Meidoorn Hij bloeit overweldigend, met wolken witte bloesems, maar heeft ook venijnige doornen die in het verleden reuzenneushoorns en olifanten op afstand hielden. Het maakt de meidoorn zowel geschikt voor lieflijke, decoratieve toepassingen in jugendstil en art deco, als om symbool te staan voor zelfkastijding.
Albrecht Dürer, 'Zelfkastijding van de Heilige Benedictus', ca. 1496.
De bloei van meidoorn is overweldigend, met wolken witte bloesems tussen glanzend, heldergroen blad. De bloemen hebben een zware, zoete geur die onweerstaanbaar is voor bijen. In het najaar draagt Crataegus monogyna, eenstijlige meidoorn, vuurrode bessen die vogels graag eten en die goed zijn voor gelei.
„Quand l’épine blanche est fleurie, la gelée a partie”, zegt een Frans spreekwoord. Als de witte meidoorn bloeit is de vorst voorbij. Dit klopt in mijn tuinierservaring van zo’n veertig jaar altijd. De bedwelmende, onstuitbare bloei van meidoorn symboliseert „hartvuur dat naar buiten treedt en uitstroomt naar al wat leeft”, aldus Maja Kooistra in haar boek Leven met Bomen (2024). De meidoorn is hoofdrolspeler in de Walpurgisnacht, het voorchristelijke vruchtbaarheidsfeest dat begint bij de zonsondergang van 30 april en, onder andere, wordt gevierd met het planten van een meiboom.
In de westerse kunstgeschiedenis vanaf de late middeleeuwen staat de meidoornbloesem voor compassie en deugdzaamheid. In het 16de-eeuwse Franse getijdenboek van Anna van Bretagne, verluchtigd door Jean Bourdichon, is een pagina versierd met een bloeiende meidoorntak, een sierlijke libel en een ander gevleugeld insect dat, wellicht, vergankelijkheid symboliseert.
Rond 1900 waren afbeeldingen van meidoorn populair voor decoratieve toepassingen in jugendstil en art deco. Het Rijksmuseum bezit een schitterend studieblad van de schilder en meubelontwerper Theo Nieuwenhuis (1866-1951), met een weelderige wirwar van appelbloesem, dovenetel, meidoorn en hondsdraf, losjes over het blad gestrooid en elke plant heel precies getekend. Nieuwenhuis maakte botanische tekeningen van bloemen en planten ter illustratie van Nederlandse flora, maar ook als versiering van oorkonden en affiches en als ontwerp voor behang. Op het studieblad zijn de contouren van de verschillende planten sterk aangezet, tegen een zwarte achtergrond die het decoratieve effect nog versterkt.
Theo Nieuwenhuis, ‘Studieblad met appelbloesem, dovenetel, meidoorn en hondsdraf’, 1896-1905.
Meidoorn heeft niet alleen witte bloemen en rode bessen, maar ook venijnige doornen tot wel tweeënhalve centimeter lang. Misschien heeft de struik hieraan de betekenis van deugdzaamheid te danken. Het verhaal gaat dat Sint Benedictus zich naakt in een meidoornstruik wierp om zijn seksuele driften te beteugelen. Het tafereel is afgebeeld op een klein glas-in-loodraam (ca. 1496), de Zelfkastijding van de Heilige Benedictus naar een ontwerp van Albrecht Dürer, in de collectie van het Isabella Stewart Gardner Museum in Boston. Satan fladdert in de gedaante van een zwarte vogel rond de heilige die biddend op zijn buik tussen de doornen ligt, in het heuvellandschap bij zijn klooster.
Albrecht Dürer, ‘Zelfkastijding van de Heilige Benedictus’, ca. 1496.
De doornen maken een volgroeide meidoornhaag tot een ondoordringbare barrière. Zo staat het beschreven in de Flora Batava 1800–1934 (2023): „Van alle heesters en boomen levert deze de beste levende hegge op, die het digste groeit en door hare doornen het indringen van vee of kwaadwilligen ten eenenmale weert, gelijk dezelve dan ook in ons land op alle gronden mits die niet te dor zijn, tot dat einde gepoot wordt”. Een meidoornhaag kan tot ongeveer 4,5 meter hoog worden.
De stekels van meidoorn en van andere stekelstruiken als sleedoorn en braam gaan lang terug in de geschiedenis. Volgens ecologen heeft de struik zijn doornen ontwikkeld als afweer tegen grote grazers. Ooit, tot ongeveer 30.000 jaar geleden – in geologische termen is dat gisteren – liepen er reuzenneushoorns door onze streken en olifanten die tot dertien ton wogen. En ook, onvoorstelbaar, reuzenherten (megaloceros giganteus) met een schoffelvormig gewei dat tot drie meter lang was en een gewicht had van vijftig kilo, evenals reuzenwolven, oerossen, wilde paarden, holenleeuwen, sabeltandtijgers, leeuwen, luipaarden, everzwijnen, hyena’s en nog vele andere grote dieren. Kudden reuzenherbivoren begraasden open plekken, woelden de bodem om en aten jonge scheuten van bomen. Zo verhinderden ze de groei van dicht bos en stimuleerden ze een open, dynamisch systeem waarin bomen, struiken, grassige savannen en veengebieden en moerassige gebieden elkaar afwisselden.
