Jetty Mathurin (74) speelt volgende week een moederdagvoorstelling. Dit is wat ze leerde in het leven: je kunt in Nederland niet meer spelen met vooroordelen en dicht bij je familie wonen is rijkdom.
„Onze moederdagvoorstelling Wat ik van mama weet gaat niet alleen over hoe geweldig en goed moeders zijn. Moeders kunnen ook hartstikke foute dingen doen. Een moeder is ook maar een mens. Ik sta op het podium met Jörgen [Raymann], Jeannine [La Rose] en mijn kleinzoon Ruskey die muziek maakt, en we praten over de invloed van het moederschap. Bij de voorbereiding hadden we al verschrikkelijk veel lol.
Vroeger in Paramaribo vertelde mijn moeder ons, haar zeven dochters, over een vrouw met een heel hoge positie bij Suralco, een multinational in Suriname. Ze zei dat dat háár baan zou zijn geweest als ze had gesolliciteerd. Maar dat deed ze niet want haar moeder en ooms, die in het buitenland werkten, hadden haar gevraagd voor hun moeder te blijven zorgen. De les die wij daaruit moesten trekken was: je kunt beter spijt hebben van de dingen die je gedaan hebt, dan van de dingen die je niet hebt gedaan. Dat heeft mede mijn keuzes bepaald. Ik heb wél een carrièreswitch gedaan, ben weggegaan van mijn gezin in Cuijk om voor een groter publiek op te treden en te werken als actrice.
We waren vanuit Suriname in Cuijk beland omdat mijn man er via zijn werk een flat kon krijgen. Als het enige zwarte gezin in het dorp werden wij vaak door de gemeente of instanties gevraagd ‘ons land van herkomst te vertegenwoordigen’. Het idee was dat we dan dingen van Suriname lieten zien. Op zondagmorgen zongen we met het hele gezin – we hebben drie kinderen – in het buurthuis. Dat was mooi, dat waren warme bijeenkomsten. Met Kerst zongen wij onze kerstliedjes, de teksten pasten we aan: ‘I’m dreaming of a green Christmas’ – met mangobomen. Optreden is ook een manier om te zeggen: wij zijn hier en je kan niet om ons heen. Met carnaval liet ik al mijn familie uit Amsterdam komen. Allemaal dezelfde kleding aan en mee in de optocht, met onze muziek de straat op. Als ik de foto’s zie kan ik daar nog steeds van genieten.
Ik stond in die tijd voor de klas en had een logopediepraktijk, mijn man nam veel van de zorg voor onze kinderen over. Mijn moeder en tantes, die bij ons waren, keurden dat af en durfden dat ook te zeggen. Met dat Surinaamse accent, tegen mij: ‘Heb je zijn eten al gezet?’ En: ‘Guus is een goede vader voor zijn kinderen’ – met andere woorden: jij bent geen goede moeder. Zoals je gebekt bent, moet je spreken en dat deden ze. Zo is midden jaren tachtig mijn personage Taante ontstaan. Taante hoefde niet duidelijk articulerend ABN te spreken, zoals ik in mijn werk deed. Met Taante kon ik het ook allemaal zeggen zoals het was, ik kon zelfs de burgemeester op zijn kop geven. Mijn eerste voorstelling werd prima ontvangen.
Mijn kleindochter vroeg eens waarom ik niet meer met opa ben. Ik zei: ik weet het niet. Ik voelde me opgesloten in Cuijk. Het podium dat ik daar had, was te klein, ik móést naar Amsterdam. En eerlijk gezegd dacht ik: mijn man komt me wel achterna. Ik zag zoveel mogelijkheden in Amsterdam, ook voor hem. Maar dat gebeurde niet. Mijn man was tevreden in het dorp. Nu denk ik: als je kijk op de toekomst uiteenloopt, dan spreek je dat uit en zoek je er een vorm voor. Wij konden dat niet, maar ik kan nu zien dat wij verder geen slechte relatie hebben gehad.
