Art nouveau Waarom versieren we niet veel méér voorwerpen met dieren of vogels, vraag je je af na bezoek aan de tentoonstelling ‘Beauty of the Beast’ in museum De Buitenplaats, onderdeel van het Drents Museum. Oogstrelende art-nouveauwerken laten zien: alles wordt er zoveel fraaier van.
Vitrine in de expositie 'The beauty of the beast - Dieren in de art nouveau' in Drents Museum De Buitenplaats (Eelde).
Beauty of the Beast – Dieren in de art nouveau, Drents Museum De Buitenplaats (Eelde). Te zien t/m 20 september www.dmdebuitenplaats.nl
Dat de natuur en haar bewoners op vele wijzen inspirerend zijn is geen nieuws, zeker niet als het om beeldende kunst gaat. De allereerste mensachtigen tekenden in grotten al diersoorten, zoals buffels, stieren, zwijnen en vogels. Maar rond 1900 leek het onderwerp vleugels te krijgen in de kunstwereld. Zoekend naar een nieuwe stijl en uitingsvormen zetten kunstenaars het verbeelden van dieren volop in de schijnwerpers, waar die eerder vooral bijfiguren vormden op werk waarin de mens centraal stond. In die periode – de art nouveau – werd schoonheid steeds belangrijker, en dieren bleken bijzonder inspirerend om dingen mooier te kunnen maken.
De komst van dierentuinen, zoals Artis in Amsterdam en Diergaarde Blijdorp in Rotterdam, maakte het bovendien mogelijk exotische dieren te bestuderen en daardoor veel gemakkelijker te portretteren. Het leidde niet alleen tot een golf aan kunstwerken vol vogels en zoogdieren, maar ook tot met dieren versierde gebruiksvoorwerpen zoals meubelstukken en keukengerei als kannen en schaaltjes.
Het Drents Museum beschikte over een aanzienlijke collectie ‘natuur’-werken uit die bloemrijke art-nouveauperiode en toont een deel daarvan nu in de tentoonstelling Beauty of the Beast – Dieren in de art nouveau. De werken zijn niet te zien in het recent veel in het nieuws gekomen museum in Assen, maar in het twintig kilometer noordelijker gelegen museum De Buitenplaats in Eelde, onderdeel van het Drents Museum.
‘Pul met slakje’, 1918, tombak en geelkoper. George Henri Lantman (1875-1933).
De tentoonstelling is bescheiden van omvang maar o-zo-fijn, met werk van enkele grote namen uit dit tijdvak, zoals Chris Lebeau, Samuel Jessurun de Mesquita en Theo van Hoytema. Bij alle kunstwerken en voorwerpen zie je in één oogopslag dat er met liefde een extra dimensie aan is toegevoegd. Eentje die meestal verrassend goed uitpakt: dat het er simpelweg fraaier door werd is evident – zoals in geval van het verfijnde, beeldschone geelkoperen minislakje dat omhoog kruipt op de tombak vaas van George Henri Lantman.
De expositie is ingedeeld in verschillende diersoorten, wat een slimme zet is: het geeft de bezoeker structuur en het is prettig om diverse toepassingen rond één dier bij elkaar te zien en zo te kunnen vergelijken. Zo zien we bij de openingsopstelling ‘Apenrots’ veertien apenwerken, alle geheel anders, maar elk een ware ode aan de aap. Een aantal werken springt eruit: Een brutale bezoeker (1906) van Gustaaf van de Wall Perné toont een aap die chagrijnig naar de neergestreken bij op zijn staart kijkt; fraai ook is Schreeuwende aap (1912), een reliëf dat Joseph Mendes da Costa maakte voor de voorgevel van een Amsterdamse woning – het dier lijkt bijna uit de afbeelding te barsten. Het boekomslag door Georg Rueter van het gebonden Van Bacil tot Aapmensch (auteur W. Bölsche, over de evolutietheorie van Darwin) is een schitterende compositie van twee apen en een vrouw.
Links: ‘Roofvis’, 1910-1920, Jaap Veldheer (1866-1954), inkt op papier.
Van savannedieren zoals ‘tekengenieke’ grote jongens als kamelen, olifanten, leeuwen en tijgers gaat het naar de kleinste insecten, die een simpel vaasje dankzij een ragfijne schildering van wat grassprietjes en een libelle cachet geven, en die een bonbonschaaltje met daarin vijf verstopte dieren (onder meer in het hengsel) verheffen tot een dusdanig verfijnd kunstwerkje dat je je bijna niet kunt voorstellen dat het ook daadwerkelijk in een huishouden gebruikt werd.
Veel dieren uit de zee ook, met dank aan het in 1882 geopende Aquarium in Artis, die de sprookjesachtige onderwaterwereld voor het eerst zichtbaar maakte. Fijn dat het museum de aandacht vestigt op een paar kunstwerken van vrouwelijke kunstenaars: Twee forellen van Rachel van Dantzig, een fraai bronzen werk, gemaakt in 1910 – een tijd waarin vrouwen bijna onzichtbaar waren in de beeldhouwkunst, maar waar zij opviel door haar vakmanschap en verfijnde stijl. Of wat te denken van de rivierdonderpad door Johanna van Eijbergen – destijds de enige vrouwelijke ontwerper van metaalkunst – die je vanaf een messing vaasje olijk aankijkt.
‘Rivierdonderpad’, 1904-1909, messing. Johanna van Eijbergen (1865-1950) (ontwerp)/Dikkers & Co. (uitvoering).
Natuurlijk is er ook een – groot – deel over vogels. Juist daar vonden veel art-nouveaukunstenaars de schoonheid die voor hen zo belangrijk is. We zien papegaaien, hanen, zwanen, duiven, een koekoek. En pauwen natuurlijk – véél pauwen. Van een driedelig fors met pauwen beschilderd kamerscherm tot een klein oogstrelend schaaltje met felblauwe pauwenogen. Als het om schoonheid ging, won de pauw van alle vogels kennelijk met straatlengte. Erg fijn om van dichtbij te kunnen bewonderen zijn de getoonde beroemde kunstkalenders van Theo van Hoytema, met inkttekeningen van vogels; tussen 1901 en 1917 maakte hij er zeventien, waarvan de laatste op zijn sterfbed. Van een tijdloze klasse zijn ze.
Links: ‘Twee uilen’ (1921), Julie de Graag (1877-1924). Rechts: decoratief ontwerp (1924), Chris Lebeau (1878-1945).
Of neem – te zien in het deel over nachtdieren – de twee uiltjes, de bezoeker aanstarend vanaf een schitterende houtsnede, in 1921 gemaakt door de helaas veel te vroeg gestorven vrouwelijke kunstenaar Julie de Graag (1877-1924). Nog geen A4’tje groot, maar dit werk zou nog altijd élke woonkamer vele malen mooier maken.