Zo’n 85 procent van deze ‘megafauna’ is verdwenen met de verspreiding van de mens over de aardbol, vanaf ongeveer 50.000 jaar voor Christus. Vondsten van dierenresten laten zien dat de uitroeiing van de grote dieren de verspreiding van de mensvolgde. Relatief laat gebeurde dat in Noord- en Zuid-Amerika, tussen 15.000 en 10.000 jaar geleden, en het meest recent in Nieuw-Zeeland, met de vestiging van Polynesiërs tussen 1250 en 1300 na Christus.
Veel van de bomen en struiken in Europa zijn met de megagrote grazers gecoëvolueerd. Ze hebben manieren ontwikkeld om zich te verdedigen tegen olifanten die takken afrukken, tegen bomen aanschuren en kleine boompjes vertrappen. Deze bomen en struiken hebben een uitzonderlijk vermogen om nieuwe scheuten te laten ontspruiten uit afgebroken takken, om beschermend littekenweefsel te laten groeien over afgestripte boombast en over diepe beschadigingen aan de stam. Ook produceren ze onsmakelijke tannines en agressieve doornen die eetlustige dieren weren.
Jan Anton Garemyn, ‘Meidoorn’, 1790 – 1799.
Tegenwoordig wordt nog steeds gebruikgemaakt van de regeneratieve eigenschappen van bomen en struiken. Eik, beuk, es, kastanje, hazelnoot, wilg en vele andere soorten worden getopt en gesnoeid als hagen en benut voor de productie van hakhout. Eeuwenlang waren stekelhagen hooggewaardeerd. Sleedoorntakken werden gebruikt voor wandelstokken en de bessen voor medicijnen en als smaakmaker van wijn en gin. Bramen werden niet alleen gegeten, maar waren ook nuttig als verfstof. Meidoorn leverde hout voor dorsvlegels en handvatten van gereedschap, hazelaar en kardinaalshoed leverden hout voor manden, brem voor bezems (broom), jeneverbes leverde hout voor potloden en destilleerolie en bottels van hondsroos voor siroop en jam. Maar bovenal werden stekelstruiken benut om jonge bomen te beschermen tegen vraat van dieren, reden waarom de stekelstruik wel „de moeder van de eik” wordt genoemd. Tegenwoordig worden doornige struiken opnieuw op deze manier ingezet, bijvoorbeeld bij natuurbeschermingsprojecten, zoals in de Oostvaarderplassen waar hondsroos en sleedoorn wordt aangeplant om edelherten en oerossen op afstand te houden.
Tot in de 20ste eeuw waren in grote delen van ons land akkers en weilanden omzoomd door struweel van meidoorn en andere stekelstruiken. Op een foto van de natuurfotograaf Richard Tepe in het Rijksmuseum, Meidoorn in bloei (1900-1930), is zo’n wilde, waarlijk grootse haag te zien, gekroond met witte bloesem. De foto toont een paradijselijke woestheid zoals we die bij mijn weten nergens in Nederland nog tegenkomen.
De meeste stekelhagen zijn vanaf de jaren zestig gerooid om plaats te maken voor de onafzienbare groene vlakten van de grootschalige landbouw. Dit betekent een groot verlies aan schoonheid van het landschap en biodiversiteit. Juist de overgangszones tussen verschillende landschappen, tussen grasland, bos, moeras, hei en duinen, zijn rijk aan leven. Struweel biedt onderdak aan vele soorten kleine dieren, zoals hazen, egels en vogels en aan ongewervelde dieren.
Richard Tepe, ‘Meidoorn in bloei’, 1900-1930.
Charles Donker, ‘Meidoornhaag’, 1974.
Hoe meidoorn in de tweede helft van de 20ste eeuw in ons land overleefde is te zien op een kleine ets van Charles Donker uit 1974 (collectie Centraal Museum Utrecht). Kortgeschoren haagjes staan verloren in een leeg en troosteloos landschap met een lage horizon en witte lucht. Het ironische is dat deze afbeelding past bij het modernistische ideaal in de kunst van die tijd, met een strakke, abstracte geometrie. Een groter contrast met de bloeiende meidoorn op de foto van Tepe is nauwelijks denkbaar.
Inmiddels zijn overal in het land acties gaande om struweel terug te brengen in het akkerlandschap en worden boeren en ook tuineigenaren aangemoedigd om stekelstruiken aan te planten: sleedoorn, die het vroegst bloeit, sporkehout, hondsroos, egelantier, rode kornoelje, wilde peer. Deze struiken zou je alleen al aanplanten om hun naam en het is allemaal prachtig, vooral als je de ruimte hebt om ze wijd uit te laten groeien. Maar van al deze struiken bloeit de meidoorn het mooist.