Home

Hoe de erfenis van de oorlog uit het geheugen van Den Haag verdween

nieuwsbriefMachtige Tijden

Machtige Tijden Antipolitiek, antisemitisme, identiteitspolitiek, persoonsverheerlijking, vijanddenken, waardering voor geweld: hoe de erfenis van de oorlog uit de politiek verdween.

Het is een mooie traditie, ik kijk er graag naar: als de doden worden herdacht en Bevrijdingsdag nabij is, spreken gezagsdragers met een beetje plechtigheid over het belang van vrijheid en democratie.

Toch schoot me laatst een andere werkelijkheid te binnen. Nederland heeft een regeringsleider die zegt dat het wél kan. Zijn land weet alleen nog niet of hij het kan. De VS heeft een president die eist dat het Nobelcomité zijn historische betekenis begrijpt. Zijn land weet alleen nog niet wat hij zelf van de geschiedenis begrijpt.

Het is de onbestendige stand van de democratie. Na WOII brachten gekozen politici decennialang een zekere stabiliteit en voorspelbaarheid in het bestaan van burgers. Nu brengen zij eerder onvoorspelbaarheid en instabiliteit: het risico van de democratie is zich langzaam van politici naar kiezers gaan verplaatsen. 

Het laat zien dat de erfenis van de oorlog vrijwel uit het collectieve geheugen is verdwenen. Sinds de identiteitspolitiek in de jaren zestig verloor het liberale ideaal van individuele vrijheid en gelijkwaardigheid het vaker van het groeps- en vijanddenken. Partijen die specifieke belangen omarmen, kwamen op: 50Plus (ouderen), BBB (boeren en platteland), PvdD (dieren en klimaat), Denk (etnische en religieuze minderheden). Dit laatste als reactie op weer andere partijen die groepen, vooral migranten en moslims, aanwezen als probleemgeval: PVV, FVD, JA21, et cetera.

Dit is ook het verschil met de klassieke partijen uit de verzuiling. Zij hadden evengoed een identiteitspolitieke basis maar zochten na verkiezingen doorgaans samenwerking buiten de eigen kring – in de politiek, met de maatschappij.

Alarmistische analyse

Zodoende zijn vijanddenken en belangenbehartiging nu veel explicieter aanwezig in de democratie. Toen de liberaal A.C. Wertheim eind negentiende eeuw senator werd, reageerde hij afgemeten op een latent antisemitische vraag: was hij dankbaar dat hij als Jood Eerste Kamerlid werd? Wertheim wilde niet „als een Jood of voor de Joden” in de senaat zitten, zei hij, maar als een „[burger] van de Staat, met gelijke rechten en plichten”. 

In de VS omarmt nu ook het bedrijfsleven het identiteitspolitieke denken. De leiding van datagigant Palantir, mede opgericht door de invloedrijke conservatieve techinvesteerder Peter Thiel, bracht recentelijk een opmerkelijk manifest uit. Palantir doet vooral in veiligheid: defensie, inlichtingen, politie, grensbewaking.

Het manifest benadrukt de alarmistische analyse van de techindustrie dat bewapening op basis van AI de strijd om de wereldhegemonie zal bepalen. Het atoomtijdperk is voorbij, claimt Palantir, ook afschrikking zal voortaan AI-gedreven zijn. Het progressieve streven naar inclusiviteit ondermijnt samenlevingen, meent het bedrijf, al vindt het de westerse cultuur superieur: „Sommige culturen hebben essentiële vooruitgang geboekt, andere blijven disfunctioneel en regressief.”

Techsites als TechCrunch en Engadget schrijven honend over het manifest. Toch zegt het veel over de Amerikaanse democratie dat een dergelijk bedrijf zo expliciet politiek positie kiest. Het raakt aan een ander verschijnsel dat na WOII verdween: de alomtegenwoordigheid van politiek in het dagelijks leven – de politisering van alles.

Een trend die zich, gedreven door hyperpolarisatie, al langer in de VS manifesteert maar door Trump enorm is versneld. Zijn gelaat verschijnt in paspoorten. Op gouden munten ter herdenking van het 250-jarig bestaan van de VS. Op toegangspassen voor Nationale Parken. Zijn naam staat op de gevel van het Kennedy Center voor podiumkunsten in Washington. Op de boulevard waaraan zijn buitenverblijf in Florida staat. Op vliegtuigen, hotels, wolkenkrabbers. Op crypto. Zijn goedkeuring is het kwaliteitscriterium voor nieuwe Amerikaanse oorlogsschepen. De ideologie van de Republikeinen luistert naar zijn naam. En ga zo maar door.

Zodoende is zijn ego ook groter dan de organisaties voor conflictbeheersing – VN, NAVO, EU – die na WOII werden gevormd. Dus toen een bondgenoot, de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, verwoordde wat talloze experts eerder zeiden – dat Trump de gevolgen van zijn aanval op Iran slecht had doordacht – dreigde de president met terugtrekking van Amerikaanse troepen uit Duitsland. Het zou vooral Rusland in de kaart spelen en de VS verzwakken. Een president als bedreiging van de eigen nationale veiligheid – omdat het genie zich onmogelijk kan vergissen.

De democratie in Nederland staat minder onder druk, maar ook hier groeit de instabiliteit. De formatie van 2021 en 2022 staat in het teken van een ‘nieuwe bestuurscultuur’ die D66 wenst: er komt niets van terecht. In 2023/24 draait het om een extraparlementair kabinet dat NSC wil: met NSC gaat ook het experiment ten onder. Sinds dit voorjaar regeert op initiatief van D66 en CDA een minderheidskabinet, alweer een experiment dat moeizaam uit de startblokken komt.

