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next