Vinije Haabo kwam in 1999 vanuit Suriname, waar hij opgroeide als ‘kind van het bos’, naar Nederland om zijn eigen taal en cultuur te kunnen bestuderen. ‘Ik heb de taal meegenomen en nu kan ik die teruggeven.’
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.
Bosgod Mavungu is overal, ook in de bossen van Wageningen, vertelt de sinds 1999 in Nederland wonende Vinije Haabo (55) halverwege een gesprek over zijn levensloop, die begint in Pikin Slee, een dorpje diep in het met oerwoud begroeide Surinaamse binnenland.
Eens een kind van het bos, altijd een kind van het bos, en dus komt Vinije (uitgesproken als Vie-nie-jéh) Haabo er nog dagelijks: in het olifantenbos, het fruitbos, het bamboebos, het grote bos of het kleine bos.
In de tweewekelijkse serie ‘Eerste generatie’ laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie naar Nederland kwamen. Waarom namen zij afscheid van hun land, welk leven lieten ze achter en hoe bouwden ze een nieuw bestaan op?
Dat deze bossen een andere, ‘geregistreerde’ naam dragen, zoals Grebbeberg of Wageningse Berg, is voor Haabo geen reden om de plekken geen eigen naam te geven. Soms veroorzaakt dit verwarring. Zoals die keer dat zijn oudste zoon, Senni, vol kinderverontwaardiging thuiskwam uit school: ‘De juf zegt dat het olifantenbos niet bestaat, maar ik heb olifanten in het bos gezien, dus het bestaat. Toch, papa?’
Haabo, grote grijns: ‘Hier in Rhenen heb je Ouwehands Dierenpark. We namen de jongens vaak mee naar het bos ernaast. Vanaf het pad kun je de olifanten zien. Dat noemden we het olifantenbos. We hebben ook een abonnement op de dierentuin geprobeerd, dat vonden ze niks, ze kwamen liever in het olifantenbos.’
Het voornaamste verschil tussen dwalen door het bos aan de bovenloop van de Surinamerivier in district Sipaliwini en wandelen in de heuvels van de Veluwezoom aan de Nederrijn: Haabo hoeft niet op giftige slangen te letten. En: ‘Het pad is helemaal aangelegd, ik kan dagdromen, bijna met mijn ogen dicht.’
Haabo werkt als onafhankelijk onderzoeker. In zijn geboortedorp begon hij het Samaaka Museum, dat hij ‘de grote school’ noemt. ‘Daar verzamel ik orale familieverhalen. Ik werk samen met musea in Europa aan exposities, met kunstenaars uit Pikin Slee, en ik help bij projecten van een ontwikkelingsorganisatie uit Wageningen, om te voorkomen dat ze mislukken omdat mensen elkaar niet begrijpen.’
Haabo laat een foto zien op zijn telefoon. Vier jongens, gekleed in pangi’s (felgekleurde omslagdoeken), zittend op een rots bij de rivier. Haabo kijkt recht in de lens. ‘Mijn eerste foto. Hier ben ik 9 of 10. Een katholieke pater heeft deze genomen. We hadden gehoord dat de school zou komen. Ik ging me die dag inschrijven met mijn vrienden, onze familie wilde dat niet.’
Waarom wilde uw familie niet dat u naar die school ging?
‘Ze zeiden: de paters hebben die school naar het dorp gebracht om onze kinderen te stelen.’
Haabo is een Saramakaner (‘Saamaka’, in de eigen taal), zijn (Afrikaanse) voorouders wisten de plantages en slavernij te ontvluchten en stichtten eigen gemeenschappen diep in het binnenland: Marrons. Suriname telt zes Marronstammen, elk met een eigen taal en cultuur.
Dat Saramakaners de buitenwereld wantrouwen, valt vanuit historisch oogpunt goed te verklaren, vertelt Haabo, die zich specialiseerde tot deskundige op het gebied van Surinaamse orale geschiedenis en creoolse talen, zoals het Saramakaans.
Nadat rond 1690 de eerste Saramakaanse dorpen ontstonden in de jungle, brak er een periode van constante strijd uit, vertelt hij. Tussen de mensen in het bos en de Europeanen die ‘hun bezit’ wilden terughalen naar de plantages. Er werd op marrons gejaagd en eenmaal gepakt, werden ze vaak op gruwelijke wijze gedood.
