Home

Als de Nederlandse techsector praat, luistert Den Haag

Lobby Om onafhankelijker van Amerika te worden, zet Den Haag de deur open voor Nederlandse techbedrijven. Ook worden opvallende maatregelen genomen om de techsector te ondersteunen. „In de coalitie slaat de balans door naar ondernemersbelang.”

Heleen Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat, in maart in de Tweede Kamer.

Het zit politiek Den Haag helemaal niet lekker.

Nederland wil onafhankelijker worden van Amerikaanse techreuzen als Microsoft, Amazon en Google, maar daar komt nog weinig van terecht. Denk aan de uitbesteding van het nieuwe systeem om btw-belasting te innen aan het Amerikaanse Fast Enterprises, of de Amerikaanse overname van Solvinity, het platform waar DigiD op draait.

Dus kijken het kabinet en de Tweede Kamer hoe ze de Nederlandse techsector kunnen stimuleren. En dat merken ondernemers zoals Jelle Prins, oprichter van biotechbedrijf Cradle, die „meerdere keren per week” ambtenaren of politici spreekt, zegt hij. Dat contact wordt vanaf beide kanten gezocht.

In Den Haag staat de deur voor techondernemers open én worden er opvallende maatregelen genomen om hen te ondersteunen.

„Beleid, zoals het nieuwe belastingvoordeel voor startups in box 3, wordt nu veel meer in detail met ons besproken”, volgens Prins. „Vroeger dachten we: Den Haag luistert niet naar ons. Een techstartup was in de ogen van Den Haag een mkb-bedrijf, niet anders dan een winkel op de hoek.”

De sector heeft aan invloed gewonnen, omdat politici „zenuwachtig worden van de geopolitieke situatie”, zegt ondernemer en investeerder Eline van Beest, ook praktijkhoogleraar medische innovatie bij de TU Delft. Ze doelt op de oorlogen in het Midden-Oosten en in Oekraïne, en op de herverkiezing van de Amerikaanse president Trump.

Ook voormalig ASML-topman Peter Wennink zegt dat het kabinet nu „meer oog” heeft voor tech: „Nederlanders voelen onze afhankelijkheden nu elke dag, en daarmee zijn veel mensen tot de conclusie gekomen: als wij nu niet innoveren, haalt de rest van de wereld ons in.”

Vorig jaar telde Nederland ruim 11.300 techbedrijven en werd circa 2,6 miljard euro aan durfkapitaal geïnvesteerd, volgens het in februari gepubliceerde State of Dutch Tech-rapport van belangenbehartiger Techleap. Afgezet tegen het aantal inwoners staat Nederland qua techinvesteringen in Europa op de vierde plaats.

Nederlandse universiteiten behoren volgens internationale ranglijsten tot de wereldtop. Begin dit jaar publiceerde het kabinet de ambities van de Nationale Technologiestrategie tot 2035. Nederland moet internationaal koploper worden in tien ‘sleuteltechnologieën’, zoals quantum- en biotechnologie.

Maar vooralsnog blijft de vertaalslag van kennis naar grootschalige innovatie in Nederland zelf nog achter.

Geslaagde lobby

Samen met tien andere ceo’s van snelgroeiende techbedrijven richtte Van Beest vorig jaar het platform Techchampions op, om het klimaat voor Nederlandse start- en scale-ups verder te verbeteren. Ze presenteerden hun manifest in het Haagse perscentrum Nieuwspoort, vertelt ze, en veel punten kwamen later ook weer terug in De Route naar Toekomstige Welvaart: het innovatierapport dat Peter Wennink op verzoek van het kabinet schreef. „We hebben daarbij ook aan bijna elke gesprekstafel gezeten.”

Een deel van de inhoud van alle gesprekken voor het Wennink-rapport herkent Van Beest ook weer in het regeerakkoord, zegt ze. Zo moet er een nationale investeringsinstelling komen, die risicovolle investeringen in vernieuwende bedrijven kan doen. En een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie, dat complexe problemen rond bijvoorbeeld veiligheid, gezondheid, energie en digitalisering moet oplossen door „baanbrekende innovaties te forceren”.

Tech is „knetterpolitiek” geworden, zegt Kamerlid Barbara Kathmann van Progressief Nederland (PRO), lid van de Kamercommissie voor Digitale Zaken. „Superwenselijk” zegt ze. Ook PRO zelf steunt inmiddels de beoogde nationale investeringstelling, evenals andere innovatiepotjes. .

Maar tegelijkertijd, zegt Kathmann, „slaat de balans in de coalitie zeker door richting ondernemersbelang, en te weinig naar werknemers”. Bijvoorbeeld bij het rapport-Wennink, zegt ze: „Daarbij hebben vakbonden niet aan tafel hebben gezeten.” Ze wijst ook op het coalitieakkoord, waarin nauwelijks aandacht is voor digitale inclusie en vaardigheden. „We zien vaker in Den Haag dat gebruikers van technologie en vakbonden niet gehoord worden. We hebben in Nederland niet voor niks een polder.”

De ontvankelijkheid van de politiek is ook terug te zien in financieel beleid voor de techsector. Zo werden eerder dit jaar de regels voor bonussen voor snelgroeiende financiële techbedrijven (fintechs) verruimd om „het concurrentievermogen en vestigingsklimaat te versterken”.

Een ander voorbeeld is de optieregeling startups, waarmee het vanaf volgend jaar fiscaal aantrekkelijker wordt voor startups (jonge techbedrijven) om hun personeel te belonen met aandelen in het bedrijf. De startupsector lobbyde daar volgens Prins van biotechbedrijf Cradle jarenlang vergeefs voor: „Nu zijn daar wel toezeggingen voor gedaan.”

De roep van ondernemers om in jonge Nederlandse techbedrijven te investeren, vindt ook gehoor in de pensioensector. Pensioenfondsen PMT en PME bijvoorbeeld maakten onlangs bekend 1,15 miljard euro in Nederlandse en Europese hightechbedrijven te investeren. En een internationaal consortium, inclusief pensioenuitvoerder PGGM, steekt 60 miljoen euro in zorgtechnologiebedrijf Vitestro, werd in maart bekend.

Vaste gast

Ook in de Tweede Kamer is te zien dat de techsector veel ruimte krijgt – zeker Wennink zelf na zijn innovatierapport. Begin april kwam Wennink bijvoorbeeld de commissie van Economische Zaken bijpraten over de voortgang van zijn rapport. Hij legde een van zijn verdere politieke wensen op tafel: hij zou graag zien dat het kabinet de staatsschuld laat oplopen om meer in jonge, ambitieuze bedrijven te investeren, en dat juridische belemmeringen voor staatssteunregels voor startups worden afgezwakt.

Aanbevelingen die vergezeld gingen met een waarschuwing: „Er komt een moment waarop we vaststellen dat er niks gebeurt en dat ik helaas moet vaststellen dat dit niet belangrijk genoeg is”, zei hij.

Toen diezelfde commissie nog geen 48 uur later bijeen zat, bleken de wensen gehoord. PRO-Kamerlid Tom van der Lee zei dat het allemaal „veel te lang duurt” met die staatssteunregels voor jonge bedrijven. D66-Kamerlid Ouafa Oualhadj was ook „een beetje gefrustreerd” en wil een „investeringskabinet” waarmaken. Judith Bühler van het CDA: „Nederlandse bedrijven verliezen het van landen met ruimere staatssteun.”

CDA-minister Heleen Herbert zegde in de commissievergadering toe te onderzoeken of de staatssteunregels voor startups versoepeld kunnen worden.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next