Herdenken Jongere generaties voelen zich minder verbonden met de Tweede Wereldoorlog en de Nationale Herdenking dan de oudere generatie. Hoe kijken mensen uit deze generaties zelf naar deze verschillen? En valt het te verklaren?
Usha Ramnandanlall en Manon Zijp hebben hun eigen manier om met wereldleed om te gaan en om vrijheid te herdenken.
Usha Ramnandanlall huilt. De Amsterdamse zit op een lichtbruinleren bank in haar woonkamer in de wijk Reigersbos en vertelt over al het wereldleed in het nieuws. Van „de kinderen in Palestina” tot „al die oorlogen”: de beelden die ze ziet op de televisie raken haar altijd.
Het lijden doet haar denken aan haar eigen familiegeschiedenis, vertelt ze. Haar voorouders waren Indiase contractarbeiders in Suriname, haar ouders reisden van Suriname naar Nederland voor een betere toekomst. Vrijheid is voor Ramnandanlall (65) daarom „niet zomaar iets”. Alles in het leven heeft er volgens haar mee te maken, en dat moet „elke dag gevierd worden”. Daarom bidt ze dagelijks voor de vrijheid van iedereen en voor haar eigen vrijheid, die haar familie met „bloed en tranen” verworven heeft.
Toch weegt het Ramnandanlall zwaar dat ze er dagelijks mee bezig is. Daarom wil ze weten: hoe gaat de jonge generatie daarmee om, met al die ellende in de wereld? Ze kijkt hoopvol naar Manon Zijp (30), die naast haar op de bank zit. Ook zij vindt het nieuws vaak „verschrikkelijk”, maar ze probeert zich vervolgens ervoor af te sluiten, voor zover dat mogelijk is. Zijp: „Het klinkt misschien een beetje verwend, maar ik blijf liever in mijn eigen bubbeltje. Want dan kan ik gewoon mijn leven leiden.”
Het is een vaardigheid die Ramnandanlall graag wat beter zou beheersen, zegt ze. Voor Zijp is dat makkelijker, omdat vrijheid iets is waar ze niet elke dag bewust aan denkt, vertelt ze, al vindt ze vrijheid wel belangrijk. Het voelt voor haar meer als een gegeven. „Ik moet nu denken aan wat mijn oma tegen me zei, dat de jeugd helemaal niet weet hoe slecht het was in de oorlog. Ik vind wel dat ze daarin gelijk heeft, maar op deze manier kan ik me gelukkig blijven voelen.”
De verschillende belevingen van Ramnandanlall en Zijp staan niet op zich. In het Nationaal Vrijheidsonderzoek, dat jaarlijks wordt uitgevoerd in aanloop naar 4 en 5 mei, wordt Nederlanders gevraagd naar onder andere het draagvlak van 4 en 5 mei en de beleving van vrijheid. Daaruit blijkt dat er verschillen bestaan tussen verschillende leeftijdsgroepen.
Die verschillen zijn volgens Sophie van den Bergh, senior onderzoeker bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei en projectleider van het Nationaal Vrijheidsonderzoek, vooral te zien in de jongste en oudste leeftijdsgroep en de manier waarop ze zich verbonden voelen met de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Van den Bergh: „Daar zit echt een grote kloof tussen. Uit het onderzoek blijkt dat de groep 65-plussers het meest verenigd is met die geschiedenis, 68 procent geeft aan zich verbonden te voelen. In de jongste groepen van onder de 35 is dat het laagst, met 37 tot 38 procent.”
Ook viel het haar op dat de oudste leeftijdsgroepen zich bewuster zijn van meer vormen van vrijheid dan jongere leeftijdsgroepen, zoals vrijheid van religie en het mogen gaan en staan waar je wilt. Van den Bergh: „Op bijna alle punten voelen 65-plussers zich het meest vrij, of geven ze aan dat ze van deze individuele vrijheden het meest genieten.”
Dat er een kloof bestaat tussen de jongste en oudste generatie in hun verbondenheid met de Tweede Wereldoorlog, betekent niet dat ze geen belang hechten aan de Nationale Herdenking, ziet Van den Bergh. 90 procent van de 65-plussers vindt de jaarlijkse herdenking belangrijk of heel belangrijk, tegenover 71 procent van de 25- tot 34-jarigen. Bij de jongste groep (16 tot 24) vindt 76 procent de herdenking (heel) belangrijk. Deze jongste groep vindt de herdenking ook steeds belangrijker: waar dat in 2022 nog 66 procent was, is dat nu dus 76 procent.
Maar, zo waarschuwt Van den Bergh, naar het waarom achter de verschillen en ontwikkelingen wordt vooralsnog geen onderzoek gedaan binnen het Nationaal Vrijheidsonderzoek, wel is het Comité nieuwsgierig. „We zijn benieuwd naar wat er gebeurt als mensen eind twintig, begin dertig zijn. Waarom ligt die betrokkenheid voor deze thema’s dan lager, en waarom vinden mensen het minder belangrijk op die leeftijd?”