De vlucht, strijd en constante angst om gepakt te worden hebben hun sporen nagelaten in de taal en cultuur van de Saramakaners. Neem zijn eigen voornaam, Vinije. Het betekent ‘kind van mij’ in het Ewe, een West-Afrikaanse taal. ‘Iedere moeder in slavernij wist: als je kind is opgegroeid, kan het worden afgepakt. Het enige dat je kunt doen is het een naam geven waardoor het voor altijd weet dat hij een ander niet toebehoort.’
De ontstaansgeschiedenis vormt ook de basis voor wantrouwen jegens de buitenwereld, in het geval van Pikin Slee eind jaren zeventig, jegens de komst van christelijke missionarissen en hun onderwijs. Zaken die verder stroomafwaarts al waren doorgedrongen tot marrondorpen. ‘Dorpen die zich bekeerden, kregen een school, een polikliniek, soms zelfs een vliegveld.’
Ik begrijp dat u ook niet weet hoe oud u precies bent, hoe zit dat?
‘Saramakaners lieten zich niet registreren. Het doet denken aan de slavernij: opgenomen zijn in de boedel van de plantage-eigenaar. Mijn geboorteakte is rond mijn 14de door de stedelijke ambtenaren gemaakt. Op hetzelfde document is mijn moeder geregistreerd, er moest een papieren bewijs komen dat ze bestaat.
‘Mijn moeder weet nog dat ze met een dikke buik liep tijdens de rijstoogst, dat is de tiende maand. Volgens de ambtenaren waren er te veel kinderen in de tiende maand geregistreerd, ik kreeg een andere maand, april. Ik doe niet moeilijk, in mijn cultuur kennen we geen verjaardagen.’
Uw ouders wilden niet dat u naar de christelijke school zou gaan, maar u wilde wel.
‘Mijn vader leefde al niet meer, die overleed toen ik klein was. Mijn moeder en oma wilden het niet. Ik was nieuwsgierig. De school van het bos had ik al doorlopen.’
De school van het bos?
‘Als kind van het bos leer je overleven in het bos. Welke planten kun je eten, welke zijn giftig, welke kun je als medicijn gebruiken? Je leert huizen maken, een roeispaan, zwemmen in de rivier, roeien met de boot, ook als de rivier wild is, een kostgrondje openkappen. Je moet weten hoe je voedsel verzamelt. Ik was goed in jagen, met de katapult: op leguanen, spechten, duiven. En hengelen op piranha.
‘Je leert over natuurgeesten en bosgoden, waternimfen, de verhalen van de voorouders. Als je verdwaalt, leer je op welke boom je moet slaan, zodat ze je kunnen vinden. Je leert over de hoogste en machtigste boom van het woud, de kankantrie, de ooggetuige van het leven van de voorouders.’
Wat leerde u bij de paters?
‘Dat onze Saramakaanse namen te moeilijk waren. We moesten een schoolnaam kiezen van het bord. Ik was een van de laatsten. Er waren maar twee namen over: Ronald en Carlo. Onze taal kent geen ‘r’, die namen konden we niet goed uitspreken. Carlo is nog moeilijker. Ik werd Ronald, mijn vriend werd Carlo.
‘Die namen werden gebruikt door de paters en uiteindelijk ook door andere mensen. Sommige jongeren in het dorp gingen ook Europese namen gebruiken om erbij te horen. Het kolonialisme is geslaagd: in veel dorpen heeft niemand meer een traditionele naam. Ik vind het verdrietig dat we ons zijn gaan schamen voor onze namen en taal. Onze zonen hebben Saramakaanse namen. Senni (18) betekent sieraad, Nyuma (16) jongeman, Lowan (14) geliefde en Kiyoo (12) jongeling.’
Dan, ineens, met klemtoon: ‘Ik hield van de school, ik was er goed in. Het was het begin van mijn tocht naar Nederland.
‘Eerst moest ik naar school in Paramaribo. Ik was te oud voor de mulo, 16, en ik sprak amper Nederlands. De paters hebben toch een plekje kunnen regelen, in een internaat. Daar onderging ik een metamorfose van boskind naar kind dat kan overleven in de stad.’
Hoe vond u de stad?
