Home

Opinie: Oekraïners als Hero verdienen onze steun en bewondering, maar krijgen van beide te weinig

Waar slechts 18 procent van de Nederlanders bereid is in dienst te treden, vechten jongeren in Oekraïne al jaren voor hun vrijheid. Dat gevecht voeren zij aan de rand van onze veiligheid, betoogt schrijver Maurits Chabot. Laten we, nu we stilstaan bij 4 en 5 mei, in elk geval niet wegkijken van die strijd.

is redacteur van de Volkskrant. Hij schreef het boek 'Dan zien we dezelfde sterren' over zijn reizen door Oekraïne.

Op een septemberochtend in 2024 luistert een militair van de 80ste Brigade op een boerderij even buiten Soemy aan een houten ontbijttafel naar het geluid van drones, raketten en luchtafweergeschut. Het is vroeg, de meeste soldaten slapen nog, maar het front ontwaakt. De militair aan de ontbijttafel heet Hero (zijn schuilnaam), een maand eerder was hij betrokken bij de Oekraïense aanval op de Russische grensregio Koersk, hier enkele kilometers vandaan.

Hero is 25 jaar, heeft scheve tanden en een John Lennon-achtige bril op, het dunne montuur oogt kwetsbaar. De glazen in zijn bril zijn dat niet: dikke jampotglazen.Hij draagt een T-shirt waarop staat: What’s you superpower? Daaronder, in koeienletters: I’m Ukrainian.

Op 6 augustus van dat jaar reed hij Rusland in. Tien minuten voor vertrek vertelde zijn commandant hem dat hij het machinegeweer op het voorste voertuig moest bedienen. Hero gaf dekking aan zijn wapenbroeders die uit de pantserwagen klommen om het vijandelijke gebied te ‘clearen’.

Over de auteur
Maurits Chabot
is schrijver. Voor zijn boek Dan zien we dezelfde sterren reisde hij zes keer naar Oekraïne, om daar te spreken met burgers en de soldaten aan het front.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Voor de oorlog werkte Hero op een boerderij in de buurt van Lviv, hij reed het liefst met de tractor. Tijdens ons gesprek laat hij bij het ontbijt lachend filmpjes zien van zijn tocht richting Rusland. Zijn eenheid vocht zich een dorp binnen. Die nacht moesten ze een positie innemen en behouden. Hero sliep slecht. ‘In Rusland is minder zuurstof.’

Tijdens de reizen door Oekraïne die ik voor mijn boek maakte, ontmoette ik veel mensen die voor de invasie een regulier bestaan hadden, maar sinds februari 2022 plotseling moesten breken met wie ze tot dan toe waren geweest. De invasie doorkliefde hun leven, hun vroegere bestaan is in de vooroorlogse tijd achtergebleven. Toch heeft de oorlog de Oekraïners allerminst uitgeblust. De meesten spreken net als Hero nog immer hoopvol over de strijd.

Die strijdvaardigheid is in Oekraïne niet nieuw, maar was er al ver voor de Russische invasie van vier jaar geleden: de Kozakkenmentaliteit zit verankerd in het huidige Oekraïne. Volgens de Oekraïners die ik sprak draaide het bij de in de 15de eeuw ontstane Oekraïense Kozakken-gemeenschappen om vrijheidsdrang. Rusland werd geregeerd door tsaren, het overgrote deel van het volk bestond uit lijfeigenen. De gemeenschappen van de Kozakken ontstonden uit gevluchte slaven. Het was een volk dat vrij wilde zijn. Diezelfde vrijheidsdrang vormt de kern van het verzet tegen de Russen nu.

Zelfredzaamheid

De Oekraïners gingen al vaak hun eigen weg. Met de Granieten Revolutie in 1990, de Oranjerevolutie in 2004, de Maidan-protesten in 2014, het dappere verzet in de oorlog met Rusland. Door de vele machtswisselingen voelen Oekraïners een aversie jegens de staat en zijn ze doordrongen van de noodzaak zelf essentiële zaken te regelen. Mede daarom kwamen ze na de invasie massaal in actie zonder instructies van hogerhand af te wachten. De wereld zag de opstand van een volksleger. Die strijdvaardigheid vervult ook de Oekraïners zelf met trots.

De Oekraïense strijdvaardigheid staat in schril contrast met de geringe Nederlandse bereidheid om te vechten voor eigen land. Hoewel een kwart van de Nederlanders vindt dat het kabinet militairen naar Oekraïne moet sturen om dat land bij te staan, bleek vorig jaar uit onderzoek van Ipsos dat slechts heel weinig mensen zélf het leger in willen gaan; slechts 18 procent is bereid in dienst te treden als Nederland wordt aangevallen.

Bovendien neemt ook de betrokkenheid bij Oekraïne af. Steeds meer Nederlanders lijken hun blik van de oorlog af te wenden, ze noemen zich ‘nieuwsmijders’: behendig manoeuvreren ze om alle onheilspellende berichten over de oorlog in Oekraïne en andere brandhaarden heen. Onlangs gaf 54 procent van de Nederlanders in een onderzoek van hulporganisatie ZOA aan ‘afgestompt’ te raken door het oorlogsnieuws. Het ís ook verleidelijk om weg te kijken. Na zes reizen door Oekraïne ken ik de lokroep van een comfortabel leven.