Taante speel ik nog steeds, maar mijn personage Stanley doe ik niet meer. Stanley heeft een gouden tand, een petje achterstevoren op zijn hoofd, hij grijpt in zijn ballen – helemaal volgens de vooroordelen over mannen uit de Bijlmer. Stanley is geen karikatuur, integendeel. Ik laat zien dat hij ook kan luisteren, kan veranderen. Stanley heeft alle recht om te bestaan. Maar de samenleving is zo verhard en agressief geworden. Je kunt niet meer spelen met vooroordelen, dat kan averechts werken. In Vrouwenvleugel, jaren geleden, zei een mede-actrice al op de binnenplaats tegen mijn personage: ‘Jullie mannen zijn altijd pleite hè?’ Ik wil niet dat er zo over zwarte mannen gepraat wordt. Ik doe er niet aan mee.
Toen ik net in Amsterdam woonde, had ik best een pittige tijd. Geen huis, geen werk. Op een avond kwam mijn afo, mijn overgrootmoeder, bij me in een droom en zei dat ik een ritueel moest doen, een kra tafra. Je kra is je diepste binnenste, je eigen ik; tafra is een maaltijd. Het was een ritueel dat ik niet kende. Maar ik droomde alles wat ik nodig had en onthield het toen ik wakker was. De volgende dag haalde ik al die kruiden, knollen en kalebassen bij het kraampje van een Surinamer in de Bijlmer en voerde het ritueel uit zoals mijn afo het me had verteld. Een paar dagen daarna, heel wonderlijk, ontving ik onverwachts een doos uit Suriname met haar kleding, die in Paramaribo altijd in een kist boven in ons huis had gestaan. Terwijl niemand wist dat zij bij me was gekomen in mijn slaap, me had verteld hoe ik mezelf weer op kon krikken. Zie je, ik krijg kippenvel als ik dit vertel. Eerder praatte ik er niet over, Winti-rituelen waren tot 1971 in Suriname verboden. En nog zijn er mensen die erop neerkijken. Maar je moet je niet laten remmen door wat je denkt dat anderen zullen denken. Het is mijn waarheid. Waarop ik mag teren en waardoor ik me gezegend kan voelen.
Door het programma Verborgen verleden heb ik ontdekt dat reizen, je verplaatsen naar een beter leven, me in het bloed zit. Van beide kanten. In de archieven heb ik mijn betovergrootvader gevonden. Zijn moeder, Antje, is over het zoute water ontvoerd naar Zuid-Amerika. Maar ik leg liever de nadruk op de veerkracht van mijn voorouders. Die ze hebben doorgegeven aan mij en de komende generaties. Het is belangrijk om je pijn te verwerken en je kracht te erkennen. Dat brengt je vooruit. Met Keti Koti heb ik niet zoveel meer. Wat valt er te vieren aan het feit dat ze ons vrij maakten? Dat ze ons een recht gaven dat we altijd al hadden?
Ik heb mijn jongste dochter een paar jaar bij haar tante in Amsterdam laten wonen. Zij heeft een podcastserie gemaakt waarin ze me daar vragen over heeft gesteld. Ze was niet boos op me, maar dat dertienjarige meisje in haar wilde toch weten waarom ik zo met haar was omgegaan. Confronterende vragen zetten je aan het denken. Ik was niet alleen die stoere vrouw die voor zichzelf koos. Ik was op dat moment niet in staat moeder te zijn. Ik was met mezelf bezig, omdat ik gek werd. Het was een identiteitscrisis, en ik zat ook boordevol schuldgevoel. Je gaat weg uit je gezin, uit je huwelijk: je hebt het fout gedaan. Daarover ben ik eerlijk geweest tegen haar.
Mijn jongste dochter woont nu naast mij met haar gezin. Als het druk is in huis komt mijn kleinzoon van vijftien bij mij op de bank liggen. Het is rijkdom om zo dicht bij elkaar te wonen. Laatst ben ik gevallen in de badkamer, ik kon niet meer overeind komen. Mijn schoonzoon hoorde de klap en ze belden me op. Toen ik niet opnam, kwamen ze me helpen. Dan is het echt fijn dat ze hiernaast zijn. Pas was er een programma op tv van mensen die een mantelzorgwoning op hun erf wilden. Ze hadden de ruimte en ze hadden een vergunning. Maar de buren hebben het tegengewerkt. Hoeveel van die gevallen zijn er niet? Ik ervaar hoe goed het is om dicht bij mijn kinderen en kleinkinderen te zijn.”