‘Ik wist niets, had nog nooit een auto gezien, verkeer, elektriciteit, poepen op een wc, slapen in een bed, met een kussen. Wij leefden met olielampen en sliepen in hangmatten. Ik wist niet hoe het hoorde, trek je bij een winkel je schoenen uit of niet? Ik ben vaak uitgelachen, uitgescholden ook, in Paramaribo keken de mensen neer op mensen uit het bos.
‘Het internaat was streng, hard – voor veel kinderen was het moeilijk, voor mij werkte het. In het jaar dat ik naar de stad ging, brak de Binnenlandse Oorlog uit (van 1986 tot 1992, red.). Zes jaar lang heb ik mijn dorp en familie niet gezien. Ik heb in mijn eentje leren overleven.
‘En ik had een plan. Mijn taal had geen eigen woordenboek, alleen woordenlijsten samengesteld door missionarissen, die door hun god verblind werden voor de spirituele lading van grote delen van onze taal. Ik besloot: dat woordenboek ga ik maken. Een taalkundige die onderzoek in Suriname deed, zei tegen mij: ga West-Afrikaanse talen studeren in Leiden, het zal je helpen de fonologie en etymologie van het Saramakaans beter te begrijpen. Zo kwam ik in Nederland, in 1999. In een studentenhuis van Minerva (het Leidse studentencorps, red.).’
Hoe vond u Nederland?
‘De snelheid vond ik wennen. Mensen in Nederland zijn gestrest, ze houden niet van wachten. In Suriname heeft niemand haast. Nieuw was de discriminatie op basis van huidskleur, mensen verwachten niet dat zwarte mensen de taal spreken of naar de universiteit gaan. In Suriname is discriminatie meer op afkomst gericht; over mensen zoals ik, uit het binnenland, bestaan veel vooroordelen.
‘In Nederland verkeerde ik in intellectuele kringen. Iedereen is beleefd, mensen schelden je niet uit. Na een tijdje begreep ik dat discriminatie in de instituten zit. Wij hebben onze eigen experts van jouw cultuur, zeiden mensen bij universiteiten of musea. Meestal een oude witte man.’
Kwam u naar Nederland om te blijven?
‘Ik wilde kennis halen waarmee ik terug kon naar het dorp. Na Leiden kwam ik bij de studie tropische landbouw in Wageningen. Toen had ik Miranda, mijn vrouw, al ontmoet. In Suriname. Zij werkte een jaar in een kindertehuis. Ik woonde hier, maar was even daar. Ik zag haar op een terras met een vriendin en heb haar aangesproken. We hebben de hele avond gepraat, daarna ging ze weg en stuurde een kaartje naar mijn oude adres in Paramaribo. Terug in Nederland verhuisde Miranda naar mij in Wageningen. Al snel kregen we Senni.
‘In 2023 zijn we voor het eerst met zijn allen naar Pikin Slee gegaan. Het was bijzonder om de jongens te zien lopen op de plek waar ik ben opgegroeid. Voetballen met de kinderen in het dorp, zwemmen in de rivier. Ik ben graag in Pikin Slee, maar het is niet meer zoals vroeger. Ik heb zoveel verplichtingen, door het werk dat ik er doe, en geen tijd om het bos in te gaan. Dan denk ik: ik moet terug naar mijn Wageningen.
‘Ik ben een genaturaliseerde Nederlander, met een paspoort. Dat maakt reizen makkelijker.’
Heeft u Nederland zien veranderen?
‘Ik heb meer vrijheid dan mijn voorouders. Wel maak ik me zorgen om de jongens. In Amerika worden migranten opgejaagd, hier gelukkig niet. Ik wil niet dat mijn kinderen zich onveilig voelen, of gediscrimineerd. Ik heb lang gedacht dat het wel goed zou komen, zeker in Wageningen. Niet zo lang geleden ben ik belaagd, hier in Wageningen, tijdens een avondwandeling. Ik ben erg geschrokken. De details hoeven niet in de krant, ik heb aangifte gedaan.
‘Maar ik ben opgegroeid met de obia, de kracht en macht van de natuur, die in staat is om alles te overleven. De bosgoden zijn ook in Nederland.
‘Ik ben weggegaan, in mijn eentje, heb de taal meegenomen en nu kan ik de taal teruggeven aan mijn mensen. Het manuscript van het Groot Woordenboek van de Saramakkaanse taal is af, het kan naar de drukker. Ik heb 30 duizend woorden beschreven, het is de eerste creooltaal die zo uitgebreid is vastgelegd.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant