Home

‘O, noem je mij al een vriendin?’, zei ze. Zij is nu een kennis

Ik was naar Schiermonnikoog voor de première van de opera De toerist, geschreven door Fien Veldman. Zij is een vriendin, denk ik. Ik weet nooit zo goed vanaf welk moment je nieuwe mensen in je leven een vriendin mag noemen. Een keer gebruikte ik het woord zonder erbij na te denken bij iemand en toen zei ze: O, noem je mij al een vriendin. Zij is nu een kennis. (Een kennisje, zou mijn oma zeggen.) Een andere keer noemde iemand me al vrij snel vol overtuiging haar vriendin en toen bleek, nadat ze me eerst op meeslepende manier haar leven in had getrokken, dat ze van gedachten was veranderd. Dat raakte me meer dan ik had verwacht. Daarna twijfelde ik een tijdlang aan mezelf, totdat ik daar genoeg van had en mijn focus verlegde. (Je moet toch door, zou mijn oma zeggen. Ook als je in cirkeltjes lijkt te gaan.)

Op Schiermonnikoog had ik een elektrische fiets gehuurd, want het waaide hard en ik wilde naar de Balg, het uiterste puntje van het eiland, waar zeehonden op zandbanken liggen. In Fiens libretto, dat ik al had gelezen, stond dat zich daar met laag tij de derde dimensie opent. Het grijze gebied. Daar waar je, als je niet uitkijkt, je vorm verliest. Na een paar weken veel binnen zitten en schrijven had ik wel zin in een andere dimensie. Volgens Google Maps leidde er een weg naartoe: de Reddingsweg. Die hoefde ik alleen maar te volgen. De zon scheen, ik droeg een lange wollen jas en een grote maar toch bescheiden Gucci-zonnebril en zo vloog ik over de paden, tot ik opmerkte dat ik de afslag naar de Reddingsweg had gemist. Maar ik had nergens een afslag gezien. Ik besloot een klein stukje via de kwelder door te steken, daar liepen paadjes doorheen.

De eerste meters fietste ik door het drassige gras, wat er dom uit moet hebben gezien, maar gelukkig was er niemand. Al snel werd de grond moerassiger en het gras hoger en liep ik met mijn fiets aan de hand. Dit voelde niet goed. Met iets verhoogde hartslag keek ik weer op Google Maps. Kwelderpad stond er, hooguit een paar meter bij mij vandaan. En nog iets verder: Reddingsweg. Achter de hoge begroeiing dacht ik inderdaad een glimp van een soort fietspad te zien. Intussen zakten mijn voeten steeds dieper in de drek en raakten grote sprieten slijkgras verstrikt tussen mijn spaken. Hijgend naderde ik het fietspad. En toen bleek dat geen pad maar een grote waterplas. Wat op asfalt had geleken was de spiegeling van het wateroppervlak. Nu werd ik echt bang. Waar was ik? Hoe was ik hier in godsnaam terechtgekomen? Er was geen Reddingsweg, besefte ik. Er was nooit een Reddingsweg geweest. Waarom geloofde ik altijd alles? Wie was ik eigenlijk? En waar ging het allemaal naartoe? Als ik hier bleef staan zou ik langzaam in het moeras verdwijnen. Je moet toch door, dacht ik. Ook als dat betekent dat je terug moet. In de verte zag ik het Baken van de Kobbeduinen, waar ik vandaan kwam, waar Fiens hoofdpersoon, een toerist, op een bankje zat en dacht: hier moet ik zijn. Daar dacht zij het nog allemaal te weten, net als ik vanmorgen.

Jente Posthuma

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next