Volgens Frank van Vree, emeritus hoogleraar Geschiedenis van Oorlog, Conflict en Herinnering aan de Universiteit van Amsterdam en voormalig directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), zijn er wel verklaringen voor de verschillen in het herdenken tussen generaties.
Dat komt volgens Van Vree voort uit onze herinneringscultuur, oftewel het geheel van denkbeelden, opvattingen en meningen. Die cultuur is in de afgelopen acht decennia flink veranderd, zo stelt hij.
Want waar het de eerste twintig jaar na de oorlog veel ging over het „overwonnen kwaad”, de „geestelijke strijd” en het „vooruitkijken naar betere tijden”, kwam geleidelijk meer aandacht voor andere aspecten, vooral voor de oorlogsslachtoffers. Daarmee kwam met name vanaf de jaren negentig het accent te liggen op het belang van mensenrechten, ziet Van Vree. „Tegelijk zien we dat de herinneringscultuur erg gefragmenteerd en geïndividualiseerd is: iedereen heeft zijn eigen oorlog.”
Dat er grote verschillen bestaan tussen jonge en oude generaties, vindt Van Vree „niet zo vreemd”. Op de vraag of het zorgwekkend is, moet hij lachen. Want, zo stelt hij, „het gebeurt gewoon, het is bijna een biologisch proces”. Omdat sociale herinneringen en emotionele bindingen per generatie afnemen, komen de jongere generaties volgens de emeritus hoogleraar steeds verder van de geschiedenis af te staan. „Voor de generatie van boven de zestig is het oorlogsverhaal een onderdeel van hun bredere ervaring, van hun eigen levensverhaal”, stelt Van Vree. „Voor de jongere generaties is dat simpelweg niet het geval. Het is onvermijdelijk dat herinneringen langzaam geschiedenis worden.”
Daarbij blijven verschillende generaties vaak in hun „eigen bubbel”, ziet Sandra Bos, directeur-bestuurder van de Amsterdamse vrijwilligersorganisatie Burennetwerk. Om uit deze bubbels te breken en generaties samen te brengen, organiseert de vrijwilligersorganisatie samen met de Reguliersdwarsstraat in Amsterdam op Bevrijdingsdag een vrijheidsdiner voor 150 gasten, waar ook Ramnandanlall en Zijp bij aanwezig zijn. Bij dit diner komen jongere vrijwilligers samen met oudere hulpbehoevenden, om elkaar te leren kennen, maar volgens Bos ook om „intergenerationele kennis over te dragen”.
Dat biedt volgens Bos de uitgelezen kans op het overbrengen van ervaringen, emotie en levensopvattingen. „Aan de ene kant van de tafel zit bijvoorbeeld iemand die hoopt nooit een oorlog te hoeven meemaken, en aan de andere kant zit iemand die weet dat je vrij snel in een oorlogssituatie kan zitten”, zegt ze.
Cees Walraven en Skelte Anema vinden het belangrijk om met andere generaties in contact te blijven, omdat ze zien dat er met de tijd anders informatie verloren gaat.
Ook Cees Walraven (78) en Skelte Anema (33) zijn aanwezig bij dit intergenerationele vrijheidsdiner. Anema herkent zich in de verschillen die bestaan tussen de oudere en jongere generaties. „Het klinkt misschien ondankbaar, maar vrijheid voelt voor mij normaal. Ik heb bijna altijd vrijheid gevoeld en heb niets om tegenover dat gevoel te zetten. Ik moet het doen met de verhalen uit geschiedenisboeken, het nieuws of de verhalen van mijn oma, die een joods gezin op zolder onderdak gaf.”
Wel zegt Anema dat het gevoel van vrijheid in de huidige tijd wel steeds „tastbaarder” wordt door alle oorlogen in de wereld. Voor de oudere Walraven is dat gevoel van vrijheid juist altijd „constant zoeken” geweest. De oorlog was nooit ver weg: zijn vader was violist en moest noodgedwongen in Berlijn voor de Duitsers spelen, zijn twee tantes verscholen Joodse mensen onder hun benedenwoning en zijn opa was in het begin van de oorlog lid van de NSB.
Door een „moeilijke” jeugd en zijn geaardheid was het in aanloop naar zijn coming out zoeken naar vrijheid. Maar, zegt Walraven, „het is gelukt”. Hij voelt zich sinds vele jaren „eindelijk” vrij, en vindt dat we in Nederland in een „luilekkerland” leven, „zeker als je ziet wat er in de wereld gebeurt”.
Anema en Walraven zien dat er met de tijd informatie verloren gaat, waardoor ze het belangrijk vinden om met andere generaties in contact te blijven. Walraven: „Mijn opa overleed toen ik vijf was. Ik vind het zo jammer dat ik al mijn vragen niet meer aan hem kon stellen.” Dat herkent Anema. „Ik interviewde mijn oma voor school, en mijn vader wist niets van wat ze in de oorlog had gedaan voor dat Joodse gezin. Er werd simpelweg niet over de oorlog gesproken, eigenlijk is dat zonde.”