Enkele maanden na mijn bezoek aan Soemy ontvang ik op mijn mobiel een foto van Hero. Mijn contactpersoon appt:

De brigade heeft het zwaar. Vandaag is Hero in Oekraïne gesneuveld.

Hero viel op omdat hij zo zachtaardig was. Een jongen met een bril op zijn neus en de geschiedenis op zijn schouder. Bij de schutter van een pantservoertuig had ik me een uit de kluiten gewassen commando voorgesteld. Maar dit was een goedmoedige, bescheiden jongen. Vroeger dacht ik dat het verdriet op z’n grootst is als de oorlog begint. Nu weet ik dat het precies andersom is. De oorlog groeit met de dag, slokt steeds meer jongens als Hero op, en almaar zwelt de misère aan.

Begin 2025 bezoek ik opnieuw de 80ste Brigade; met stichting Protect Ukraine breng ik voertuigen en medische materialen naar de eenheid. Op het basiskamp in een bos spreek ik met de commandant. De bevelhebber probeert sinds Hero’s dood voor de familie te zorgen. Telkens als hij naar huis mag, gaat hij even langs bij Hero’s moeder. Volgens de commandant had zij haar zoon op het hart gedrukt: je mag terugkomen zonder hand, zonder arm of been, desnoods kom je gehalveerd terug – als je maar terugkomt. Zijn moeder had met veel scenario’s rekening gehouden, Hero was haar enige zoon en ze zou zich over hem ontfermen.

De commandant kijkt strak voor zich uit. In de lucht klinkt gedonder van wapentuig enkele kilometers verderop. Soms zijn de klappen zo zwaar dat zelfs de bomen beven. De commandant drinkt zijn koffie en zegt niets meer.

Hero heette in het echt Dmitro. Hij werd 26 jaar.

Het enige wat er moet gebeuren voor het kwaad om te overwinnen, is dat goede mensen niets doen, luidt een bekend gezegde. In de context van de oorlog in Oekraïne valt dit misschien nog specifieker te formuleren: alles wat ervoor nodig is om het kwaad te laten zegevieren, is dat goede mensen wegkijken. Niets doen begint met niet eens meer kijken. Door te kijken, door te getuigen, doen we al iets.

Tekortschieten

En nee, voor mij voelt het niet alsof dat volstaat. Sterker, ook het land bezoeken en hulpgoederen brengen voelt als tekortschieten. Ik kan nog zo vaak naar Oekraïne reizen, ik blijf altijd een passant. Ik lig niet in de loopgraven en ik vecht niet voor het land. Na enkele weken keer ik terug naar een veilig bestaan.

Ik ben bepaald niet de enige die met schuldgevoelens kampt. Oekraïners kampen met een keten van schuld. Vluchtelingen in het buitenland voelen zich schuldig omdat ze niet in Oekraïne zijn. Velen die wel in het land zijn, maar hun reguliere werk doen, voelen zich opgelaten omdat ze niet in het leger dienen. Degenen die vanuit de steden voor het leger werken, voelen zich tekortschieten omdat ze niet aan het front zitten. De militairen aan het front voelen zich schuldig omdat zij nog leven, terwijl hun wapenbroeders stierven. Alleen wie sneuvelt, is voorbij alle schuldgevoel. En zou je het de gesneuvelde militairen vragen, dan zouden zij zich waarschijnlijk schuldig voelen omdat zij dood zijn en niets meer kunnen uitrichten, terwijl hun maten moeten vechten.

De Russen vrezen niet wie voor hen staat, drukte de Oekraïense militair Arkady Maslak me in de West-Oekraïense stad Lviv op het hart; ze zijn bang voor de commandanten die achter hen staan. Met de Oekraïners is het precies andersom: zij vechten niet uit haat voor de Russen die tegenover hen staan, maar uit liefde voor de mensen die achter hen zijn.

Aan de rand van onze veiligheid

‘Geef ons wapens’, zei Arkady. ‘Wij kunnen met weinig mannen vechten, we kunnen de vijand aan, maar niet met lege handen. Dit is ons land, wij vechten voor onze soevereiniteit.’ Russen vechten voor geld, dat is een heel andere motivatie. Arkady benadrukte dat wij in West-Europa onze vrijheid moeten koesteren, zij moeten ervoor véchten. Hij keek me recht aan en zei: ‘We komen steeds meer wapens en middelen tekort. We krijgen niet genoeg om de strijd te winnen, we ontvangen net voldoende om langzaam te verliezen.’

Voor velen voelt Oekraïne niet dichtbij. Vanuit het Westen, op afstand, zien we slechts de contouren van de oorlog – we zien niet met eigen ogen de kinderen die vluchten, de verkoolde lijken van gesneuvelden, de jongens zonder armen of benen die in een militair hospitaal in Kyiv liggen te kermen. Maar deze oorlog woedt vlakbij, aan de rand van ónze veiligheid.

Jongens als Hero bewaken met gevaar voor eigen leven de grens van onze democratie. Ze zijn vaak nog jong als ze naar het front gaan, ze keren terug als twintigers die oud en zwijgzaam zijn. Ze verdienen onze steun en bewondering, maar van beide krijgen ze feitelijk te weinig. Ook in Oekraïne voelen ze dat de steun afkalft. Een militair aan het oostelijke front vroeg me gauw weer naar Oekraïne te komen, ook zonder humanitaire goederen of voertuigen. ‘Just so we feel less alone.’

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next