Tegelijk veranderen politieke verhoudingen. In 2025 groeit uiterst rechts opnieuw en haalt het bijna 30 procent van de stemmen. De persoonsverheerlijking van Geert Wilders kan niet tippen aan die van Trump maar ook hij draagt de grootste radicaal-rechtse partij in zijn eentje. Links verliest in 2025 weer en haalt nog maar 20 procent van de stemmen: het weet geen populair alternatief voor de rechtse dominantie te formuleren.

Het verschil met naoorlogs Nederland is aanzienlijk. In 1946 haalt links (PvdA en CPN) 39 procent van de stemmen en verdwijnt extreemrechts uit de Kamer. De NSB, in 1945 verboden, won in 1937 nog 4 procent.

Het huidige radicaalrechts is slecht vergelijkbaar met dat van het interbellum. De democratie was destijds erg jong – het algemeen kiesrecht is van 1919 – en functioneerde navenant. De cultuur was vlak na WOI erg gewelddadig.

In De Rapaillepartijen (2024) schetst historicus Robin te Slaa schitterend hoe antipolitieke sentimenten op uiterst links en uiterst rechts zich vermengden, met de verkiezing van de dronkenlap Cornelis ‘Had-je-me-maar’ de Gelder in 1921 in de Amsterdamse gemeenteraad als bewijs voor hun afkeer van de democratie. En in de documentaire Allen tegen Allen (2019) – ‘een archeologie van het Nederlands fascisme’ – laat Luuk Bouwman zien hoe aspirerende Hollandse fascisten zich in het interbellum verloren in eindeloze conflicten: „Talloze kleine führers met grote ego’s en weinig zelfinzicht probeerden zichzelf […] tot Rijksleider van Nederland op te werpen.”

In dit opzicht heeft ook uiterst rechts weinig van de geschiedenis onthouden. Hoewel de stroming deze eeuw doorgroeit, leidt dit amper tot machtsdeelname: Wilders is anderhalf jaar gedoogpartner in 2010-12 en levert als grootste partij in 2024-25 elf maanden bewindslieden.

Tegelijk wordt de stroming ook nu gekenmerkt door verbijsterend slechte onderlinge relaties. PVV, FVD, BBB: breuk na breuk na breuk na breuk. De PVV, vorig jaar met 26 zetels de tweede partij, zag dit jaar het recordaantal van zeven Kamerleden, geleid door van Gidi Markuszower, uittreden.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief Machtige Tijden

Elke zaterdag ontleedt Tom-Jan Meeus in zijn nieuwsbrief de politieke week - en laat zien wat bijna niemand ziet

Karakteristiek was onlangs de uithaal van een PVV-Europarlementariër, Sebastaan Kruis, oud-woordvoeder van Wilders, richting een van die oud-PVV’ers: „Ondankbaar secreet. Misbruik maken van de gastvrijheid van de PVV, na twee maanden je zetel meeroven om vervolgens nutteloos te zijn als afzwaaiende PVV’er. Jij en die andere griet uit de top 5 van de [kandidaten]lijst zijn het laagste van het laagste.”

Nu heeft elk van de drie uiterst-rechtse fracties een eigen afsplitsing in de Kamer: JA21 komt voort uit FVD, Groep Markuszower uit de PVV, Mona Keijzer uit BBB. Te weinig machtsinstinct, te veel ruzie. 

Diepgeworteld antisemitisme

Niettemin beïnvloedt de groei van uiterst rechts het opinieklimaat. Zo wijzen bijna al deze partijen moslims en migranten aan als veroorzaker van oplevend antisemitisme.

Toch heeft antisemitisme een geschiedenis in de politiek die teruggaat naar de vroege partijvorming. Zo meende de oprichter Abraham Kuyper (1837-1920) van de protestantse ARP, in 1879 Nederlands eerste politieke partij, dat Joden een „oppermachtige, nauw aaneengesloten Europese côterie” vormden. Socialistenleider Domela Nieuwenhuis (1846-1919) gebruikte „antisemitisme als politiek instrument”, aldus zijn biograaf. In de katholieke RKSP (1926) circuleerden theorieën over „een Joodse wereldsamenzwering”.

En binnen extreemrechts verkondigde de hegeliaanse filosoof Gerard Bolland (1854-1922), hoogleraar in Leiden, diepgewortelde antisemitische theorieën die in 1923 mede de inspiratie waren voor de vorming van de eerste Nederlandse fascistische partij, waarin een van de medeoprichters van de NSB (1931) al actief was. De aanname dat antisemitisme vooral van moslims en migranten komt, is kortom nogal eenzijdig. 

Bij dit alles is een elementair verschil dat geen van de uiterst rechtse partijen nu geweldsaspiraties heeft, anders dan de NSB destijds. Wel zijn er verschuivingen. Waar aanwijzingen voor zulke ambities in PVV, JA21 en BBB ontbreken, toont FVD-oprichter Thierry Baudet soms wel sympathie voor politiek geweld. Zo beschreef Te Slaa laatst in het Historisch Nieuwsblad dat Baudet in 2021 over de gewelddadige actiegroep Police for Freedom heeft gezegd: „Ik bewonder de mensen die daarbij zitten en steun ze waar ik kan.”

Geen uitspraak om gezien alle onrust over asielopvang laconiek over te zijn. En misschien ook behulpzaam voor politici en media die handelen alsof alleen het heden – de actualiteit, het nieuws, ‘het gesprek van de dag’ – laat zien wat er met de democratie aan de hand is.

Opmerkingen, aanmerkingen, observaties, tips? Elke reactie is van harte welkom. Mail me – t.meeus@nrc.nl – of stuur een persoonlijk bericht op mijn LinkedIn.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next