is bestuurssocioloog.
‘De burn-outepidemie.’ Die kop kan weinig lezers zijn ontgaan. Werd het epidemische door wetenschapsfilosofe Trudy Dehue ooit nog aan ons allen toegedicht, inmiddels richt het zich op ‘de uitval van vrouwen, aangezien die de afgelopen vijftien jaar meer dan verdubbeld is’. Dat is tragisch, en ook shocking but not surprising.
Zo weten we al enige tijd dat moeders in de afgelopen twee decennia 19 uur per week meer zijn gaan werken, terwijl vaders gemiddeld 0,4 uur meer zijn gaan zorgen. Dat 50 procent van de stellen zorgtaken graag eerlijk wil verdelen, maar uiteindelijk slechts 9 procent dat ook daadwerkelijk doet. En dat 73 procent van de Nederlandse mannen een voltijdbaan bezet en dat op het moment dat er in een Nederlands gezin kinderen komen, negen op de tien mannen hetzelfde aantal uren blijven werken.
En zo weten we nog heel veel meer, al jarenlang en bijzonder systematisch. In het zelfgenoegzame Nederland is ‘the second shift’ van zorg, onbetaald en huishoudelijk werk een vrouwenzaak en kan het dus ook niemand verbazen dat juist het aantal vrouwelijke arbeidsongeschikten in het laatste decennium is verdubbeld. Voor dit kabinet blijkt het vooral een boekhoudkundige tegenvaller op de begroting te vormen. Daarmee is nog niet eens het begin van een diagnose gemaakt, maar wordt vooral ingezet op symptoombestrijding. Dus wat helpt wel?
Nieuw onderzoek aankondigen, zoals ook minister Hans Vijlbrief (Sociale Zaken) beloofde, helpt vrij weinig. Want er is geen gebrek aan kennis. Dit afwentelen op vrouwelijke schermtijd, zoals Sander Schimmelpenninck in zijn column probeerde, helpt ook nauwelijks. En dit zien als individuele keuze, zoals deze krant suggereerde, helpt ook weinig. Zo stelde Carlijne Vos in het Volkskrant-commentaar dat het ‘in de keuzestress van het leven’ zou helpen ‘als vrouwen en mannen die taken opgeven om zich meer te richten op werk of kinderen, dat niet beschouwen als ‘falen’, maar als weloverwogen keuze’.
Nu is net die nadruk op ‘vrije keuze’ al vanaf de jaren zeventig een hardnekkige illusie in het emancipatiebeleid, zo weet ik uit eigen onderzoek. Of zoals de artsen Bregje Feuth en Mirthe Wibaut terecht stellen: ‘Alsof je kapitalisme en seksisme samen met je jas aan de kapstok hangt als je je woning binnentreedt, en aan de keukentafel tot een gelijkwaardig gesprek komt, dat geheel gevrijwaard is van systemische structuren.’
Dus wat wel? In een gevecht voor een zorgzame samenleving verdelen we 215 miljard euro aan onbetaald werk. Dat is de waarde van het doorgaans onzichtbare en onbetaalde werk dat opgaat aan mantel-, kinder- en huishoudelijke zorg. En die zorg leunt onevenredig op vrouwelijke schouders. Daarover zullen weinigen het oneens zijn.
Al zou maar een fractie van al die vrouwen het werk neerleggen, dan stagneren onze hele samenleving en economie, zo weten we van de IJslandse vrouwenstaking in 1975. Dus die zorg is niet iets wat je erbij doet op papadag, het is het fundament waarop al het andere kan bestaan.
Dit gaat dus niet over vrouwelijke schermtijd, mannelijke voltijdprinsjes of vrouwelijke arbeidsongeschiktheid. Dit is geen wedstrijdje van de jongens tegen de meisjes. Dit gaat over collectief falen. Want we falen in het benoemen wie er eigenlijk profiteert van al dat onbetaalde werk. En dat zijn niet de mensen in loondienst, maar dat is het grootkapitaal met vermogen.
Want decennia aan ‘arbeidsmarkt-emancipatie’ betekent vooral meer vrouwen individueel opstuwen richting meer betaald werk. Of in de woorden van de recente campagne van het ministerie van Sociale Zaken: ‘Wil je meer werken, laat het merken!’ Dat zorgt vooral voor meer werk. En meer werk zorgt onder andere voor meer uitputting en meer risico op uitval. En dat draagt bij aan de ‘stress-samenleving’ van Marjolein Moorman en de ‘hypernerveuze samenleving’, zoals de Raad voor Gezondheid en Samenleving analyseerde. En in wiens belang?
De Deense auteur Emma Holten laat zien dat al dat meerwerk vooral het belang dient van degene met vermogen. En dat treft, want terwijl de ‘vermogensongelijkheid ongekend groot is in Nederland, wordt deze systematisch te laag ingeschat’, aldus socioloog Jan-Willem Duyvendak.
Zodoende lijkt het me dus verstandig om ons niet te veel uit elkaar te laten spelen als jongens tegen de meisjes. Waar het om gaat, is het vermogen je te verenigen. En dat we ons weten te verenigen tegen het vermogen.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant