Home

Opinie: Wat betekent bevrijding als er geen thuis is om naar terug te keren?

In de afgelopen jaren is Nederland zich opnieuw, en nadrukkelijker, gaan bezinnen op zijn oorlogsverleden. Ook bij de herdenking van 4 en 5 mei moet er ruimte zijn voor de onverschilligheid – en soms zelfs vijandigheid – waarmee Joden ná de bevrijding werden behandeld.

Elk jaar op 5 mei herdenkt Nederland de bevrijding. We herinneren ons de bevrijde kampen, de menigten op straat, de soldaten. We vieren de vrijheid. Maar wat we veel minder herdenken, is wat daarna kwam – en voor veel overlevenden was dat het zwaarst.

In het voorjaar van 1945 reisde een jonge Joodse vrouw uit Amsterdam in een militaire vrachtwagen terug naar haar stad. Ze stond op de Berlagebrug – de brug aan de rand van de buurt waar ze was opgegroeid – met twee koffers en vroeg zich af: en nu?

Over de auteur
Jan Burzlaff
is historicus aan het Jewish Studies Program van de Cornell University. Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Miep Lakmaker was 23 jaar oud. Ze had twee jaar ondergedoken gezeten in Winterswijk, in leven gehouden door een onderwijzersgezin, een gestolen identiteitskaart en een fragiel netwerk dat nieuwe adressen voor haar vond zodra de oude te gevaarlijk werden. In de allerlaatste oorlogsnacht stak een Britse vlammenwerper het dak in brand van de boerderij waar ze zich schuil hield. In de chaos – mijnen in de velden, soldaten die uit het donkere bos tevoorschijn kwamen – brandde alles wat ze bezat af, ook haar valse papieren – die had ze niet meer nodig. Ze was vrij – en ze had nergens om heen te gaan.

Door toilet gespoeld

Haar ouders waren op 31 januari 1944 meegenomen. Op het laatste moment, vlak voordat de politie haar meenam, spoelde haar moeder de brief van haar dochter door het toilet – de brief met haar adres in Winterswijk. Ze werden gedeporteerd naar Westerbork, daarna Auschwitz. Van een grote familie – broers en zussen, echtgenoten, kinderen, een 82-jarige grootmoeder – overleefde slechts één oom.

Na de oorlog stuurden de Nederlandse autoriteiten Lakmaker 863 gulden. Dat was de compensatie voor de volledige inboedel van het vierkamerappartement van haar ouders en al haar persoonlijke bezittingen. Ze vond werk. Ze trouwde, maar het huwelijk hield geen stand. Haar man en zijn familie benadrukten herhaaldelijk dat ze zelf niet Joods waren.

Haar getuigenis, opgenomen in Amsterdam in 1957 en bewaard in de Wiener Library, eindigt met een zin die ik nooit ben vergeten: ‘Ik heb ongelooflijk veel geluk gehad. Nauwelijks een op de duizend heeft het zo goed gehad als ik.’

Bevolkingsregisters

Dit is een verhaal dat op 5 mei niet wordt verteld. Onze herdenking draait om twee beelden: de verschrikking van de vervolging en de vreugde van de bevrijding. Beide zijn echt. Maar daartussenin – en lang daarna – ligt iets wat we nog niet hebben geleerd te gedenken. We spreken over de spoorlijnen, de bevolkingsregisters, de buren die verraadden. Maar over wat volgde na de bevrijding, zijn we opvallend stil. Alsof de verantwoordelijkheid eindigde op 5 mei 1945.

In de afgelopen jaren is Nederland zich opnieuw, en nadrukkelijker, gaan bezinnen op zijn oorlogsverleden. Gemeentelijk onderzoek in Amsterdam en Amersfoort heeft niet alleen de vervolgingsmachine gedocumenteerd, maar ook de onverschilligheid – en soms vijandigheid – waarmee Joodse overlevenden na de oorlog te maken kregen. De tentoonstelling Beroofd in het Nationaal Holocaust Museum heeft de omvang van de diefstal en het falen van de restitutie blootgelegd. En toch aarzelt onze publieke herinnering nog altijd precies op het moment van de bevrijding.

Koning Willem-Alexander

Die aarzeling is vandaag niet onschuldig. Na het geweld tijdens de Maccabi-rellen in november 2024 trok koning Willem-Alexander een directe lijn van het naoorlogse falen naar het heden. Het was een treffende erkenning. Maar het roept ook een diepere vraag op: wat betekent het om falen te erkennen, als we geen volledige rekenschap hebben afgelegd van wat er na dat eerste falen volgde?

Het probleem was niet alleen dat Joden in Nederland tijdens de oorlog niet werden beschermd. Het was ook dat degenen die overleefden, terugkeerden naar een land dat hun weinig bood: geen herstel, geen erkenning, geen plek om opnieuw te beginnen. De 863 gulden waren geen uitzondering. Zij maakten deel uit van een breder patroon in naoorlogs Europa dat we pas nu beginnen te begrijpen.

Miep Lakmaker stond op de Berlagebrug met twee koffers en een stad vol mensen die ergens heen konden. Eenentachtig jaar later verdient dat beeld een plaats in onze herdenking, naast de optochten en de festivals. Niet om ze te vervangen, maar als een vraag die we nog niet volledig hebben beantwoord: wat betekent bevrijding als er geen thuis is om naar terug te keren?

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next