Onder publieke druk is de focus van de Dodenherdenking de afgelopen decennia veranderd. In 1970 probeerden twee studenten vergeefs een krans te leggen op de Dam om ook de vervolging van homo’s te herdenken. Dat leidde tot een rel, én een nieuwe opzet voor de Dodenherdenking.
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant en schrijft geregeld over de Tweede Wereldoorlog
De twee studenten hadden een krans laten maken met een paars lint. Ze wilden tijdens de Nationale Dodenherdenking aandacht vragen voor de vervolging van homo’s tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar hadden daarvoor geen toestemming gekregen. Toch gingen ze op 4 mei 1970 iets na acht uur ’s avonds de Dam op. Ze zouden hulp hebben gekregen van medewerkers van het naastgelegen hotel Krasnapolsky die hen via de achteruitgang het plein op hadden geloodst.
De beelden kwamen op tv. De kijkers zagen hoe de twee, keurig in pak, met de krans kwamen aangesneld, maar nog voordat ze het monument hadden bereikt door agenten tegen de grond werden gewerkt. Er stak een golf van publieke verontwaardiging op, er volgden Kamervragen, een herdenkingsrel was geboren. Een huisvrouw uit Landsmeer schreef een brief aan premier Piet de Jong: ‘Het monument is van het volk, dus ook van de homofielen.’
De homostudenten waren indertijd niet de enige critici van de Dodenherdenking. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw organiseerden actievoerders regelmatig alternatieve 4 mei-herdenkingen, uit onvrede met het traditionele verhaal dat op de Dam werd verkondigd.
Die traditie is terug: maandag wordt in Den Haag opnieuw ‘4 mei inclusief’ georganiseerd, net als vorig jaar. Daarbij worden ook Palestijnse slachtoffers en andere slachtoffers van huidig oorlogsgeweld herdacht. ‘Herdenken mag geen ritueel worden dat alleen naar het verleden kijkt’, aldus de organisatoren. Juist uit respect voor de slachtoffers van de Holocaust, legde een van hen in de Volkskrant uit. ‘Juist omdat we gezegd hebben: dit nooit meer.’ Vorig jaar kwamen vierduizend mensen af op de ‘inclusieve dodenherdenking’.
In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.
Protestacties rondom de Dodenherdenking zijn niet per se verkeerd, meent historica Ilse Raaijmakers: alternatieve bijeenkomsten laten juist zien hoe groot de waarde is die we aan de 4 mei-herdenking toekennen. Dat is weleens anders geweest, schrijft ze in haar proefschrift over de geschiedenis van 4 en 5 mei. Rond 1970 liep de belangstelling zo terug dat steeds meer kranten zich afvroegen of de Dodenherdenking nog wel nut had.
‘De officiële gang naar de begraaf- en fusilladeplaatsen in alle delen van ons land zal vanavond de laatste zijn’, schreef dagblad Het Vaderland op 4 mei 1970. ‘Daarna zullen we herdenkingstoespraken aan de voet van de rijen grafstenen en kruisen verstommen.’ Nederlandse gemeenten wilden steeds vaker de lokale herdenking op 4 mei versoberen of helemaal afschaffen, schrijft Raaijmakers. ‘Het publiek bleef weg omdat ze de indruk hadden dat het een vastgeroest en conservatief ritueel was.’
Onder druk van kritiek is de focus van de Dodenherdenking langzaam veranderd. In de eerste jaren na de oorlog stonden verzetsstrijders en gesneuvelde militairen centraal bij de Dodenherdenking. In 1961 werd besloten daar ook de militairen aan toe te voegen die waren omgekomen in oorlogen en vredesmissies na 1945. Dit na een stevige lobby van Indië-veteranen, die jarenlang hun eigen herdenking hielden. Pas vijf jaar later volgde de aandacht voor slachtoffers van oorlogshandelingen en terreur.
Raaijmakers: ‘Het komt erop neer dat we op 4 mei eerder de gesneuvelde Nederlandse soldaten in Indonesië herdachten dan de slachtoffers van de Holocaust.’
In de jaren negentig ontvlamde de discussie over de vraag of Duitsers aanwezig mochten zijn bij de Dodenherdenking. Daarna volgde de roep om aandacht voor de vluchtelingencrisis, voor racisme, voor de slachtoffers van het kolonialisme.
‘Zonder gedoe geen 4 mei-herdenking’, concludeert Raaijmakers. ‘Ik zie alternatieve herdenkingen als een cruciaal onderdeel van herdenken in een democratie. Iedereen mag daarover zijn eigen visie laten horen; dat is belangrijk om die herdenking levend te houden.’
‘De weigering de homofielen te laten deelnemen aan de dodenherdenking, bevat de pijnlijke implikatie dat deze kategorie slachtoffers terecht is vermoord’, concludeerde in mei 1970, kort na de kransenrel, een briefschrijver in dagblad Trouw. Een jaar later mochten afgevaardigden van de homostudenten hun krans alsnog leggen. De commotie leidde tot het initiatief voor het Homomonument op de Amsterdamse Westermarkt, waar nu jaarlijks een eigen 4 mei-herdenking wordt georganiseerd.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant