De premier zit aan zijn bureau, armen over elkaar. Hoeveel mensen naar hem kijken, weten we niet precies. Miljoenen. Hij leunt naar voren en kijkt indringend de camera in. Dan valt hij met de deur in huis: „We moeten beseffen met elkaar dat we niet kunnen voortgaan met het verbruik van beperkte voorraden brandstoffen en grondstoffen zoals we dat in de laatste kwart eeuw hebben gedaan. Zo bezien, keert de wereld van voor de oliecrisis niet terug.”
Die premier had Rob Jetten kunnen zijn, anno 2026. Maar het was Joop den Uyl (PvdA), op 1 december 1973. Arabische landen hadden Nederland een olieboycot opgelegd na steun aan Israël in de Jom Kipoer-oorlog, met een energiecrisis tot gevolg.
Het is reces in Den Haag, dus ik ben me gaan verdiepen in die energiecrisis. Daarover straks meer, eerst even dit: dat welhaast mythische tijdperk van de autoloze zondagen? Waarin werd gerolschaatst op de snelwegen? Dat was dus helemaal geen tijdperk, kwam ik achter: er waren maar tíén autoloze zondagen. En ook nog eens tussen december en januari – absoluut geen rolschaatsweer.
Daarbij nam de benzineconsumptie amper af, want mensen gingen gewoon op andere dagen rijden. Door de maatregel zag men wel de ernst in van de crisis, maar verder was die „symbolisch”, vertelde Den Uyl-vertrouweling Wim Meijer me.
Dat terzijde. Op het eerste gezicht hadden Jetten en Den Uyl niet méér van elkaar kunnen verschillen. Den Uyl was een stekelige, non-conformistische sociaal-democraat. Jetten is een vriendelijke, compromislievende liberaal.
Voor de gereformeerd opgevoede Den Uyl was soberheid een deugd. Hij zei eens tegen journalisten over Nederland: „Alles moet groter, mooier, luxer. Dat moet ophouden.” In 1972 was hij zich rot geschrokken van de milieu-denktank de Club van Rome, die waarschuwde voor uitputting van de aarde. Den Uyl-biograaf Dik Verkuil schrijft: „Den Uyl had de dreigende apocalyptische gevaren moeiteloos in zijn denken ingepast.[…] Het besef van de eindigheid van de aarde had zijn moralistische inslag nog versterkt.” De stap naar consuminderen vanwege de olieboycot, was makkelijk gezet.
Premier Joop den Uyl (PvdA) in 1976. Links van hem Dries van Agt (KVP), rechts W.F. de Gaay Fortman (ARP).
Hoe anders is dat voor Jetten: zijn belofte is overvloed, zijn merk optimisme. Maar binnenkort moet de man die beloofde dat ‘het’ wél kan, waarschijnlijk uitleggen dat ‘het’ toch wel heel lastig wordt door de energiecrisis. Gelukkig voor Jetten – van huis uit katholiek – is hij elastischer dan Den Uyl.
Zo bezien lijken de twee premiers tegenpolen, maar dat zijn ze niet helemaal. Den Uyl geloofde in maakbaarheid. En dan geen kleine stapjes, maar grote sprongen richting een betere toekomst. Jetten wil óók een overheid die de regie pakt. Daarin lijkt hij meer op Den Uyl dan op Rutte, of Kok met zijn Derde Weg.
Deze energiecrisis geeft voormalig ‘klimaatdrammer’ Jetten bovendien de kans om de vergroening aan te zwengelen. Het doet Meijer denken aan hoe het kabinet-Den Uyl van steenkolen op het schonere aardgas wilde overstappen.
Het kabinet-Den Uyl rekende „tot zijn eerste taken de vicieuze cirkel waarin we nu al jaren verkeren, te doorbreken”. Den Uyl bedoelde de inflatie. Jetten wil doorbraken realiseren op de vastgelopen dossiers van dit moment, zoals stikstof, asiel, zorg.
Allebei hebben geen ‘standaard’ meerderheidskabinet. Den Uyl leunde op vaste gedoogpartners, terwijl Jetten meerderheden bij elkaar moet sprokkelen.
Anet Bleich, ook biograaf van Den Uyl, schreef over diens regeerakkoord: „Zelfs onder de best denkbare omstandigheden – een bloeiende economie, brede steun in het parlement en vanuit de bevolking – was dit een buitengewoon ambitieus programma, waarmee in een periode van vier jaar slechts een bescheiden begin gemaakt zou kunnen worden.”
Precies die zin zou vandaag ook over Jetten geschreven kunnen worden.
Liam van de Ven is politiek redacteur bij NRC, en doet als invaller deze week verslag vanuit Nederland.