DEN HAAG - Het Haagse Hotel Des Indes heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog de bijnaam 'het Wehrmachthotel', met Duitser Sepp Thum aan het roer. Alleen recht onder de neus van de bezetter helpt Thum samen met zijn Joodse vriendin Irène Donáth talloze onderduikers.
Wie is deze man, over wie een Nederlandse rechercheur die zijn oorlogsverleden onderzoekt concludeert: 'Hij heeft zich duizendmaal beter gedragen dan menig Nederlander?'
Voordat Sepp Thum door de Duitsers als directeur van het chique Hotel Des Indes wordt benoemd, werkt de Duitser er al jaren. Hij begint in 1926 bij het hotel aan het Lange Voorhout en woont aan de Nassau Ouwerkerkstraat 2.
Journalist Casper Postma koopt datzelfde huis in de jaren 80. Uit nieuwsgierigheid duikt hij in de geschiedenis van zijn woning; zo komt hij het fascinerende verhaal van Sepp Thum op het spoor. Een man die hij eenmaal in zijn leven ontmoet, waarover later meer. Casper legt zijn zoektocht vast in het boek De dag dat de duivel naar Des Indes kwam.
Wanneer in mei 1940 de oorlog uitbreekt, vlucht de zittende directeur van Des Indes en wordt Thum dus door de Duitsers als directeur aangesteld. Ze verwachten van hun landgenoot dat hij de zaak steunt, maar niets is minder waar.
Thum is allesbehalve een meeloper. Met gevaar voor eigen leven werkt hij de Duitsers tegen. Hij voorkomt dat het hotel in Duitse handen komt en gebruikt het gebouw juist als schuilplaats. Voor de nazi's speelt hij de vriendelijke hotelier, de perfecte gastheer. Duitse officieren lopen het hotel in en uit.
In de kelders zitten onderduikers verstopt, soms jarenlang. Thum voorziet hen van voedsel, geld en bescherming. Dat doet hij niet alleen. Samen met Irène Donáth vormt hij een opmerkelijk verzetsduo.
Terwijl er op de bovenste verdiepingen nazi-officieren logeren, helpen de twee onderduikers en verstoppen ze zelfs wapens. Ruim vier jaar lang speelt zich in Des Indes een gevaarlijk dubbelleven af.
Het is een wonder dat de Duitsers hier nooit achter komen. Een paar weken voor het einde van de oorlog wordt Thum opgepakt en in Kamp Amersfoort zwaar gemarteld, waardoor hij de rest van zijn leven nauwelijks meer kan schrijven. Toch laat hij niets los. Uiteindelijk wordt hij vlak voor de bevrijding vrijgelaten.
Na de oorlog wordt Thum opnieuw opgepakt, dit keer door de Engelsen. Hij wordt opgesloten in de gevangenis in Scheveningen, die dan 'King's Prison' heet. Dat is niet zo vreemd: alle Duitsers in Nederland worden als vijand van de staat beschouwd, legt auteur Casper Postma uit.
Thums bezittingen worden verbeurd verklaard. Die kan hij alleen terugkrijgen als hij kan aantonen dat hij geen vijand van de staat is geweest. Dat kost hem weinig moeite.
Hij verzamelt getuigenissen van mensen die bij hem ondergedoken hebben gezeten, onder wie de adjudant van koningin Wilhelmina, de directeur van Shell en de eigenaar van winkelketen De Gruyter. Ook veel personeelsleden spreken zich uit.
Ze zijn unaniem lovend over hem. De rechercheur die het onderzoek leidt concludeert zelfs dat Thum zich 'duizendmaal beter heeft gedragen dan menig Nederlander'. Geheime diensten die hem jarenlang volgen, spreken van een 'vloedgolf' aan positieve getuigenissen. Thum is een bijzondere man.
Toch is de zware tijd voor Thum na de oorlog nog niet voorbij. In 1948 trouwt hij met Irène. Enkele maanden na het huwelijk maakt zij een einde aan haar leven.
Thum werkt tot 1953 bij Des Indes. Daarna koopt hij restaurant Royal, een paar huizen bij Des Indes vandaan. Het restaurant wordt een chique plek waar kabinetten vergaderen en internationale beroemdheden komen, zoals Israëlisch minister van Defensie Moshe Dayan en pianist Arthur Rubinstein. Ook filmsterren weten het restaurant te vinden.
Casper Postma ontmoet Thum één keer, kort voordat hij stopt met werken in zijn Royal. Thum is een gesloten man die niets over zijn oorlogsverleden loslaat. Casper is die avond zijn laatste gast. Een maand later, in 1985, overlijdt Sepp Thum in het Bronovo-ziekenhuis in Den Haag.
Source: Omroep West Den Haag