Zap Tijdens de Dodenherdenking maandagavond dacht onze recensent – juist door al die keren van stilstaan bij het verleden – voor het eerst het merendeel van de tijd aan beelden uit het heden, aan tv-fragmenten van alledag.
De Dodenherdenking op de Dam, maandagavond.
In geschiedenislessen op de basisschool leerde ik waar je aan moest denken, als je twee minuten stil was op 4 mei. Er was materiaal in overvloed. Ik had een meester die Roel heette en het niet zo nauw nam met de Kijkwijzer. In groep 5 liet hij ons beelden zien uit een gruwelijk ver verleden, toen alles nog zwart-wit was. Op een dik tv’tje vooraan in de klas zagen we grote wagens vol levenloze lijven. Ooit waren dat mensen geweest.
Dus daar dacht ik aan tijdens Dodenherdenking, en het was zowel beangstigend als geruststellend. Twee minuten om je in te beelden hoe duister het hier was, in die afgebakende periode van vijf jaar. Als de kransen waren gelegd kon ik iets vrolijks en kleurrijks kijken en de volgende dag was het tijd om de vrijheid te vieren. Behalve als teken van respect was dat toch ook waar herdenken voor bedoeld was: als garantie dat de toekomst altijd vrij zou blijven. De fouten van toen, die zou niemand nog maken.
Op de middelbare school kwamen er allemaal nieuwe beelden en gedachtes bij om die twee minuten stilte mee te vullen. Begin mei werden er telkens documentaires en fictiefilms uitgezonden, waarin aspecten van de Tweede Wereldoorlog werden uitgelicht die ik nog niet kende. Het was niet van de ene op de andere dag gebeurd, dat vervolgen en vermoorden van Joden, Roma, Sinti, homoseksuelen en meer minderheden. Tijdens Dodenherdenking herinnerde ik me nu ook de taal en de prenten die ik had gehoord en gezien, op tv en in geschiedenislessen. De vergelijkingen die waren getrokken tussen Joden en ratten; ongedierte. De manier waarop een groep mensen was aangewezen als oorzaak van alles wat niet goed ging. Dat stellige onderscheid: ‘wij’ versus ‘zij’. De lichamen die meester Roel had laten zien werden allang niet meer als mens erkend; ook niet toen er nog leven in zat.
Toen maandag de twee minuten weer naderden, dacht ik – júíst door al die keren van stilstaan bij het verleden – voor het eerst het merendeel van de tijd aan beelden uit het heden. Beelden van oud-minister van Onderwijs Gouke Moes, die vertelt waarom hij de Nederlandse staat wil aanklagen voor „de gevolgen van massa-immigratie”. Van Wierd Duk, die zegt dat „bepaalde vluchtelingengroepen een veel hoger percentage aan zedendelicten plegen”. Van Raymond Mens, die vanaf een leeg plein in een Amerikaanse staat verkondigt dat de mensen zich, na alle ICE-deportaties, véél veiliger voelen daar. Van Raisa Blommestijn, die een pleidooi houdt om „mensen met een migratieachtergrond” aan te moedigen tot „remigratie” naar „hun land van herkomst”.
En toen ik na die twee minuten de minister van Defensie haar hoofd zag buigen voor een bloemenkrans, dacht ik aan hoe ze de ochtend ervoor in WNL op Zondag had geopperd dat ze „de internationale wetgeving, bijvoorbeeld op asiel en rechten van de mens” wilde „aanpassen”. Of „aanscherpen”. Aangescherpte mensenrechten. Dat komt allemaal niet uit documentaires in grijstinten. Het zijn tv-fragmenten van alledag.
Er is veel om aan te denken in die twee minuten stilte. Maar nu zou ik wel willen leren wat je na die stilte doet.