Piet Laban is 100 jaar. Zijn ervaringen in de oorlog bepaalden zijn levenskeuzen: hij weigerde militaire dienst en werd maatschappelijk werker.
Piet Laban is 100 jaar. Zijn ervaringen in de oorlog bepaalden zijn levenskeuzen: hij weigerde militaire dienst en werd maatschappelijk werker.
Piet Laban is een bescheiden man met een warm hart. Negen maanden geleden nam zijn leven de wending die elke oudere vreest: een verhuizing naar een verpleeghuis. De 100-jarige woont op de vierde verdieping, zijn 94-jarige vrouw Coks op de tweede, de verpleegafdeling. Ze missen hun zelfstandige leven in een lommerrijke buurt. Nu wonen ze tussen een ‘steenmassa’ in Rotterdam.
Wat houdt u zoal bezig?
‘Ik maak mij zorgen om wat onze nakomelingen te wachten staat. Al die oorlogen en autocratische leiders, dat leidt tot zo veel verdriet. Soms denk ik dat de democratische rechtsstaat in het Westen gaat verdwijnen. Er is weinig merkbaar van een tegenstroom, een vredesbeweging. Dat mis ik. Beseffen mensen wel hoe uitzonderlijk het is om in West-Europa al tachtig jaar in vrede te leven? Laat ik er eerlijk bij zeggen dat ik mij door mijn leeftijd eerder toeschouwer voel dan deelnemer. Dat geeft ook rust.’
Hebben 4 en 5 mei betekenis voor u?
‘Jazeker, dan sta ik stil bij wat er in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Ik ben voor verzoening met wie ons al het leed heeft aangedaan, maar daar moet eerst erkenning aan voorafgegaan zijn. Die heb ik zelf gekregen toen ik in de jaren zestig werd uitgenodigd door de stad Dortmund. Als gebaar van verzoening had de gemeente koren uit Nederland uitgenodigd om te zingen met Duitse koren. Met vierhonderd mensen stonden we te zingen in de Westfalenhallen. Toen het zover was, kon ik niets uitbrengen en ging ik door mijn knieën. Uitgerekend in Westfalen was ik als 18-jarige jongen tewerkgesteld, na de razzia van 4 november 1944 in Rotterdam. Ik moest loopgraven en tankvallen graven. Bij de razzia werd ik met zo’n veertig man opgesloten in een veewagon die stonk naar paardenmest en naar Duitsland vervoerd. Op dat moment besefte ik wat vrijheid is – die was ik ineens kwijt. Er viel niets meer te kiezen. Dat voelde heel eenzaam.
‘Met een smoes ben ik bijna twee maanden later ontsnapt. Op eerste kerstdag 1944 was ik alleen achtergebleven in de barak, de andere jongens waren naar de kerk. Ik zat diep in de put en had heimwee. De aanwezige verpleegkundige zei dat hij met een kleine ingreep een verlofbriefje voor mij kon aanvragen: hij brak mijn bril. Triomfantelijk kwam hij even later terug. De arts had er een uitgeschreven, voor twee dagen. Ik reisde ermee naar Enschede, om daar zogenaamd mijn bril te laten repareren. Daar aangekomen wist ik niet waar ik naartoe moest. Ik zag een Rode Kruispost, die zwaargewonde Duitse soldaten, zo van het front, gereedmaakte voor vervoer per trein naar een ziekenhuis in Den Haag. Ik mocht ertussen gaan liggen, als ik mijn mond hield. Daar lag ik, tussen jongens van mijn leeftijd, van 18, 19 jaar, met hun hoofd in het verband, armen en benen gespalkt, kermend van de pijn. Ik had zo met ze te doen.
‘Om ontdekking bij aankomst te voorkomen, sprong ik bij Gouda uit de trein. Ik had het geluk dat er geen Duitse soldaten rondliepen, ook de Maasbruggen bij Rotterdam kwam ik veilig over. Korte tijd na thuiskomst fietste ik naar een onderduikadres in de provincie Groningen.’
Hoe hebben uw oorlogservaringen u gevormd?
‘De treinreis tussen de gewonde soldaten is bepalend geweest. Drie maanden na afloop van de oorlog kreeg ik een oproep voor militaire dienst in Nederlands-Indië. Ik dacht: oorlog voeren moeten we niet meer doen, en besloot dienst te weigeren. Ik schreef een brief met mijn gewetensbezwaren naar het ministerie van Oorlog. Voordat ik hem op de post deed, liet ik hem aan mijn vader lezen. Hij zweeg, hij was een van de weinigen die het niet begreep.
‘Na een procedure van een jaar, met verhoren door officier van justitie Josephus Jitta, werd ik als gewetensbezwaarde erkend. Met nog tweehonderd dienstweigeraars moest ik naar een werkkamp in Drenthe, de hei omploegen. De jongens die naar Nederlands-Indië gingen, moesten daar drie jaar blijven. Wij kregen vier jaar vervangende dienstplicht – een jaar extra als straf. Ik heb er nooit mee te koop gelopen.’ (Licht geëmotioneerd:) ‘Ik vond het heel moeilijk dat zo veel jongens wél naar Indië moesten, en ik niet ging.
‘Een paar jaar geleden, toen door corona de jaarlijkse herdenking van de razzia in Rotterdam niet kon doorgaan, kreeg ik een uitnodiging van burgemeester Ahmed Aboutaleb, voor een gesprek van man tot man. Ik vertelde hem hierover. Hij zei: ‘Laban, je hoeft je er niet voor te schamen, want je bent wettelijk erkend als gewetensbezwaarde.’ Zijn woorden stelden mij gerust.’
