4 en 5 mei
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Het is goed om ten minste één keer per jaar stil te staan bij wat er in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Maar vooral noodzakelijk om daar dan niet alleen plichtmatig over na te denken, maar de geschiedenis te begrijpen en ervan te leren. Herdenken houdt immers ook in dat er een verbinding wordt gemaakt tussen verleden en heden.
De vraag die eenieder zich vandaag – en bij de viering van de vrijheid morgen – daarom zou moeten stellen is: wat doe jij nu de internationale rechtsorde afbrokkelt, nu democratische instituties – ook in Nederland – onder druk staan? Nu verdraagzaamheid en tolerantie te vaak plaatsmaken voor wantrouwen en polarisatie?
Rechtsorde, democratie en verdraagzaamheid lijken grote, abstracte thema’s. Maar hoe – en of – zij worden verdedigd hangt af van keuzes. Die soms moeilijk, soms klein en individueel kunnen zijn.
Daar wees vorig jaar generaal b.d. Van Uhm de Verenigde Vergadering van de Staten-Generaal op, precies tachtig jaar nadat het parlement na een hiaat van vijf jaar na de Tweede Wereldoorlog weer bijeenkwam. Hij had het over de ingewikkelde keuzes die volksvertegenwoordigers moeten maken: „Als het er om gaat – en het gaat er om in Nederland, nu – is niets doen geen optie, ook al is er zelden een ultieme en eenduidige oplossing.”
Van Uhm verwees naar Holocaust-onderzoeker Yehuda Bauer, die vond dat er een elfde gebod moest komen: „Gij zult geen dader, geen slachtoffer, maar ook geen toeschouwer zijn.”
De vraag is: wanneer ben je toeschouwer? Op welk ogenblik spreek je je uit? Wat is het moment om je te verzetten?
Respect voor andersdenkenden, de bijbehorende bereidheid om elkaar de ruimte te geven en om de dialoog aan te blijven gaan, zijn noodzakelijk in een democratische samenleving. Erkenning dat je van mening kan verschillen ook. Dat een ander ándere keuzes kan maken.
Daaraan is een grens, die door de wet wordt getrokken. Discriminatie, het aanzetten tot haat en het plegen van geweld zijn strafbaar. Dan mag je niet aan de zijlijn blijven staan, dan moet je je uitspreken.
Wanneer verdraagzaamheid langzaam overgaat in onverdraagzaamheid, wanneer wordt geknabbeld en getwijfeld aan de rol van democratische instituties, rechters worden ondermijnd, volksvertegenwoordigers worden geïntimideerd en extremistische taal gemeengoed wordt, is niets zeggen óók geen optie.
Wie talkshows en sociale media aanziet voor de werkelijkheid, denkt wellicht dat Nederlanders zich over alles uitspreken. Maar nu de term ‘omvolking’ in het publieke debat is geslopen, wij-zij-denken de norm wordt, en geluisterd wordt naar de eisen van de luidst roependen in plaats van het algemeen belang, dan blijf het te vaak te stil.
Er is moed voor nodig om een morele grens te trekken, zeker als er persoonlijke consequenties zijn. Maar, zo dichtte Remco Campert: „Verzet begint niet met grote woorden / maar met kleine daden”.
Met: „Jezelf een vraag stellen / daarmee begint verzet / en dan die vraag aan een ander stellen”.