We hadden best veel spullen in de auto voor een vakantie van tien dagen in een huurhuis. Twee extra staande lampen en een paar oplaadbare lampjes, omdat verhuurders er niet van uitgaan dat hun gasten willen lezen; de melkschuimer, gewoon, omdat je die net zo goed mee kunt nemen; wandelschoenen en regenjacks; kussentjes voor op keiharde buitenstoelen; een tas vol boeken; de gebruikelijke bende opladers, enfin: spullen.
In de huurhuisjes was alles min of meer efficiënt voorzien, geen zes dekbedovertrekken, vijf wollen sjaals, een kast vol flageolets, gedroogde paddenstoelen en halflege flessen alcoholische drank, alleen maar dingen die je echt nodig hebt, en soms ook dingen niet, die je evenzogoed echt nodig hebt.
Thuis zijn die er wel. Plus al die andere dingen. Voor het eerst schrok ik er een beetje van bij thuiskomst. Hebben we echt achtduizend boeken in huis nodig? Al die foto’s, kleden, kaartjes, beeldjes, kasten, al dat serviesgoed, honderd elastiekjes – vrijwel niets ervan (behalve de scherpe keukenrasp) – had ik gemist. Nu ja, op den duur zou je wel wat meer boeken willen hebben dan die ene tas. En misschien wat andere kleren. En nog een paar dingetjes. Maar dit huis vol?
Nu is de gebruikelijke tegenwerping dat het niet gaat om ‘nodig’. Nee. Het gaat om persoonlijke geschiedenis, om esthetisch welbehagen en interesse. Maar ik kan moeilijk volhouden dat ik uit interesse vijf winterjassen heb of drieëntwintig vazen. De geschiedenis van veel spullen leeft niet meer erg voor me, bij thuiskomst kijk ik zelfs boos naar ze. Wat doet dat allemaal hier?
In de auto hadden we geluisterd naar de roman Winterthur van Alexander Nieuwenhuis, die vertelt over een man die vijftig jaar na dato een aantal schrijvers aan het rapport van de Club van Rome gaat opzoeken. De oud geworden onderzoekers zeggen tamelijk berustend dat ze destijds in 1972 wel gelijk hadden met de belangrijkste beweringen in hun De grenzen aan de groei – de mensheid kan niet doorgaan met groeien en consumeren zonder de aarde en zichzelf te gronde te richten – maar dat men er nu eenmaal niet naar wilde luisteren. Een van hen zegt dat ‘we’ ons aan het einde van de eeuw ongetwijfeld in veel rustiger vaarwater zullen bevinden, maar dat niemand weet ten koste van wat voor leed en ellende.
Het boek heeft iets gelatens en juist dat maakt het bedrukkend. Er is niets meer aan te doen. Het is een te groot probleem – de vage hoop dat de wetenschap, de politiek, slimme denkers, onweerstaanbare initiatieven en bewegingen de zaak wel in goede banen zouden weten te leiden wil je niet helemaal opgeven. Maar je gelooft dat al lang niet meer.
In The Guardian stond toevallig net een stuk over waarom we zo vasthouden aan spullen: ‘Feeling overwhelmed by the clutter in your life?’ en ik dacht: ja! Nu meer dan ooit. Die spullen zijn niet alleen mijn probleem, ze zijn de uitbeelding van een veel groter probleem. En ik kan wel alles gaan verspreiden naar de kringloop en de stort (oh ja? kan ik dat?) maar dat maakt in feite niet uit.
Het stuk zelf zei dat je spullen je laten zien wie je was. En stelt de vraag of je het nodig vindt om daar een museum voor op te richten.
Intussen ben ik alweer een paar dagen thuis. Ik kijk om me heen in mijn kamer en alles glimlacht tegen me: ‘hier woon je’. En ik zeg terug: dan gaan we samen te gronde.