U kreeg de goedkeuring die uw vader niet gaf.
‘Daar zit een gevoeligheid. We hadden een goede relatie, maar met een zekere afstand. Hij kon niet vertrouwelijk omgaan met zijn kinderen.’
Hoe kijkt u terug op uw jeugd?
‘Ik kom uit een gezin met vier kinderen. Mijn vader was de zoon van een arme landarbeider uit Zeeland, die met zijn gezin naar Rotterdam verhuisde in de hoop op een beter leven. Hij had een waterstokerij in Rotterdam-Zuid, waar we achter woonden, in drie kamertjes. Met kolen bracht hij in een grote ketel water aan de kook. Voor 2 cent per emmer konden mensen warm water bij hem kopen, voor de was. Ook bracht hij hout rond. Toen de zaken niet goed meer gingen, begonnen mijn ouders een kruidenierszaak, de ene na de andere, waarvoor we telkens verhuisden binnen Rotterdam. Ze waren daar zo druk mee, dat we als kinderen zelf een nieuwe school moesten zoeken – zo heb ik vier lagere scholen bezocht.
‘Mijn jeugd herinner ik mij als een eenzame tijd, omdat mijn ouders weinig tijd hadden voor hun kinderen. Mijn moeder was altijd aan het werk. Ze stond hele dagen in de winkel en daarnaast was het kleding met de hand wassen, schoonmaken, koken, de kinderen verzorgen. Mijn vader werkte van ’s ochtends 8 tot ’s avonds 8 uur, er schoot weinig tijd over voor de kinderen. Als hij thuis was, ging hij rusten of de krant lezen. Wel leerde hij mij orgel spelen.
‘Ik was een ziekelijk kind. Ik heb in een barak gelegen met roodvonk, in het ziekenhuis met een zware longontsteking en kreeg ook de Engelse ziekte (een botaandoening door vitaminetekort, red.). Alle aandacht die onze moeder had, ging naar mijn zus Willy. Na haar geboorte kreeg ze polio, waardoor ze aan één been verlamd raakte. Onderweg naar de kerk zag je haar langs de weg strompelen.
‘Het huwelijk van mijn ouders is uiteindelijk vastgelopen. Mijn vader zat tijdens de oorlog drie jaar lang in Frankrijk, mijn moeder moest het gezin en de winkel alleen draaiende houden, ook tijdens de Hongerwinter. Toen hij terugkwam, waren ze al uit elkaar gegroeid. Zodra wij volwassen waren, zijn ze uit elkaar gegaan.’
Welke weg koos u na uw vervangende dienstplicht?
‘Omdat ik na de oorlog besloot de weg van de vrede te kiezen, wilde ik mijn leven wijden aan verzorging en sociaal werk. Ik haalde een diploma verpleegkunde en ging bij de GGD in Rotterdam werken. Intussen had ik verkering gekregen met Coks. We wilden trouwen, maar konden niet aan woonruimte komen. Ik solliciteerde bij de sociale dienst in Arnhem, een baan met uitzicht op een appartement. Daar konden we samenleven.
‘Ik wilde graag maatschappelijk werker worden, en moest daarvoor de sociale academie volgen. Ik nam daarom een baan aan bij de sociale dienst in Den Haag, die deze opleiding wilde financieren. Drie jaar lang studeerde ik in de avonduren. Mijn vrouw stond grotendeels alleen voor de opvoeding van onze drie kinderen destijds.
‘Na mijn examen kon ik aan de slag bij de afdeling Zenuwzieken, ik deed de nazorg van patiënten van de GGD. Daar zaten ernstige gevallen bij, onder wie een vrouw die drie hoog woonde en haar leven wilde beëindigen – ik was net op tijd om haar bij haar raam weg te trekken. Ik herinner mij ook een alleenstaande moeder die haar kind bleek vast te binden aan een tafelpoot als ze suikerzakjes ging verkopen op kantoren.
‘Ik heb ook nog bij de Raad voor de Kinderbescherming gewerkt, rapporten schrijven voor rechters. En bij de reclassering – zware jongens begeleiden tijdens hun proefverlof. Het lukte mij om goede relaties met ze op te bouwen, door in gesprekken hun vertrouwen te krijgen. Ik ben een luisteraar.
‘Op een gegeven moment werd dit werk mij te veel, vooral door drugsverslaving die opkwam en het werk nog gecompliceerder maakte. Ik koos voor het onderwijs. De tien jaar als directeur van een opleiding voor verzorgenden in Dordrecht werd de leukste tijd van mijn leven. Met gemotiveerde leerlingen samenwerken gaf veel voldoening.’
Hoe ziet uw gemiddelde dag eruit?
‘Ik ben veel op mijn kamer, lezen en puzzelen. Dagblad Trouw lees ik op mijn iPad. In de loop van de ochtend ga ik naar mijn vrouw, zij woont op een gesloten afdeling twee verdiepingen lager. Wat ik graag doe, is een praatje maken met het personeel en bewoners, mijn oude vak. Ik voel mij het meest thuis bij eenvoudige mensen en hun levenswijsheid.
‘Ik lunch op mijn kamer en in de loop van de middag wordt Coks in haar rolstoel naar mij gebracht, dan eten we samen en kijken tv. We missen onze uitjes met de scootmobiel, de natuur in. Coks mag niet meer, uit solidariteit ben ik er ook mee gestopt. ’
geboren: 17 februari 1926 in Rotterdam
woont: in een verpleeghuis in Rotterdam-IJsselmonde
familie: zijn vrouw Coks (94), vier kinderen, zes kleinkinderen, drie achterkleinkinderen
beroep: verpleegkundige, maatschappelijk werker, docent en directeur
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant